Zaterdagnacht was de hemel vol bliksemschichten. Terwijl de koelte ervan tegen het lijf joeg beukte de regen langs de open deur naar binnen. Ik was bang om nog in velden te gaan en kon niet slapen.
Ik wou buiten geen slapeloosheid schreeuwen want een zoon lag daar te slapen met een lieveheersbeestje op zijn wang.
Ik meet de tijd. Nacht is kort. Alles blijft aan zijn stengel hangen.
De koningin ligt boven nog te slapen. Ik wil haar verassen met een eenvoudig, doch heerlijk ontbijt.
Bij de bakker is het nog net niet aanschuiven in de rij. De mensen die in dit vroege zondagsuur in de winkel staan, hebben jongvolwassen de tweede wereldoorlog meegemaakt. Ze doen graag een klapke en betalen met eurocenten uit een volle geldbeugel alsof het goudstukken zijn.
Vandaag knip ik takken uit de lucht en zullen doornen mijn polsen doen bloeden. Ik zal stinken naar het zweet uit een warme dag en in de vooravond maak ik een vuur waar we ons eten op braden.
Zij, hij, hij en zij bij mij of hen niet bij mij. Hoe zou het zijn? Ik ben nog nooit eenzaam geweest. Felgroene vliegen laven nu honger en dorst uit leeggeschraapte borden.

 

begin

Home