
subject: voorwoord
En dan gooide ze ons buiten
haar geest,
haar innige bekoorlijkheid hing om ons heen
ze had haar toekomst verbruikt

zaterdag 8 oktober 2005
Vooraleer ik binnen ga rook ik een voorlaatste sigaret, kijkend naar de sterrenhemel. In al die tijd is daarboven niets veranderd. Het is een geruststelling, een houvast.
Ik liep met mijn broer achter onze ouders aan als we ’s avonds na een familiefeest naar huis gingen. We keken naar de sterren in een gitzwarte hemel en probeerden ze allemaal te tellen. Af en toe bleef mijn vader staan en wees hij naar de grote en de kleine beer. Dan liep hij weer verder langs het voetpad naast de kasseiweg met ons moeder, zij aan zij.
Bij elke lantaarnpaal zagen we hoe onze schaduw in het oranje lichtschijnsel bewoog, terugkeerde en opnieuw verdween. Mijn broer en ik keken er zwijgzaam naar en vroegen ons af vanwaar die schaduw kwam.
Nu ik in die sterrenhemel kijk denk ik aan toen. Niets is daarboven veranderd.
Bijna nacht. Straks zwiert jonkheid over de hekkens, als schimmen alsof ze geschapen zijn voor de zonde. Onverwoestbare zaterdagnacht.
Wij hadden thuis een zwart-wit TV waarmee we naar twee zenders konden kijken. Op zaterdagavond keken we in het kleine salon in het pikkedonker naar een western of een oorlogsfilm en aten we gebak dat ik meestal ging kopen in de winkel halverwege de straat. Kopen was een groot woord. In de winkel hielden ze de rekeningen bij, die ons moeder achteraf ging betalen. Onze nonkel en mijn grootmoeder, die hardhorig was, kwamen ook.
Alleen mijn vader mocht de TV bedienen. Ze hadden hem verteld hoe alles marcheerde. Op het toestel mocht zo weinig mogelijk sleet komen in de tijd. In die tijd van slijtbaarheid is veel veranderd. De tijd heeft hem in grootvaderschap veranderd.

Als toeschouwer leer ik mezelf begrijpen. Ik heb twee zonen en ben heel blij zoals ze zijn. De stilte in mijn leven is een toevallig dierbaar geschenk.
Mijn gedachten die ik koester schrijf ik op papier. Uiteraard klad ik papier vol met emoties zonder anderen ermee te confronteren. Wie dat ooit zal lezen zal mij begrijpen of niet. Eigenlijk is dat niet belangrijk in ons vergankelijk bestaan, tenzij voor mezelf. Het zou me na mijn leven vereren dat iemand mijn schrijfsels zou doneren aan de toekomst die later verleden is. De moed ontbreekt me soms om dingen te beschrijven, zoals dit ogenblik gevangen tussen ik was, ik ben en zal zijn. Ik ben en ik was; ik zal zijn twee seconden later. Rock me baby....een cliché....we sterven allemaal....een cliché; er is al zoveel verteld. Grootse verlangens naar wat je niet beleeft. Och, wie ben ik om die wartaal te schrijven; een chaotisch samenraapsel van een moment, ook al zal de dageraad die er nu niet is me morgen misschien bezinnen. Ik ben gelukkig omdat ik geluk mis, ik ben verliefd omdat ik de liefde mis, ik leef uit angst om te sterven.Weet je, ik wil dat de wereld beter wordt en het is niet moeilijk, we moeten alleen bij onszelf beginnen en dan komt alles vanzelf.
Ze zijn pas afgestudeerd en hebben werk.
ik herinner me nog de wandelingen in het bos
hoe ze schaterlachend wild langs elkaar liepen, dicht bijeen
ik kan die kinderhand nog zo in mijn handpalm voelen
nu fladderen ze traag met zekerheid weg
Aan de zeven sterren bleef ik staan. Daar liggen drie gebroken stenen die in elkaar passen en een ronde schijf vormen van drie meter op veertig centimeter.
Het verleden vertelt dat een boer die grote brokken steen bij het afgraven van zijn veld gevonden heeft. Ze hebben die met de ossenkar midden naar het park gebracht. Men vermoedt dat het restanten van een meteoor zijn, maar het kan evengoed een altaar geweest zijn.
Ik zie opnieuw hoe zij die stenen beklimmen, kraaiend een kreet slaken van: ik sta op de top .
Ik heb hun verteld: dat is een stukje van een ster
In die periode woonden we pas in het huis dat we gekocht hadden. De oudste kon pas lopen en de jongste pendelde tussen Neanderthaler en mens.
We waren aan het verbouwen. Ik deed bijna alles zelf, terwijl zij voor de kinderen zorgde in de ruimten ernaast. Haar ouders leefden nog. Mijn vader kwam regelmatig naar mijn werk kijken. Het lijkt zowel lang geleden als dichtbij.
ik ging verder
bleef staan
ging verder
bleef staan in een zonnestraal
er lagen kastanjes op de weg
gek dat niemand die wou
In Lissabon kochten we s’avonds gepofte kastanjes aan het station. We gingen in het spitsuur naar het drukke centrum, naast elkaar met een krantenpapieren trechter vol gepofte kastanjes.
zaterdag 27 november 2004
Die kater zit daar maar te staren aan de kant van de rivier. Zijn snorharen zijn bijna bevroren. Hij zit daar tot ik dichterbij kom. Dan verdwijnt hij sluipend in de kant. Ik passeer de plaats waar hij net voordien zat te staren en vergeet haast de reden waarvoor ik hier ben. Het komt door die kater die zat te staren naar de rivier. Een rivier zonder vissen met een kater aan de zijkant.
Verder, evenwijdig met dit pad is een treinspoor en een brug. Een brug waaronder ik als het regent mijn handen droog en een sigaret rol. Dan sta ik ook te staren naar de grijze lucht, de brug, de spoorweg, de rivier, naar mezelf. Naar rimpels van regen op het water met uitdijende cirkels die botsen tegen de kant, die de boeien verbreken waaraan ik gekluisterd zit. Even niet ze en wij en men enzovoort.

Soms is er geen continuïteit,
gebeuren dingen afzonderlijk, een voor een met een eigen bestaan,
met een begin en een einde.
Ergens in de toekomst staan we op de drempel van het onbekende,
het einde. Elk moment nu is verbruikte toekomst.
Ik wilde altijd de beste zijn, de mooiste doelpunten maken. Dat lukte zelden. Ik wou geen
fouten maken, ik streefde het onfeilbare na. Ik had er alles voor over. Nu nog. Ook dat
eigenzinnig rechtvaardigheidsgevoel is gebleven. Er zijn diepgewortelde eigenschappen die
een mens zijn hele leven lang meedraagt. Hoezeer we ook ons best doen, we blijven wie we zijn. We kunnen niet in onze eigen schaduw staan.
jij zit kaasraklet te eten in deze morgenstond
zingt ze
terwijl ze langs de wenteltrap fladdert
ze gaat naar het toilet
ja, dat smaakt
er is geen toiletpapier meer
ik stop haar een paar servetjes toe die dienen voor een beleefd diner
groen zijn die papieren servetjes
dan gaat ze terug naar boven
Het is warm voor dit seizoen. De hond heeft schrik. De jagers in het veld schieten op het wild. Ze trekt zich strak aan de leiband van de schoten weg. We verlaten het veld langs een dreef die uitgeeft op het park. In de dreef ga ik in de berm zitten en schrijf dit op. Ik heb haar leiband uitgedaan en luister naar het zaterdaggeluid. Dan gaan we terug, langs de straat, en zit ik nu hier in het zonlicht te peinzen.
zaterdag 19 november 2005
![]()
Ik sta op met tollende woorden in mijn kop. Ik schrijf, lees, herschrijf, herlees tot het middaguur nabij. Dan ga ik wandelen om tot rust te komen. Nog ga ik op banken zitten om mijn gedachten op te schrijven. Zal ik ooit sprakeloos worden?
Het lukt me innerlijk niet.
zondag 20 november 2005
![]()
9h: Ik maak koffie en kook eieren. Dan komen ze beneden. De nevel blijft klam in de lucht hangen. We gaan naar de luizemarkt aan de Marollen.
Wil iemand mijn haar knippen? Fantastische zondagmorgen. Iedereen is blij. In het huis hangt een geur van gekookt ei en koffie. Bert zal rijden.
Voormiddagdrukte op de stoep. De beau monde op middelbare leeftijd. Mannen in lange, nonchalant duur verkreukelde winterjassen, vergezeld van hun geëmancipeerde dames. François, vient voir! Geen enkele plaats in deze stad bezit zoveel contradicties als de rue Blaes met zijn winkels waar onbetaalbaar schoon geëtaleerd wordt, met zijn façades waarachter de marginaliteit onheilspellend roept. De kleine goedkope cafés blijven nog verzoenend bestaan tussen de chiquere bistros zoals ‘de schieve architect’ of ‘Le Royale’. In de zijstraten kom je in de getto’s terecht. Het zijn naburige achterbuurten op de hoek van de straat.
We eten, we praten over de toekomst. We gaan buiten. We gaan binnen. Binnengeur van wierook en boenwas. Buitengeur van koude uitlaatgassen en odeurtjes van ‘chéries’ zoals die van François.
ik koop een muts voor haar
op het goed vallend uit
als ze niet past, of ze vind ze niet mooi
doe ik ze wel aan
De dag is vroeg ten einde. Het vriest buiten. Mijn adem vernevelt in het straatlicht. Er is geen kat op straat. Zelfs geen blaffende hond. Moest het lot ten einde komen zouden er geen getuigen zijn. De televisie gaat aan. Niemand kijkt. Niemand is er voor de aangedane televisie.
donderdag voorwinter tweeduizend en vijf
Kom buiten, het is donker, het regent.
Ik weet met zekerheid dat dit ogenblik geen moment uit het verleden is, dat ik niet thuis gekomen ben maar nog thuis komen ga.
zoogdier op drift
zaterdag 26 november 2005
![]()
Kwart voor acht.
‘Er ligt meer dan tien centimeterr sneeuw buiten’, zegt ze enthousiast. Het gevoel uit mijn kinderjaren toen ik wakker werd met buiten een dik pak sneeuw maakt zich meester van mijn nog slaperige geest.
Het heeft vannacht fel gewaaid. De wind was guur en drong door merg en been. Sommige windvlagen deden het nog overgebleven riet tot dicht bij de grond buigen.
Ze is vroeg opgestaan en heeft voor Stef koffie gezet. Hij is net vertrokken. Zalige zaterdagmorgen. Niks moet, alles mag, alles kan met daarbuiten een schijnbaar verlaten besneeuwd landschap in zwart wit.
Overwegend wit, met zwart van verroeste drinktroggen in de weiden, het zwart van niet besneeuwde takken, zwart van toppen uitstekende kluiten op het land,
zwart van niemendal in de sneeuw.
Hij is teruggekomen omdat de bus niet kwam opdagen. Even later kruipt hij terug in bed om verder te slapen. Behalve hij en ik is er niemand in huis.
Ik trek een wintertrui overaan en zet de verwarming wat lager.
Het blijft sneeuwen. De twee merels zijn in de buurt. Ze gaan op de tuintafel zitten. Ze zullen de winter buiten overleven.
De wind is opnieuw opgekomen en waait de sneeuw uit de populier.
oe
ha
nomo ketam
adjhoula, adjhoula
Mijn oog dwaalt in het gebeuren dezer dag. Mijn grootvader zou in zijn tijd in dit seizoen dag en nacht de witloofketels met steenkool vullen, de koeien voederen en daarna zuinig een jenever drinken bij hen rond de stoof.
Ze spreken over het weer of over een koe die net gekalfd heeft. Het overschot van het avondmaal pruttelt achteraan op de hete stalen plaat. Een van hen heeft de weerwolf gezien. Telkens opnieuw vertelt hij zijn verhaal. Een ander heeft het over de scharensliep die in het rijpe korenveld huist. De winter heeft hem verjaagd.
dinsdag 15 november 2005
![]()
De dagen werden een samenhang tussen opkomende zon en zonsondergang. Ik voel me beresterk en toch fragiel. Soms dool ik voor zonsopgang in het bos met ijskoude handen, en als de dageraad losbreekt voel ik me ontzettend gelukkig.
De woorden die ge leest betekenen mijn werkelijkheid. Het is mijn spraak. Ze zeggen dat ik nooit over haar schrijf, en dat is waar. Het is moeilijk te beschrijven hoe het is om vijfendertig jaar alles samen te delen, mekaar onvoorwaardelijk te dulden, hoe het is om onafscheidelijk te zijn, of hoe het is om een half mensenleven elke nacht de warmte van mekaars schoot te voelen. Zij is mijn wederhelft. We houden van onze kinderen. We zijn tezamen omdat we mekaar niet kunnen missen. Alleen de dood zal ons scheiden. Ik hoop dat niet zij, maar ik de pijn van het alleen overblijven zal moeten ondergaan.
Ik ben alleen achter gebleven in deze avond, in de hoek waar ik zit te schrijven met gedempt licht. Zelfbewustzijn alleen. Ik spreek naar de lucht tot iemand mijn woorden leest Twee woorden zoals wijnrood en fluweel.
donderdag 1 december 2005
![]()
als passant
onderweg
met twaalf bakstenen
twee maanden elke dag
neem ik twaalf bakstenen mee naar huis
de boeren doen de bieten uit
veldwegen zijn dan modderig
en met die felle wind van vrijdagnacht
liggen daar waar bomen staan
afgewaaide takken op de grond
met twaalf bakstenen in het pikkedonker
op een modderige veldweg
in een lichtstraal van twaalf meter
klief ik mij door de koude lucht naar huis
Ik heb zo het gevoel dat ik dingen waarmee ik begaan ben ga moeten voltooien. Ik heb altijd plezier gehad om met iets onvoltooid bezig te zijn, maar nu blijft er niet zoveel tijd meer over. Meer en meer denk ik aan onze sterfelijkheid. Vreemd genoeg bedroeft mij dat niet. Wat mij nieuwsgierig maakt is of er iets onthullend zal zijn bij onze dood, of zal het zijn zoals voor onze geboorte: niets. Sterven we eenzaam met onze geliefden om ons heen zoals we eenzaam geboren werden omringd door zij die er binnenkort niet meer zullen zijn? Hoe kan ik dit tijdelijk bestaan erkentelijk zijn zonder anderen te choqueren? Ik dacht dat ouderdom wijsheid schonk maar ik heb meer vragen dan voordien.
Mijn vingers rieken naar wiet. Mijn adem stinkt naar wijn. Uit mijn slokdarm wasemt de geur van spinazie en knoflook. Ik ben ongewassen sinds vanmorgen. Mijn consumptie van vandaag hangt nog te rotten in de spleten van mijn voorlopige kiezen.
zaterdag zes augustus 2005
![]()
Ik rijd door de stad. Geblust door de nacht, te weinig slaap, de dauw nog in de kleren, niks beklaagd. Het lijkt alsof ik me in een film verplaats. Tegenstrooms, bergop, met blutsen en builen. We zijn maar wie we zijn in een fragment, dit leven. In die nietigheid oordelen, dat maakt onszelf. Anders zouden we onszelf niet eens herkennen. Misschien bedenk ik me later wel eens. Morgen, overmorgen of later. Rijdend door een stad, geblust en bebuild zonder klachten, mezelf niet gemaakt en onherkenbaar. Daarna, van gruwelen gespaard thuiskomen en de smaak proeven van wat ik overdag gemist heb. Luisteren naar des dags actualiteiten zonder context. Toverformules zoeken zoals Merlijn. Tovenaar leunend tegen de avond. Immigrant in een half mysterie. Hier mag nog op tafel geklopt worden bij een conflict. Het komt dikwijls voor dat ik geen gelijk heb.
Vanavond ga ik in de wind zitten, kijken naar wolken zonder contrast, die snel voorbij schuiven, het gebladerde dat heen en weer beweegt zonder keuze. De tijd die alsmaar versnelt. Tijd en ruimte, dat beweegt. Daar kan je niet omheen. Dan gaat de wind liggen en wordt alles stil. Wolken blijven zweven in de zonnegloed en leiden onze blik naar het onbereikbare dat in schaduwen op de aarde valt. Als kind vond ik de wereld boosaardig. Ik vond het verschrikkelijk om naar school te gaan. Ik hing aan ons moeder rokken. Ik heb mijn heel leven lang naar wolken en zon gekeken, buiten gezeten in de wind.
Ons N heeft mijn stuk chocolade opgegeten. Ik hou op met schrijven. Alhoewel? Ja, toch wel. Anders ga ik vloeken om een reep chocolade. Of toch niet? De toetsen blijven haperen. Ik heb geen woorden meer. Alles is verdwenen.
meeraa..., meeraa.., meera...
vanuit een zekere leegte deze wereld bekijken, vliegen als een vogel in dromen, balanceren op de drempel van de werkelijkheid, het begin tot nu in herinneringen herbeleven en alles loslaten tot alle gedachten verdwijnen
Ze schrijven dat Jimmi Hendrix tijdens zijn legerdienst geen respect voor gezag had, dat hij op het wc betrapt werd op masturberen, ...enzovoort...Acht jaar later stierf het popicoon op achtentwintigjarige leeftijd aan een overdosis drugs na een optreden. Meer dan dertig jaar nadien wordt in de verenigde staten een wetsvoorstel ingediend dat het dragen van laaghangende jeansbroeken strafbaar maakt. Geen slipjes meer tot net boven het schaamhaar, of de boord van strings onder het begin van de bilspleet. Vrouwelijke welvingen zijn onzedig geworden. Ik zie al die schoonheden daar al zitten, gevangen en opgesloten voor zes weken in een cel. Een wapen waar je zo een olifant aan flarden mee schiet mag je aan de ontbijttafel wel bezitten. En ze bezweren dat soort democratie dan nog in de naam van god, met een klamme hand op de bijbel gedrukt. Vuile hypocrieten met overgewicht in hawaïhemd verscholen, waar industriebaronnen en filmacteurs het presidentschap mogen verdienen. Dan liever nog een Oostvlaamse varkensboer die zijn eigen koeien neukt. Het is niet het gegeven dat me irriteert maar wel dat je er niets aan kunt doen. De wereld, Tellus (de Romeinse godin van de aarde) of Gaia ( zoals de Grieken haar noemden) wordt geregeerd door een stelletje puriteinse idioten. De toekomst van onze kinderen en kleinkinderen ligt in hun handen.
Hoewel onze gedachten niet meer dan neurontransmissies zijn langs chemische stoffen en elektrische prikkels kan ik me niet losmaken van een bewustzijnsgevoel. Ik weet wat ik niet wil. Geen twee dagen in het leven zijn gelijk. Het is als de glimlach van een god, gebeiteld uit een zwerfsteen. Een godssteen met een nomadenbestaan. Ik sleur hem voortdurend mee in mijn bestaan.
Het is twee-en-twintig uur op zaterdagavond. Ik zit op het toilet. Ondertussen rook ik een sigaret. Net op het moment dat ik de as van mijn sigaret in de wc-pot wil dumpen schiet mijn janus opzij. Ammai, dat doet pijn. Was ik maar een vrouw!
22h38: er rinkelt een gsm in huis. B. heeft zijn gsm vergeten. Het is E. die belt.
E?
Ja.
Ik belde eigenlijk naar B.
Ja, hij heeft zijn gsm thuis gelaten
Ik wou weten hoe het is op dat reggaefestival in Geel. Komt hij vannacht naar huis?
Neen, waarschijnlijk niet. Probeer het nummer van onze S. Die is bij hem. Heb je zijn nummer?
Ja, bedankt.
Het was de dochter van een ander.
Ik ben een uitbundig mens en een weinig gestructureerd gestoord. Het slaat op de overvloed in de natuur, ' en theos', god vanbinnen.
Laten we dansen van vreugde, overlopen van levenslust zonder angst om te sterven. Het is op zijn minst een aanstekelijk enthousiasme in levende lijve. Helemaal onjuist is het niet, ook al kan die uitbundigheid overslaan in woede.
Met verkleumde vingers schrijf ik deze woorden op papier, gezeten op een klomp arduin, zonder dat de inkt door de kou in mijn pen verstolt. De boeren blijven maar doorrazen met hun machines over kleine wegen. Ik voel frisse wind en warmte van de winterzon. En dan gaat de zon onder, wordt het donker. De wind komt opzetten in open vlakten. Het wordt koud. Mijn adem verdampt.
In dit nachtelijk uur schrijf ik verder aan mijn partituur. Het wordt een muziekstuk met een refrein. Ziehier klinken woorden in sol mineur. Luister naar het klankspel van loslippige zinnen alsof het door een woordkunstenaar geschreven werd.
Ik leg me pas te slapen als dit muziekstuk ten einde is, of neen, ik schrijf meteen een testament:.....wat overschiet uit dit Bourgondisch leven schenk ik aan de overlevenden en ook een gedicht als volgt:
nog niet
voor dit ten einde is
zal alles met rijm bedekt zijn
miezeneus verschonden als een refrein
niets erweer
kan niet meer
erweer niets
zoweer is een wereldbeeld verdwenen
erweer in zwijm
vier met zes klanken rijmen niet in dit lied
s'Anderendaags verlies ik mijn menselijkheid als ik naar de eenden op het water kijk, hoe ze vliegen en kwetteren in een onverstaanbare taal. Twee eenden komen dichterbij. Ze vragen om eten maar ik heb niets bij. Hoe vinden ze hun eten om te overleven? Hoe is het om zonder bewustzijn te zijn? Ze leven om ons heen. We hebben geen contact met elkaar. Het is moeilijk om te begrijpen waarom wilde dieren schrik hebben van ons. Misschien omdat we roofdieren zijn of is het onze geur? Hoe komt het dat mensen doodvriezen als ze buiten slapen in de winter en dieren niet? Ik zou dat eens willen weten, weet ik veel, dat mensen doodvriezen en dieren niet, als ze buiten slapen in de winter.
weer niets
niets erweer
kan niet meer
zoweer is een wereldbeeld verdwenen
van eenden in volle vlucht
kwetterend in een onverstaanbare taal
vier met zes klanken rijmen niet in dit lied
mizeneus verbonden met een refrein

marktrok Leuven 2005
Dag J P
Weet ge nog, die tentoonstelling met I en die ouwe slechtziende schilder in de voorzomer in T ? Zijn die twee boeken al klaar? Het wordt tijd dat we mekaar nog eens zien, dat we met de vrouwen een lamsbout in look met witloof afknagen en ons genadeloos bezatten terwijl mijn zelfgemaakte paté ligt te stinken in de oven. Tijd om niets te doen, behalve om een lamsbout af te knagen en onszelf te beluisteren in temps passé.



zo verblijf ik hier als een ongevleugeld dier
met de gedachte van: ik zou een vogel willen zijn
glijden op de wind
op en neer
tot boven wolken
en de zon zien
zelfs
toevallig sterven in mijn lot
ze bestaan
bij het krieken van de dag en voor zonsondergang
vliegen ze met honderden
met duizenden
weg van hier nu het winter wordt
vrijheid zonder keuze
ik zou een vogel willen zijn
vliegen zoals in dromen
nog beter dan vogels
met traagheid
en mensengedachten
vliegen zonder vleugels
toevallig in een droom
laatste avondmaal
schaduwen in Antwerpen in de namiddagzomer
Donderdag negen december 2005
![]()
Ik heb een stuk patersgebeente meegebracht dat ik gekregen heb van een Pool. Een grondwerker. Hij vertelde me dat zijn land helemaal plat gebombardeerd werd. Geen enkel monument was overeind gebleven. Hij zei dat hun geschiedenis tastbaar blijft in verduurde holten van kogelgaten in de bouwsels die overbleven. Van hem heb ik een patersgebeente gekregen, een onderbeen. Hij toonde mij ook een muntstuk, vandaag gevonden bij graafwerken tegen de gevel van een kerk. Ik wreef het schoon, bekeek het aandachtig en zei: het is Belgisch, en zie, het is een frank uit de negentiende eeuw. Geef mij dat patersgebeente en de munt is van u.
België bestaat honderdzeventig jaar, zei hij.
Nu kijk ik ernaar terwijl ik het vasthoud in mijn rechterhand, het gebeente.


zondag zeven augustus 2005
![]()
Op zondag zit ik op het terras te lezen. De zon schijnt en plots begint het te regenen. Een glinsterend watergordijn in zonnestralen. De violen klinken op de rand van een wolkbreuk. Luttele minuten later overtrekt het in donkergrijs en gutst de regen als een waterval op de binnenkoer. Ik sta ernaar te kijken vanuit de deuropening tot het al even onverwacht opklaart en het water verdampt in de zon. Ik wordt daar gelukkig van. Het is een zeldzaam teken.
Er balanceert een wesp op de rand van een trappistglas. Eerst kruipt ze naar de overgebleven bodemfond, dan klimt ze moeizaam langs de gladde wand naar boven, en nu kruipt ze al even moeizaam eindeloze rondjes langs de rand. Vermoedelijk zijn haar vleugels met trappist doorweekt want geregeld pauzeert ze om te zoemen. Ze komt echter niet omhoog. Dan wrijft ze met haar voorpootjes over haar slanke lijf en kruipt ze verder. Zo kijk ik al een hele tijd naar een wandelende dronken wesp.

Ik heb het gevoel dat ik tegen u praat. Misschien is dat zo. Een ononderbroken gesprek zonder oogcontact, zonder de geur van u of van mezelf. Een geruisloos eenmansgesprek.
kerstfeest levenslang
grootouders, nonkels en tantes zijn van de feesttafel verdwenen
er zijn nieuwelingen bijgekomen
op het feest dat in het heidendom begonnen is
en nog niet opgehouden heeft te bestaan
als onze kleinkinderen oud zullen zijn
bestaan wij niet meer
alleen het feest overleeft
heidens nazatenfeest
laat het ons vieren
bij deze wil ik een discour vol schrijffouten houden
het beste toe wensen, uitbraken
in de hoop dat mijn spraak enige betekenis heeft
om verdraagzaamheid en medelevendheid te bepleiten
wij, consumerende vazallen
aan deze feestdis gezeten met een reusachtig kalkoengebraad
bang om verworven heerschappij te verliezen
zijn de minst bedeelden verplicht respect te tonen
in plaats van ze te verwerpen
met deze grootspraak wil ik geen feeststemming bederven
integendeel, het is een aantijging van een goed voornemen
dat niet mag ophouden te bestaan
net zoals dit heidens feest nooit opgehouden heeft te bestaan
Mijn zoon las dit geschrevene zonet en zei: ça va, maar lees het niet voor op het familiefeest.

Zaterdag vierentwintig december 2005
![]()
Toen hij belde moest hij langer wachten dan hij dacht voordat een man, een generatiegenoot van zijn vader, de voordeur open deed.
Goeie avond mijnheer. Ik maak een wandeling met mijn hond en die heeft per ongeluk tegen uw muur gekakt. Ik heb geen plastieken zakje mee. Geef mij een vuilblik en ik kuis het op.
Laat maar, ik regel dat morgen wel.
Bedankt mijnheer. Goeienavond.
Drie straten verder dacht hij, moest het nodig zijn iemand te bestelen om te overleven, hij zich met die brave man gemakkelijk zou kunnen verijken, alleen als het nodig zou zijn. Hij schaamde zich voor de gedachte dat hij zichzelf zou onteren door te roven, ja, zelfs te moorden als een bloeddorstig dier om in leven te blijven
en denkt hij
niets is wat lijkt
wat lijkt is niets
een verzinsel
niet meer dan een gedachte
die altijd heeft bestaan
Zo klemt hij uit gewoonte na de nachtslaap een zelfgedraaide sigaret tussen twee bruine vingers. Net zoals de dag voordien en daarvoor. Geboren dagen overleven met een goed begin. Ook daags voor kerstmis als verleden jaar.
Mag ik u hierbij mijn medeleven betonen mevrouw? Ik weet het, we worden onvermijdelijk oud. Een voor een. Het is een kwestie van tijd. Alleen de sneeuw, regen en wind verouderen niet.
slaap slaapt
schreef ik op een ogenblik
slaapt slaap
dit neer op een blad papier
slapende slaap
als een getuigenis
slaapt slapend
nadat ik diep in de nacht
slapend slapen
een zoete haring gebakken had
slaap in slaap
wie wil een gebakken haring van mij?
Op zeventien december tweeduizend en vijf heeft hij het licht uitgedaan om de sneeuwstorm langs het venster beter te kunnen zien. Het verleden welde in hem op door naar die opgejaagde sneeuwvlokken te kijken. Hij zou er haast de geschiedenis door herschrijven maar daarvoor zat er te veel chaos in zijn kop. Liever nog het schrift twintig keer herlezen uit puur plezier dan een lettergreep te veranderen. Opwelling in plattelandstaal schrijft hij niet voor iedereen.
De telefoon rinkelt twee keer. Het is zij die vraagt naar hij. Of hij weggeweest en thuis gekomen is. Ja, zegt hij nog half in slaap.
Een kuch, een zucht, een snuffel in de keukenkast. Wakker worden als een scheet in een fles.
Weeral zeg ik ziedaar
alsof elk moment een openbaring is
Nu ga ik de herfstbladeren met sigarettenpeuken van de binnenkoer vegen
het huis verder poetsen
zodat mijn moeder op het kerstfeest fier op ons kan zijn
Een proper huis in kerstdagen
Er wordt kalkoen geknaagd tot het braadvet langs mondhoeken zijpelt
het is niet koud
thuislozen kunnen rustig buiten slapen
er staan zelfs sterren aan de hemel
Ik vraag of ze goesting heeft om naar Leuven te fietsen. Misschien is er een middernachtmis of zo.
neen
niet nu
nu niet
De klokken luiden
of denk ik het maar
Neen, ik ben er zeker van
de klokken luiden
Zit ik hier als een ongeschoren bohémien
kousloos met sandalen aan
op kerstavond buiten te schrijven in dansend kaarslicht
op een dik blad papier
Het weer is mild voor het buitenleven
weer, hierweer niets
erweer verweer
onder een twijfelachtige sterrenhemel
riek ik tien keer aan mijn pols en mijn middenvinger
tot de geur een gewoonte wordt.
Binnenshuis riekt het naar soep
proef eens
we dansen erna
ternauwerdens bijt ik niet in haar oor
dan gaat ze slapen de kerstnacht voorbij
zet ik een koptelefoon om mijn oren
en kijk ik op een wit scherm wat bijna gedachtenloos geschreven wordt
nekgeklets alsof het een onbegrepen waarheid zou kunnen zijn
een duim riekt anders dan een middenvinger of een pols
de os zijn tanden zijn gepoetst
ik proost op het kind van God
Menslief
het is bijna kerstmis zeggen ze nu
Gauw de koer opruimen en de lege flessen weg
het stof van de vensterbank blazen
de tafel cireren
tijd te kort om alles gedaan te krijgen
Trappistenbier hier klinkt het in de oren
geen kruimel gaat verloren in het gekletter van leeggoed
Intertijd doolde Jozef met zijn ezel en hoogzwangere vrouw
in de kou door de straten van Bethléem
tot de barensweeën begonnen
en het kindje Jezus in de adem van een os geboren werd
hebben ze altijd verteld
dat kerstmis een feest van heiligen en niet van heidenen is
Ach zo, schrijf ik in mijn moedertaal. Ik eet een rauwe varkenspens dunner dan een penis.
Warket wart hoor ik denken
Ik verdun de mast van de parasol met raspend schuurpapier
totdat hij tot boven open gaat onder die ondoorzichtige hemel.
Wat gaan jullie doen vanavond?
We gaan iets koken.
Bij haar of bij ons?
Bij haar.
Toen we uw ouderdom hadden bakten we een brood voor kerstnacht
gingen we wandelen
aten we het op
gingen we daarna slapen
zij bij haar
ik bij mij
De tijden zijn niet veranderd of toch wel
Het wordt tijd om een fles wijn uit de kelder te halen
buiten te drinken terwijl de kou door de broekspijpen kruipt
Het schuurpapier is bijna versleten
de parasol is naar de hemel geklommen
Ziedaar breekt het zonlicht door om te kijken
naar het grijs gordijn waarin wolken verschijnen
meer moet dat vandaag niet zijn
een opgeklaarde lucht en een glas wijn
dinsdag 27 december 2005
![]()
zo speelden we daags nadien een muziekstuk tezamen
mijn jonge schreeuw en ik
met uitgestoken armen
een partituur als voetbal met elkaar
tegen mekaar
met twijfelende zekerheid
de eerst helft
met de billen bloot
in ons lied verzonken
de kans is groot dat we beiden oud worden
in een buitenwereld die moeilijk blijft
zonder verloren tijd te moeten inhalen
we wantrouwen beiden de toekomst van het verleden
de kerstverlichting is onder de sneeuw op de muur blijven liggen
sneeuwpuntjes lichten nu uit het donker
ik zie het vanop de binnenkoer
terwijl ik de braadpan voor de tweede keer probeer te ontvetten met kokend water
en het laatste overgebleven stuk gebeente van de kalkoen naar de hond werp
kijk ik hoe ze het vlees hongerig losknauwt
het is koud en stil in mijn oren
Om het huis gemakkelijker te verwarmen hebben we een vod voor de spleet van de voordeur gelegd en de doorgang in de kelder met een bedsprei dichtgemaakt. Verluchtingsspleten dichten in koude dagen heet dat hier. Het hout ligt klaar om te verbranden moest het nodig zijn. Het maakt warmte gezelliger. Alleen de wc-bril doet nog de billen schrikken.
Vroeger was het anders. Dan werden alleen de benedenplaatsen met een kolenkachel verwarmd en stond de wc buiten, vaak ondergesneeuwd. s'Ochtends kleefde onze adem in de slaapkamer als ijsbloemen aan het vensterglas. Mooi om te zien als het zonlicht erop scheen. Die dagen zijn voorbij. Soms zou ik ze graag herbeleven maar meestal niet.
ik houd het restant van een voorouder in mijn hand
ik weet niet eens of het een vrouw of een man was
het is een ondergebeente van iemand die ooit geleefd heeft
wellicht een patersbot
houd ik vast in mijn rechterhand
vannacht had ik een droom die nog altijd door mijn gedachten klieft
de oorlog was uitgebroken
een overheersende oorlog met ongelijke kansen
ik was oud en zwak
de hemel had een schaduw die het landschap dreigend overgroeide
ik kon mijn blik niet meer hernieuwen
de wolken hadden geen herinneringen meer
ze smolten als schimmen
in mijn vlucht met anderen waarvan ik de identiteit niet kan achterhalen, verloor ik mijn schoeisel
dat maakte me nog hulpelozer dan ik al was
we kropen door ravijnen in rokend puin
die ooit straten met huizen waren
de angst heeft me zelden zo intens bekropen
dan werd ik wakker met mijn vingers in haar haren gedompeld
ze sliep verder
ik stond op in wakende dagelijksheid
en zit nu het beeld van mijn droom uit lucht te boetseren
zou ik opnieuw willen spelen
mijn jonge schreeuw en ik
met uitgestoken handen
zonder hoofd
in ons lied verzonken
en uiteindelijk het instrument tot zwijgen heffen

Zeg weetje
ooit liet ik een scheetje
het deed floep
uit men poep
een vlindertje gevlogen
dat windje is mijn beste vriendje
maar weetje
dat scheetje
soms ruikt het wel een beetje
zondag 1 januari 2006
![]()
we hebben de tijd verzonnen
nieuwjaar vervroegd
het hoofd van vriend en vriendin gekust
op een zelfgekozen moment
en daarna thuisgekomen
licht de hemel op boven deze plek wat ooit een dorp was
knalt de solidariteit onder het wolkendek
terwijl de hondeteven janken
alsof de oorlog losgebarsten is
en denk ik: god-ten-ere toch
moest het sterrenbeeld verdwijnen
wie zal dan voor de nachten schijnen
moeder
zal ik koffie maken
ja zoon
de borze staat op het schap
we kusten mekaars lippen
tegen mijn vader zei ik
ik geef u een hand
we zongen herinneringen
gingen daarna verder
aan een lege horizon
en bloesem van avondrood
beken ik
koppig
in een roes van windsdronk
met een zwaar hart
tot zo’n liefde
veroordeeld te zijn
donderdag 5 januari 2006
![]()
vandaag
vandaag
behoort vuur, water
en aarde me toe
in men eigen verzonken
mijn lichaam doorboord
met een pijl des tijds
vandaag
aan de rand van zilverwater
vermaak ik
wat ik hanteren mag
de afspraak was...
wat...
de afspraak was...
dat...
dat afgesproken wordt
ah ja
afspraak, weet je nog...
waarschijnlijk wel
ja maar...
zal wel, is zo definitief
weet je nog...
nu wel
waarom nu...
omdat afspraak afspraak is
wat dan...
dat afspraak zo definitief is
nabestemd
gebonden
onnodig verbonden
overbodig
absurd
monogaam
verwijfd
ik, ik
ik...
ik.....
speel
graai
onder vleugels van zij die weten
door weten
speel
speels
graaiend
zij die weten
weet dat zij weten
speel ik het spel dat begonnen is
het spel voluit tot het eindigen zal
Vrijdag 30 december 2005
![]()
Opwaaiende sneeuw meegesleurd in kronkelende spiralen langs de binnenkoer, rond de openstaande parasol die niet meer dicht gaat. De wind is zichtbaar geworden.
Het deert de merel niet die zijn winterdorst lest aan het lauwe water door mijn handen geschonken.
De sneeuwstorm. Ik heb er de ganse dag op gewacht, kijkend langs het keukenvenster. Nu laait hij op, hevig als witte regen, spierwit de lucht doorklievend.
De buitenlucht wenkt, roept, giert, brult. De moeder van alle winters lokt me buiten.
Deze keer heb ik mijn blad papier niet meegenomen. Het zou binnen de kortste tijd verweken,
de inkt zou terstond verwateren, het zou zinloos zijn.
Ik wil gedachteloos de witte zee doorwaden
geen woorden die opkomen
zelfs mijn ogen zullen niet beschrijven
ik zal als een blinde zien.
Dat probeer ik vruchteloos te doen. Ik probeer het desondanks twee uur lang. Eerst met rugwind,
dan in ijzige tegenwind tot mijn gedachten van de kou verstijven en mijn sik bevriest.
Het is ondertussen donker geworden. Mijn tabak in mijn bovenzak is ingesneeuwd.
Verlaten straten, joelende sneeuw in straatlicht en een paar idioten die het trottoir
voor hun inkom ruimen. Alleen de vier-maal-vier aangedreven bedrijfswagens gorren oneigenlijk snel naar- of van huis. En ik.. ik slenter als een sneeuwman voorovergebogen met een bevroren verhaal in gedachten terugwaarts.
Eigenaardig dat de straten verlaten zijn, dat de kinderen met hun sleden niet naar buiten komen.
In mijn tijd zouden we nu al een sneeuwman maken uit schrik dat het morgen zou dooien. We zouden met tientallen de krekelenberg afglijden, stoeien en groeien tot s'nachts en niet bevriezen.
Het duurt misschien nog even vooraleer ze het weten dat het sneeuwt, of komt het door de media die bijtijds vertelt dat er iemand doodgevroren is?
Het zou me kunnen overkomen: in het donker uitglijden in een greppel en met een gebarsten hoofd of gebroken been hulpeloos blijven liggen. Geen kat die voorbij zou komen. Het verhaal zou ongeschreven zijn.
t’huis gekomen
levend ben ik
gaat mijn versteend lichaam ontdooien
brandt de binnenlucht in mijn ogen
in mijn eigen verdiept
op zoek naar een schim van gedachten
gaan mijn lippen opnieuw stamelen
vind ik terug mijn kreet

donderdag 14 oktober 2004
De dagen worden korter, de nachten lang. Binnenkort zal de zonsopgang onderweg verdwijnen.
Zonsondergang krijg ik voorlopig nog cadeau tot het winter is, als ik op tijd vertrek.
Seizoenen kennen geen stilstand, net als ik.
Een fietser met korte rok en kniekousen aan, die graag heeft dat de kou tussen haar benen bijt. Ik heb nog geen handschoenen aan en rijd met dunne kousen en sandalen.
Ze rijden tegendraads, nonchalant, onbezonnen
giechelend en kwetterend, mijn dovemansoren beslaand.
En toen gebeurde waarvan ik dacht dat het me nooit overkomen zou.
Een frontale botsing met de fiets in schemerlicht.
Schreeuwend, wenend lag ze langszij. Ik voelde me schuldig door dat mens ook al reed ze tegendraads en was ik niet in fout.
Als een gek geritste ik haar schriften van de weg, probeerde ik te vertellen dat dit een stom toeval was, dat zo’n dingen nu eenmaal kunnen gebeuren en dat het haar eigen fout was.
De illusie van mijn eigen gelijk.
vrijdag 4 juni 2004
Een grijze avond in niemandsland. Alles wat vandaag gebeurde was onvolmaakt en vol fouten. Absolute feilbaarheid op een dinsdag twee dagen na Pinksteren. Ik voel me een mislukt filosoof in een tijdelijke vlaag van zinsverbijstering, een nihilistisch lamlendig mens als een dood paard in een wijnglas, innerlijke tegenstellingen verenigend.
Ik las dat vijftig de jeugd is van de ouderdom. Ik ondervind het vanavond aan den lijve. Zelfs de reflectie van wat gebeurt terwijl het gebeurt is niet aan dit moment besteed. Ik kijk ernaar uit om op 11 juni wodka te drinken met zeldzame vrienden; het onbesprokene uitspreken, de sluier van mysteries uit kunstwerken kijken diep in de nacht.
vrijdag 15 oktober 2004
Ik ben op de terugweg van ergens naartoe. Gezeten onder een dichtgeslibde hemel, op een bank aan de vijverrand in het park, kijk ik naar de rimpels op het water, overtuigd dat niets blijft duren.
Het is een dag om na te denken over eigen leegstand, over de dingen die ik bij elkaar gelogen heb, om te twijfelen over mijn gelijk.
Gisteren vertelde ik dat relativeren geen redenering is maar een manier van leven. Zelfs zij is bezorgd, bekommerd om mijn betoog. Ja, dat is liefde in ouderdom belegen. Bezorgd en bekommerd in de liefde, een bed dat niet meer deugt.
De wandelaars die me passeren kijken me vertwijfeld aan. Kijk, een schrijver, een spijbelaar, een zwerver met een fiets, .........
Hier zit ik nu dingen te beschrijven onder een dichtgeslibde hemel .
De bladeren in de bomen tonen me de wind. Het prikt aan de oren, doet ogen tranen, blaast bladeren ergens naartoe en knaagt in het duister aan de baard. Het wordt herfst. Ik voel het door mijn stilstand hier gezeten. Niets is wat het lijkt
woensdag 20 oktober 2004
Het wordt niet helemaal donker vannacht. Ik bedoel, die pikzwarte hemel vanuit mijn kindertijd is verdwenen. Onweer eind oktober. De hond kruipt schuilend in de hoek.
Die najaarsonweders zijn zo bizar omdat ze vroeger niet bestonden en de nachten waren toen pikzwart.
In mijn gedachten klinkt een lied altijd opnieuw
wondermooie woorden in perfecte harmonie die ik nauwelijks versta
die ik schor uitbraak onderweg terwijl het nog donker is in het veld
de kraaien schrikken ervan
zondag 9 februari 1997
Ik wordt om 8h30 wakker met een onweerstaanbaar verlangen om naar de markt in Brussel te gaan. Alles is nog stil. Iedereen slaapt. Ik zeg tegen L., die een oog open doet, dat ik naar de markt ga.
Moet ik iets meebrengen?
Ja, tulpen.
Witte tulpen?
Neen, gele tulpen.
De koffie drink ik op het toilet terwijl ik mijn eerste sigaret rook. Ik neem mijn notitieboek en vulpen mee naar Brussel. Misschien schrijf ik wel iets ter plekke dat de moeite is om niet te vergeten. Gebeurtenissen en indrukken die anders hun frisheid verliezen in het geheugen.
Er zijn twee soorten mensen die op een totaal verschillende manier hun gat afkuisen: diegenen die het wc papier overmatig tot proppen verfrommelen en anderen die het profijtig en zorgvuldig samenvouwen en zodoende hun vingers bevuilen terwijl ze de stront van hun gat vegen. Vingerriekers.
S. Is beneden gekomen en wil meegaan naar de markt. Binnen vijf minuten is hij klaar. We parkeren de wagen aan de Place Roupe. Vandaag is het gratis. We gaan te voet naar het zuid. Reeds vanonder de spoorwegbrug riek ik de pikante geur van kruiden, kip aan t’spit en citroenmelissen. Het voetpad dat we al een kwartier bewandelen bestaat uit grote verweerde met rochel en pis doordrongen gebarsten arduinen tegels.
Brussel is toch vuil hé pappa?
Alle grootsteden zijn vuil, antwoord ik.
Toch vraag ik me af waarom zoveel mensen steeds in het openbaar slijmen voor zich uitspuwen.
S. kiest een portefuille, ik betaal 595 fr. Alles kost hier net vijf frank onder een honderdtal.
We gaan naar de luizemarkt, de coté van de marollen, op de vismarkt na één van de tofste buurten in Brussel. Kleine wat slordige cafés met namen als “ Chez Pappie, De Volle Pot, Chez Alli, “ en andere snacks waar het nachtelijk vet nog aan de ruiten kleeft.
Een vrouwelijke clochard met dezelfde haren als de grijze keffer die ze bij zich heeft wekt bij mij een intens gevoelen op: cultuur in Brussel is nog niet dood.
S. geeft de mevrouw een stuk van twintig, ze merkt het nauwelijks. Alleen de keffer begint luid te blaffen.
Die hond beschermt die mevrouw hé pappa?
Dat was een echte clochardine, antwoord ik.
Ondertussen denk ik aan woorden die me ontroerden: “ ik wil verloren gaan tussen de spelers en de drinkers, de mensen van mijn soort, tussen ratés van nachtcafés, waar de toekomst werd vermoord.
Het was Camille die het vertelde; een vent met een buitenmaatse neus, die nooit zijn manieren kon houden. Vijf rotte tanden en daartussen een dilemma van een buitenaardse tong.
Gelukkig bestaan deze griezels in Brussel nog.
De ochtendwind is licht. De bloemen bloeien dood.
Straks priemt de zon zich een weg door nevels
en straalt ze in blauw over het land.
Ik nader wat mij is gegeven. Veel is mij ontgaan.
De tijd is slechts een lach in een kansloos spel.
Ik zie de macht en vloek erger dan de hel, de
illusie verbrekend om rotsen te vergruizen.
zondag 17 oktober 2004
Ze is vanmorgen op een half uur tijd drie keer van gedacht veranderd. Eerst wou ze gaan fietsen, toen ze naar de grijze lucht keek weer niet en dan weer wel.
“ Ik ben klaarwakker nu, laten we toch gaan fietsen “ zei ze terwijl ze de trap afliep. Ik had mijn werkmanskleren al aan, wou uiteindelijk de gewelven in de kelder verder afkappen; nu wou ze toch gaan fietsen. Vanbinnen ergerde ik me de laatbloeiers uit de boom maar ik bleef kalm, begrijpend, want ik had een week baldadigheid goed te maken. Iets tussen ik en ik.
We reden langs het veld naar Leuven. Een voorbeeldige zondagmorgen in de herfst. Zij met de oude fiets, ik met de nieuwe. Een weg die ik elke werkdag ‘s morgens en ‘s avonds neem. Twee keer zeventig minuten elke dag. Ik passeer niet meer dan drie fietsers uit tegenovergestelde richting, volhouders die net zoals ik door de winter rijden.
Deze zondag heeft het land bezaaid met wandelaars op bedevaart langs landelijke wegen. Ze vreten de boomgaarden leeg. Nog ergerlijker is die vurige wandelaarsblik die je bij het voorbijrijden solidair aankijkt.
Langs daar reden we naar Leuven naar de markt. Het toegeeflijke kon niet meer breken nu ze naast mij reed, stampend op de pedalen de Leuvensmarkt tegemoet.
Deze veldtocht maakt veel goed. Brunchen met geroosterd brood gesmeerd met pesta en gedroogde tomaten erop. Dat is pas liefde. En dan terugkeren in tegenwind en op het laatst nat worden in de regen.
Een zondagsmarkt kan zoveel goedmaken.
Oh, wat ben ik blij
een zondagsmarkt in de herfst
wat voel ik me vrij
als een vogel die niet produceren moet
wat is het heerlijk om zo blij te zijn
als een vogel zo vrij te zijn
als ik reis vlieg ik over besneeuwde toppen
alleen het lot kan me stoppen
en me laten verdwijnen in voor het begon
ik kom en ga
en ben zo blij
Ik weet het.....
Een nieuwe ochtend in de mist.
Mist voor mijn ogen, in mijn gedachten, in mijn hart, in mijn ziel.
Een paradijs van witte parels en schimmen die langzaam opduiken en weer verdwijnen.
Vanavond zat ik met haar in een rokerig café bij hen. Zij naast mij, zij voor mij en ik tussen hen.
Ze zijn blij en nog zo jong.
Wij worden ouder, we zijn jong, jonger dan zij die jong zijn.
Mijn woorden verdreven de rook uit haar rimpeloos gelaat.
Zij voor mij is opgewonden door ze, zij naast mij, zichzelf en ik.
De navel of het schaamhaar, kaviaar of zalm, chez sois of dit café. Het doet er niet toe, de strijd is allang gestreden.
Ik heb over leven en dood geschreven. Nu ik de dood zo dichtbij voel ben ik blij dat mijn woorden geen luchtkastelen zijn. Iemand zal mijn verhaal verder schrijven, met eigen woorden, als een zilveren ruiter op een wit paard, het leven beschrijvend uit blijdschap in alle jaargetijden. Of misschien zal die schrijver een vogel zijn en de zon zien boven de wolken.
zondag 28 november
maandag 23 maart 2005
Er gaat een vogel nestelen in onze tuin. Net voor zonsondergang zit hij te fluiten. Ik denk dat het een bruine merel is, of bestaan die niet?
Zijn blik was vliegensvlug. Er is nog geen wijfje bij. Daarom zit hij hier elke avond te fluiten, ook s’morgens
als ik vertrek. Hij voelt het gemis wat hem in de winter was ontnomen.De winter was deze keer niet mild maar de lente zal het land kleuren in geel en oranje. Ik denk in mijn eigen ritueel.
Sprankelende ochtend met strijklicht in de tuin in het zuidwesten. We blijven thuis. L. zit nog in haar ochtendritueel: in kamerjas met een tas koffie tv te kijken. Men voorspelt twintig graden onder een azuurblauwe hemel. Dat kan je nu al zien.
Blauwe hemel waarin vliegtuigen condensstrepen trekken. De bruine merel is er niet. Daarvoor moet je vroeger opstaan. Die is allang op zoek naar zijn gerief. Merels fluiten bij het krieken van de dag. Het licht glijdt over de tafel. Mijn pen trekt schaduwen over een blad papier.
Ze heeft last van claustrofobie. Ze durft zich haast niet meer te verplaatsen in huis. Het gaat op en af, de ene dag al wat beter. We gaan wandelen. Meteen wentelt ze zich uitbundig in een plas. Het slijk druipt van haar buik. Dan rolt ze door het gras. De open ruimte doet haar deugd. We lopen langs een weg waar weinig kans bestaat om de garde tegen het lijf te lopen. Honden moet je aan de leiband houden, we moeten op het pad blijven. We werden meermaals betrapt en ervoor berispt met: “goed voor één keer! “ De groene folders waarin uitdrukkelijk vermeld wordt dat ze het niet doen om ons te kloten maar wel omwille van het algemeen belang, liggen verfrommeld op de kast. Veldwachters moeten hun werk doen, maar dat ze dan die massatoeristen die boomgaarden leeg plunderen op hun weg, de boeren en veldrijders die in ploegverband landelijke veldwegen tot modderpoelen herschapen, eens aanpakken in plaats van aan haar en ik. Wij zijn onzichtbaar als de wind. Wij laten hooguit een vergankelijke uitgedoofde sigaret achter in ons spoor.
Massaal wild halfdood afslachten in elitair groepsverband, ja, dat mag. Daarvoor koop je een toelating voor een fors bedrag. De bewoonde wegen die leiden naar bossen en velden zijn versierd met plakkaten waarop klerkelijk staat geschreven: “ geen hondepoep op de stoep “ Je wordt verplicht om een poepzakje mee te nemen. Ik zie wel eens een hoogbejaarde struikelen in een poging om een minuscuul keutelstrontje van een al even hoogbejaard poedeltje op te rapen. De paardestront van de bereden bourgeoisie mag blijven liggen.
God-ten-eere, niets mag nog in deze tijden omwille van het algemeen belang.
Het zomerweer lokt de mensen buiten. Thuisblijvers, gepensioneerden, half-timers, vrouwen met postnataal verlof.... ze snoeien, keuteren in voor- en achtertuinen en de durvers stoken vuurtjes.
Als ik thuis kom is L. ook volop bezig. Ik weet dat ze verwacht dat ik mee help. Toch ga ik aan tafel in de zon zitten. De verlichting en de warmte van deze dag is onweerstaanbaar. Even niet langer dan een uur of twee blijven zitten.
Terwijl ik schrijf kijk ik soms hoe ze snoeit en takken opruimt.
Zal ik die grote boom snoeien?
Neen, ruim jij de takken verder bij elkaar en bind ze in bussels. Overmorgen komen ze snoeiafval ophalen.
Ik ga ze verbranden, dat is plezant achteraan in de hof.
Geen sprake van. Geen luchtvervuiling.
Waarom niet? Iedereen doet het en het riekt naar de lente.
Het stinkt.
Auto's stinken. Leg dan het verkeer stil.
Ach jong, ze komen het afhalen en we betalen ervoor.
Laten we er dan niet voor betalen en af en toe een kampvuur maken. We deden het vroeger wel.
Dat was vroeger. Schrijf maar verder. Ik zal die takken zelf wel inbinden..
De pen heeft nu een vlijmscherpe schaduw, zo omlijnd dat het schrift er beter van wordt. Schrijven in laag
zonlicht wordt driedimensioneel met de gedachte in een vierde dimensie. Het verkleint de woorden.
De eerste bijen brommen rond mijn hoofd. Ik heb ook een vlieg gezien. Als je aandachtig kijkt zoemt het
leven rond je kop. Blijven stilzitten en kijken in het tegenlicht. Wonderlijk, dat nauwelijks zichtbare geroezemoes. Het is het niets doen waard.
De zon zakt naar het westen. De schaduw op het blad papier is verschoven naar het noorden. Ik zit op dezelfde plaats als vanmorgen met mijn aangezicht naar het zuidwesten. Ik ga een wijfjeseend braden om mijn luiheid in deze lentedag goed te maken en daarna, als het bijna donker is, luisteren naar de bruine merel.
Hij is dichtbij. Ik kan hem niet zien. Wel horen. Zijn lied is vol van verlangen. In de verte zingen andere merels melodieën voor de paartijd. De wijfjes zingen wellicht anders, .... wat eigenwijs. Ik kan het niet verstaan. Het klinkt alleszins blij en opgewonden. Blaffende honden doen mee. De symfonie wordt verstoord door eentonig gezoem van auto's, maar ik heb geen keus. Als ik mijn hoorapparaten uitdoe hoor ik niets meer.
Luisteraar verstoord omwille van het algemeen belang. Een ding is zeker: ze doen het niet om me te kloten.
woensdag maart 2005
![]()
Ik voel me zo gelukkig door dat zomerweer! Terwijl ze dat zegt maakt ze een zwaaibeweging met haar armen.
Ik ook, zeg ik. Het maakt iedereen blij, zelfs binnenshuis. De zonsopgang is indrukwekkend. Het wordt zomer.
In mijn tuin fluit een bruine merel en ik heb eergisteren al bijen en vliegen gezien.
Ik heb koffie opgezet...als je wil, zet uw jat onder het koffiemachien...ik weet dat je graag sterke koffie drinkt.
Heb jij de sleutels van de kerk? Ik ga er straks naartoe.
Wil je dat ik mee ga?
Hoeft niet.
Ik ga mee. Het is daar bouwvallig, men weet nooit wat er gebeurt. Daar moet je met twee zijn.
We gaan te voet. Onderweg toont ze me de bakker waar ze de lekkerste taarten verkopen en de bloemist waar ze de mooiste bloemen verkopen.
De achterpoort van de kerk staat op een kier. Wat overblijft van de vloer is bedekt met duivenstront en kadavers. Op de wenteltrap naar de toren ligt het geraamte van een kat. Er staan nog wat beelden in de kerk. Het blaaspijporgel is nog intact. De biechtstoel en de preekstoel liggen verspreid over de grond. Er ligt een afgebroken hand van een heilige tussen het puin.
We gaan tot boven en als ik op de gewelven kruip schreeuwt ze: doe dat niet, dat is te gevaarlijk....maar ik wil de dakgebinten zien, het is mijn stiel. Als we beneden zijn zitten we onder het stof. Ze kuist haar zwarte rok aan de voorkant, draait de achterkant naar voor en kuist de achterkant voorwaarts. Daarna draait ze de voorkant terug naar achteren. Ze klopt de spinnewebben van mijn rug. We bekijken de buitenkant van de kerk.
Op de terugweg koopt ze twee taartjes bij die beste bakker en eet die wandelend op.
Zullen we een terrasje doen, vraag ik.
Mag dat tijdens de werkuren?
Neen.
In de schuit dan. Ik moet plassen.
En ik heb stof in mijn keel.
Zal ik pittabroodjes snijden?
Doe maar.
Ondertussen schud hij vakkundig het vlees in de pan. De drie plaatsen in hun huis zijn stampensvol. Ik versta geen woord van wat er gezegd wordt. Dan maar de verf van de muur kijken. Als iemand me iets wil vertellen krijgt die mijn minst dove oor aangeboden.
Dag oor
Wat zeg je?
Dat het een gezellige avond wordt.
Ik doe dat ook graag.
Hoezo, wat?
Koken.
Dag oor.
Wie zich de moeite getroost om op een rumoerige plaats met mij een gesprek aan te knopen moet dan maar dichterbij komen...close gesprek gegarandeerd.
Er zijn vier pittabroodjes aangebrand ( blijven haperen in de broodrooster ).
Zwart, steenhard tussen de kiezen en verbrande lucht in de neus. Nou moe, keukendeur blijft dicht.
Wat doe jij van beroep, vraag ik aan iemand die dicht bij mij zit.
Ik ben preventieadviseur, zegt ze. Herken je me niet?
Ja, vanop een trouwfeest. We hebben toen nog lang gefilosofeerd over de zin van het leven terwijl we de afwas deden.
En wat doe jij van beroep?
Ik ben toezichter.
Wat is dat?
Toezicht houden.
Ze lacht alsof ik een grap vertel. Daarna graait ze een nieuw pakje sigaretten uit haar handtas.
Ik geef haar vuur.
Hoe lang kennen julie mekaar?
Ik heb haar leren kennen toen ze vijftien was.
Hoe doen julie dat?
Toeval.
Gewoon wachten op het toeval?
Niet op wachten. Het gebeurt vanzelf. Met een beetje geluk valt het mee.
Wie weet vertel ik eens over kamers vol spinnewebben en plaatsen bevolkt met onherkenbare
wezens, iets wat niet van deze wereld is.
Het leven is toch een droom, niet?
zondag 5 juni tot en met 10 juni 2005
Dit is het beste moment om nieuwe woorden, zinnen, uitdrukkingen te verzamelen. Mijn geest is nog helder na de slaap, geprikkeld door koffie en een sigaret.
Ik lees recensies van woordkunstenaars in de weekendkrant.
krantenlezer op zondagochtend
in versneld tempo de wereld vernemen
ik lees:
om een vrouwtje het hof te maken bespaart de mannelijke fruitvlieg zich kosten noch moeite. Er komt een ingewikkeld spel bij kijken, waarbij hij haar zachtjes aantikt met zijn pootje, zingt met zijn vleugels, die laat trillen en het vrouwtje uiteindelijk likt.
zenuwslopende vertedering
ik lees:
als de euforie van de revolte langzaam wegebt, als de vernielzucht en de baldadigheid geconsumeerd zijn, resten nog het puin en de scherven
ik lees:
autisten noemen ons “ neurotypical “. Ze vinden goedendag zeggen tegen de mensen onzinnig omdat je ook geen slechte dag zegt. Dat geldt ook voor hoe gaat het?
Ze vinden dat andere mensen zich te veel verliezen in verbale zinloosheid. Ze kijken naar hoe andere mensen hun eigen gevecht leveren
de verlichting tegen romantiek
Ik wou dat ik even veel geld had als levenslust
miljardair en onsterfelijk
alhoewel
mensen hebben niet alleen het recht om te leven
maar ook de plicht om te sterven
zich onderwerpen aan het genadeloos sloopwerk van de natuur
hooguit het recht om hun lijk te laten bewaren in vloeibare stikstof
misschien maken ze het wel met het gemak van een vingerknip
wakker binnen duizend jaar in een totalitaire staat zo onbewoonbaar als de hel
wakker worden met onvrijwillige herinneringen
willekeurig en ongrijpbaar als beelden voortgebracht door de verbeelding en tenietgedaan door de werkelijkheid
als een droom die vervaagt in het verloop van de dag
tot zijn denkbeeld helemaal verdwenen is.
We hebben een vernissage gemist. We zouden een uitnodiging gekregen hebben, blijkt achteraf.
Uitnodiging uit brievenbus gewaaid of achteloos op schouw blijven liggen
weet ik veel
nooit gezien
slordig in het leven
met dag vertraging er naartoe
Op de trap dacht ik: het is hier warm voor een zomerse dag
ik voel me onwennig zo dicht bij een kunstenares
gelukkig is L. erbij om het ijs te breken
Het heeft iets, kunst
die sublimatie van gevoelens
om het dagelijkse te doorbreken
de toeschouwer te overtuigen en te laten herkennen
wat al aanwezig is
die onmatige bezieling
Mijn portret hangt ook aan de muur
ik, met ontbloot bovenlijf
en verder, gekleed in een vervallen kerk
hij heeft het beste van mezelf verbeeld
dat komt doordat we tezamen ‘s nachts sprakeloos een eiland
onbewoond en omringd door water bewoond hebben
en zij
ze toont haar diepste gevoelens met haar kunst
majestueus
het ongekende kenbaar maken
Ik zei: ik kan je grillige vindsels bezorgen
ze zei: ja, doe dat maar
ze zei nog zoiets van die e-mails
ik verstond het niet
en antwoordde: ja, waarom niet
Nu we weer thuis zijn is de berk goud gekleurd
hij beweegt met de wind
Ik begrijp nog altijd niet waarom dit geschreven wordt. Ik heb geen mening. Dat is voorbehouden aan populisten en makelaars in angst om het publieke debat met druktemakers in stand te houden.
voor de spiegel, ja, dat wel
voor een spiegel zonder mening
Misschien ben ik de laatste, maar ik weiger om aan die trend van meningen mee te doen
dan nog liever een zinloze kreet als uiting van anarchistische vrijheid
in een zoektocht naar genot
genot in een kasteel van kuisheid in zonde
woorden schikken als bloemen
het komt altijd ergens terecht
zonder einde
oefening in de vorm van klinkers
medeklinkers en er lettergrepen van maken
een woord in schepping
nu nog een zin
en dan een betekenis zonder vervaldatum
leuteren en rochelen
in een stinkende brij met veel vliegen
betekenis zonder mening
Als je goed kijkt in tegenlicht
zie je het leven krioelen
het leven overleven
onvoorbedacht
als een ouwe kater die over een kasseiweg loopt
in windstil
niets beweegt in deze vooravond
Waarom ben je zo goed gekleed?
overschot van gisteren
hij vind het grappig
maar dat is het niet
omdat het gewoon overschot van gisteren is
Ik ga met mijn wijsvinger diep in mijn neusgat op zoek naar een kabbisch
met opengevallen mond en gesloten ogen
het is een vorm van bidden
god bestaat in mijn neus
zij, hij, ze, men
in mijn neus
ik begrijp nog altijd niet waarom dit geschreven wordt
ik heb geen mening
voor een spiegel, ja, dat wel
voor een spiegel zonder mening
en dan een kreet
in een zoektocht naar genot
het komt altijd ergens terecht
betekenis zonder mening
het gaat op en neer
tussen paars, wit en geel
en een wolkenloze hemel
staar ik naar al die schoonheid die deze wereld siert
ik heb geen mening
wel een kreet
in een zoektocht naar genot
Ik knip het haar
bijna bij middernacht
van een volwassen zoon
verwekt
zij heeft hem gebaard
en nu, zoveel later
knip ik zijn haar het middernachtuur voorbij
ik heb geen mening
wel een kreet
en een schaduw
en de zon
en de maan
schaduw in maanlicht
ik, geen mening, een kreet, een schaduw in zon en volle maan
Twee tienermeisjes
zo natuurlijk liggen ze daar
met blote billen in het gras
op de weg komen mensen voorbij
ze kijken naar me, denk ik
of ze gluren naar die jonksheid in het gras
en twee japanners recht voor mij op een bank
een man en een vrouw
ze heeft een mooie decolté
ook ik gluur naar hun samenzijn
al die menselijkheid toevallig hier
om en rond een bank
Hier lag ik
was ik
een afdruk in het graan
met een schaduw
tussen passanten
in de naam van mezelf
De terrastafel, augustusnacht 2005
zaterdag 29 oktober 2005
Beste,
Alles wat zich afspeelt daarboven en aan de horizon fascineert mij ook. Het is een adembenemend schouwspel dat zich elke dag herhaalt. Ik pleit voor zuiver water en zuivere lucht maar ik kan niet weerstaan aan het genot wat god verboden heeft.
Ik ben verleden jaar, begin mei, naar Amsterdam gefietst. Ik was vier dagen onderweg, heen en terug. Ik had een klein tentje mee, een slaapzak, een hoed, een fototoestel, wc-papier en schrijfgerief. Ik weet nog dat ik de eerste nacht de moeite niet kon opbrengen om mijn tent op te zetten. Ik lag mij in mijn slaapzak ter berde in een berm waar het kruid doorweekt was met dauw.
Vier dagen onderweg. Vroeg opstaan en vroeg slapen gaan. De tent net voor zonsondergang opzetten en bij dageraad opbergen.
Het duurt niet lang of je kleren worden vuil. Je begint te stinken. Je riekt het aan de anderen, die rieken precies naar zeep. Ook je haren zijn niet gewassen of gekamd, tanden niet gepoetst en je blijft ongeschoren.
Ik heb gevoeld hoe het is om een zwerver te zijn. Het was niet zozeer het slordig voorkomen van mijn persoon dat me intrigeerde, maar wel dat thuisloze gevoel.
We zijn vandaag weeral in het winteruur verzeild geraakt. De winter komt eraan. De zon zal dan s'morgens door de kou breken, onze ijskoude neuzen verwarmen, ze zal opkomen en ondergaan, de ganse winter door. En dan zien we weeral de lente komen en groeien naar de zomer. Ondertussen hebben we onze familie en vrienden een gelukkig nieuw jaar gewenst.
We kijken naar elkaar, we hunkeren naar genegenheid, soms blinde liefde in een glimlach. Dat is allemaal fijn. Volgens mij heeft het iets te maken met levensdrang.
subject: dode kat op fietsweg dinsdag 10 april 2007
subject: dorp
Ik ontwaak in de zetel. Het was te warm om met twee in één bed te slapen. Een bed net te klein voor twee. Boven mij hangt een spin als een circusartiest aan een onzichtbare levenslijn. Nog hoger heeft ze een web gesponnen. De vliegen plagen mij op elk bloot lichaamsdeel. Gedaan met de slaap, het is acht uur in de ochtend en mijn kinderen zijn werkloos met vakantie, zonder geld. De Belg ook. Als de Belgen terugkeren en dit lelijk land opnieuw overbevolken zullen we het gevoel hebben dat de zomer bijna voorbij is. Eerst nog de folkloristische dorpsfeesten een voor een met de fanfare voorop. Half oogst, klinkt het in de volksmond, een terrasje doen " op den buiten " waar de boeren hun land verkavelen. Den buiten waar een nieuwe generatie met hart en ziel investeert in bakstenen en beton. Ze zouden er een nier voor verkopen. Ik heb het allemaal zien gebeuren. Ik ben de vijftig voorbij.
Middelmatigheid is hier troef. Nooit burenruzies, geen mond schuin van verachting maar ook nooit met het schuim van genot. Alles is hier betrouwbaar en dienend, met af en toe verraad in de liefde. Een dorp bijna van het dorpsleven benomen. Toch hou ik van deze plek waar iedereen iedereen kent, waar geen burgeroorlogen woeden en geen vrouwen worden verkracht tenzij in eigen bed. Dit dorp heeft iets moois. Aan de rand staat het koren te rijpen. Er fladderen koolwitjes en koninginnevlinders rond en de bloemen zijn bevolkt door bijen. In de hagen nestelen merels en s'nachts sluipen wilde katten over de straat. Je kan geen varkenshart buiten op tafel laten liggen of de wespen zitten eraan. Hier zie je nog hoogbejaarde fietsers boodschappen doen. Hier wordt nog voor een appel en een ei jenever gedronken in de kroeg.
Ik heb vanmorgen staan kijken naar kelken van gele tulpen. Het riet staat al op schouderhoogte en verraadt het minste zuchtje wind. Ook de bereklauw is opnieuw beginnen te groeien, deze keer tussen uitgebloeide spirea. De grond is zacht en de lucht azuurblauw. Een stille zaterdagmorgen in mijn tuin.
De buurvrouw stapt in wit short voorbij. Voor het eerst valt het mij op dat ze mooie benen heeft, ook al woont ze hier al een jaar of drie. Ze leeft gescheiden van haar man die een paar straten verder woont met zijn vriendin. Een buurvrouw met mooie benen om naar te gluren, dat is mooi meegenomen in dit seizoen. En op het eind van de straat woont een met Limburgs accent sprekende airhostes met blauwe ogen die altijd opgewekt is als ik ze tegenkom. Ze is een kop koffie komen drinken wanneer ze in de steek gelaten werd door haar man. Hoe kon iemand zo’n mooie goedschikkelijke vrouw ooit in de steek laten, vroeg ik me af. Ik zou in een beerput duiken om in de gratie te komen van die vrouw. Uiteindelijk is alles goedgekomen al ligt dat niet aan mij.
Mijn ziele zingt in deze oase in een overbevolkte wereld. Ondertussen is de morgen opgeslokt door het middaguur. Evie is opgestaan en geeft zichzelf een spuit. De koffiekoeken staan klaar buiten op tafel. Ik heb ze in de papieren broodzak gelaten, beschermd tegen de zon. Even later komt Bert erbij. Ik sta voor een ogenblik, privacy gunnend, deze schrijverstafel vaderlijk af voor een middagontbijt. Dankbaarheid hiervoor moet ik mezelf inbeelden, maar zo gaat dat nu eenmaal met jong volk, gestreseerd door examenperikelen.
Ondertussen tip ik de met de hand in schoon schrift geschreven tekst over op mijn computer, een gedoe met nefaste gevolgen. Door het gemis aan pen en buitenlucht verdwijnt de inspiratie onder eentonig gezoem van het apparaat, een geluid dat mijn emoties nivelleert. Het lijkt wel op een door wind en regen platgewalst wiegend korenveld. Die letters zijn zo egaal, de emotie van handschrift ontwijkend. Neen, voor mij geen virtueel schrift. Taal moet je beitelen in één trek waarin de gedachte uitgekotst wordt met de hand als instrument.
Het verhaal van deze dag wordt verder geschreven met de hand tussen berkenbomen in stilte van contement.
Jouw ogen zijn mijn ogen niet, mijn gedachten evenmin. Ik ben maar een toeschouwer, een getuige, in het beste geval van wat zou kunnen zijn, verleden beschrijvend op een zee van tijd.
2 mei 2007 |
subject: op reis
|
| De wereld is niet zoals hij is. Hij is zoals hij in mij zit in een beweging, een geur, een kleur, als iemand die gracieus met damesachtige bewegingen verschijnt en dan met het feit der feitelijkheid in een oogwenk in het straatbeeld opnieuw verdwijnt. Zoetzeme bekoring, niets verplicht. Niets is zo mooi als die welvende beweging, de illusie van hartstocht verwekkend. Vier dagen gezworven en evenveel nachten buiten geslapen met volle maan in de ogen. De omgeving gezien met natte dauwvoeten en een zonverbrand gezicht. Het leek wel een eeuwigheid van genot dat uiteindelijk uitdeinde in de branding van terugkerende dagelijksheid. Daarna was het even wennen aan een wereld waarvan men denkt dat hij is wat hij is. De woorden tollen weer in mijn kop. Ik schrijf, lees, herschrijf, herlees tot het nachtuur voorbij. Dan ga ik buiten om tot rust te komen. Nog ga ik op banken zitten om mijn gedachten op te schrijven. Zal ik ooit sprakeloos worden? Het lukt me innerlijk niet. Die zaterdag 28 april 2007 rond 14h30 eet ik in een schaduw kalfskop met vinaigrettesaus die ik onderweg gekocht heb. Naast mijn rechterbeen groeit een distel en op de boomstam achter mij een scheut. Mijn voeten staan in de netels. Ik zit op een verhard tractorspoor. Vannacht slaap ik onder een struik. Op maandag dertig april bevind ik me op de Deurnevoetweg in Schoten. Het is me gelukt om niet verloren te rijden. Bij het krieken van de dag was ik vertrokken. Aan de overkant van de bank waarop ik zit, zit een generatiegenoot in een fluor-oranje pak geduffeld. Hij heeft een stootkar, een schop en een bezem mee. Eerst heeft hij zijn boterhammen opgegeten. Nu leest hij een krant. Zwijgzaam zitten we tegenover elkaar. De mistral tocht. Ik moet zien om vanavond ergens een slaapplaats te vinden. Vooraleer dat lukt in de buurt van een nachtelijk terras vraagt een meneer: 'schrijft u?' Ja, al meer dan twintig jaar, maar nog nooit iets gepubliceerd. Mijn broodwinning is anders. Ik ben vrij. Amaai, dat is neig. Jawel, zeg dat wel. Ik vind dat ook. Mag ik vannacht in uw tuin slapen? Geen probleem. |
De woorden die ge leest betekenen mijn werkelijkheid. Het is mijn spraak.
Ze zeggen dat ik nooit over haar schrijf, en dat is waar. Het is moeilijk te beschrijven hoe het is om mekaar al die tijd onvoorwaardelijk te dulden.
Ik ben alleen achtergebleven in deze avond, in de hoek waar ik zit te schrijven met gedempt licht. Ik spreek naar de lucht tot iemand mijn woorden leest Twee woorden zoals wijnrood en fluweel.
Ik heb zo het gevoel dat ik dingen ga moeten voltooien. Tijd en ruimte, dat beweegt. Daar kan je niet omheen. Er blijft niet zoveel tijd meer over.
Meer en meer denk ik aan onze sterfelijkheid. Vreemd genoeg bedroeft mij dat niet. Wat mij nieuwsgierig maakt is of er iets onthullend zal zijn bij onze dood, of zal het zijn zoals voor onze geboorte: niets.
Hoe kan ik dit tijdelijk bestaan erkentelijk zijn?
Ik dacht dat ouderdom wijsheid schonk maar ik heb meer vragen dan voordien. In die nietigheid oordelen, dat maakt onszelf.
zondag 2 mei 2007 |
|
subject: ganzen
|
|
|

zaterdag 28 april 2007
![]()
9h: Drie gesoigneerde dames vertrekken.
Oh, wat een mooie tuin.
Pas op voor de hondestronten!
Eerst drinken ze nog koffie. Nog wat kletsen. Dikke zoen en ze zijn weg.
Ook ik maak me klaar voor een driedaagse fietstocht. Het is stralend weer. Vanavond zal ik voorbij Antwerpen overnachten.
Wat ben ik blij. Wat zijn ze blij.
De doodsklokken luiden.
Zal ik eerst nog een broodje met zalm eten voor ik vertrek? Zal ik dit dagboek met pen en inktpot meenemen?
De twijfel bekruipt me. De inktpot is bijna leeg waardoor de punt van mijn nieuwe vergulde pen de bodem raakt als ik haar erin sop. Dat slijt. Ik koop nieuwe inkt en meteen een krant.
De klokken luiden opnieuw. Stef slaapt waarschijnlijk het middaguur voorbij. Dan ben ik allang vertrokken.
Zal ik me scheren voor ik vertrek? Neen, ik heb me gisteren geschoren.
Naar het toilet, ja, dat wel. Toiletpapier en een propere zakdoek niet vergeten. De hond blaft. Ik mag niet vergeten haar eten en drinken te geven.
Op het kerkplein speelt de Jakke op zijn saxofoon. Hij is al ladderzat. Stillist met valse noten.
Hij is zelfstandig trappenmaker. Zelfstandig trappenmaker improviseert op zaterdagochtend op een plein. Je moet het maar doen.
Lang zal het niet meer duren vooraleer de klokken voor hem zullen luiden. Zijn lever is kapot.
donderdag 26 april 2007
![]()
subject: zwoel
Een ouwe madam met spierwit haar ( ik schat haar tussen tachtig en negentig jaar ) zet zich aan de terrastafel naast mij. Dit is de stationbuurt. Het is tropisch heet. Ze bestelt een kleine Stella. We zitten beiden voor ons uit te kijken. Ze heeft minsten dertig jaar meer dan ik meegemaakt.
Misschien is ze jong gebleven in gedachten of zijn de herinneringen gebleven. Een Stella drinkende oude vrouw naast mij. Wie weet masturbeert ze nog. Zou ze nog een minnaar willen? De straat oversteken is allang geen schijnbeweging meer.
Nu ze weggegaan is met haar krokodillen lederen handtas kijk ik naar een overblijvend straatbeeld. De zomer maakt de mensen mooi.
Jonksheid door de kleren kijken. Ze moeten maar zo schoon niet zijn.
Hun gekwetter schalmt in mijn oren. Mijn nalatenschap zal minder zijn dan deze samenleving te bieden heeft.
Ze gaan heen en weer in een zekere liefkozing van zichzelf. Soms staan ze te wachten op een bus of een trein. Ze proberen thuis te geraken.
Nu zit er iemand met wit geverfd haar en een tatoeage op haar bovenarm naast mij. Ze stinkt naar de déodorant.
Ik ga naar huis. In het veld nog even in een berm landschooien. Het riekt er naar groen.
Vanavond gaat het weeral donker worden vanuit het schemer waarin woorden nog nauwelijks leesbaar zijn. Mooi, die gloed in die warmte.
zaterdag 21 april 2007
![]()
subject: dagdeel één
Weeral een stralende dag. Al de ganse week schijnt de zon. Vorige week ook.
Zoals elke zaterdag zit ik 's voormiddags uitgeslapen te schrijven. In de zon, jawel. Slurpend aan de koffie.
Ik hoor een zacht getik op de deur. Het zijn getuigen van Jehova.
Nog voor ik kan zeggen dat ik geen interesse heb vaart de hond blaffend naar een van de dames die verschrikt terugdeinst. Ik weet dat het bij blaffen blijft. De dame niet.
De zon
Ze scheen een paar keer in mijn gezicht
Op mijn gezicht ging ik af en toe gisterenavond in haar ondergang
Nu zit ik van haar warmte te genieten
Haar licht te bezingen
De schaduwen te tellen.
Wat zal ik doen voor de rest van de dag?
In de zon blijven schrijven? In de tuin keuteren?
Achteraan bij de fruitbomen is nog veel te doen. Ik ga de composthoop leegmaken. Eerst die vuil handschoenen vinden.
Mijn lederen fietszadel moet ook nog ingevet worden en het zout van de waterverzachter moet bijgevuld worden. Het deksel zal gegarandeerd niet loskomen. Dat ding loopt altijd stroef, en de nijptang die ik ervoor nodig heb zal ik niet vinden.
Eerst naar het toilet en dan de tuin.
Of neen, ik drink eerst mijn tas koffie leeg alvorens mijn pyjama te ruilen voor buitenkledij.
Hopelijk vind ik mijn vuil broek of zal ik een short aantrekken?
Wat een heerlijke besluiteloze dag!
subject: dagdeel twee
13h30: In de composthoop krioelt het van het leven. Duizendpoten, mieren, heel kleine regenwormen en nog duizend andere variëteiten zwerven door het donkerbruin overschot dat ooit keukenafval was.
Ze doen ongestoord verder, vreten alles op. Ik denk dat het hun uitwerpselen zijn die composteren.
Wat zegt het groot woordenboek der nederlandse taal?
"Compost is een meststof van fecaliën en allerlei andere dierlijke en plantaardige stoffen, met huis- en straatafval vermengd".
Deze middag is ze niet thuis gekomen. Ik eet dan maar een boterham met confituur vooraleer het leeggoed weg te doen.
De zon staat nu het hoogst. Het wordt trouwens hoog tijd om ook iets te drinken. Een glas wijn of zo. Dit is het middaguur net voorbij.
Straks begint het typisch zaterdaggeluid: grasmaaiers. Eerst begint er eentje. Dan volgen ze allemaal. Ik doe het natuurlijk met de hand.
Het autoverkeer wordt ook drukker. Met zen allen naar de supermarkt.
Mij niet gezien. Ik koop mijn waar hier vlakbij bij de bakker, de kruidenier en de beenhouwer. Een viswinkel ontbreekt hier nog.
Schandalig duur, dat wel, maar ik rijd al jaren met geen auto meer. Ik heb ronduit een grondige hekel aan wagens.
Antwerpen, Brussel, Leuven...toujour en vélo, winter en zomer.
Verdorie, nu ik eraan denk: ik moet mijn zadel nog invetten!
Het is veertien uur wanneer mijn zoon oververhit uit bed komt.
Vanmorgen goed gefuifd zeker?
Nogal, ja.
Je hebt het beste van de dag gemist.
Zonder iets te zeggen loopt hij mij op blote voeten voorbij, gaat naar zijn fiets ( ik heb de indruk dat hij zich wil vergewissen of er alles nog opstaat ) komt dan terug en vraagt: 'wil je mijn remmen bijregelen?'
Als jij me helpt met de takken in de hof.
Voila. Een deal gesloten.
In feite heb ik meer zin om hier zomaar te blijven zitten.
Over de ronde tuintafel schijnt boven de middenlijn de zon en eronder ligt een schaduw.
In die schaduw zit ik hier.
Een meter verder ligt de hond uitgestrekt te slapen. Ze heeft net een brok rauw soepvlees gekregen. Zes Euro en haar gelukzaligheid waard.
Oei, de doodsklokken luiden. Weeral iemand aan zijn einde gekomen.
Nu vliegt een hommel bijna in mijn oor. Ik heb de aanraking gevoeld.
Alleen de stank van oorsmeer heeft haar gedachten veranderd. In feite heeft mijn oor de vorm van een bloem met een menselijke geur. Dat schrikt die insecten af.
Instinctmatig ( en ook uit ervaring ) weet ik dat ik nu moet ophouden met te beschrijven. Anders wordt onzin onverdraagelijk.
( wordt misschien vervolgd )
subject: dagdeel drie
Oh ja,
het vervolg.
Wel, rond de avond zijn we met zen vieren naar een salsafeest geweest. Zij bij mij, volle maan, zij van lang geleden en ik.
Hun mannen waren te moe om mee te gaan. Ik voelde me als een vrouwenzot.
Ter plekke kwam ik iemand tegen die ik twintig jaar niet meer gezien had.
Jawel, een vrouw. Deze avond is een en al vrouwelijkheid.
Met die rimpels in haar gelaat was ik eerst niet zeker of zij het was. Ze zat aan de toog met iemand te praten.
Is dat Linda niet, vroeg ik aan zij bij mij.
Ja, dat is Linda, antwoordde volle maan. We gaan naar haar toe.
Smak...ik verpletter haar bijna in mijn armen.
Dat is lang geleden. Door uw ouderdom had ik u eerst niet herkend, zei ik beneveld.
Ik twijfelde ook toen ik je zag als je binnen kwam.
Ondertussen roefelt ze door mijn haar en neemt ze een trek van de Cubaanse sigaar die ik van André gekregen heb.
André rookt ook een sigaar.
Veel hebben we niet verteld. Het was zich om de dans te doen.
Net zoals vroeger kleeft ze zich met passie tegen mijn dansend lichaam aan.
Die katachtige blik, haar onafhankelijkheid. Het lijkt of de tijd heeft stil gestaan.
Ik kon het me niet laten om haar vluchtig aan te raken. Volle maan en zij bij mij lonkten ernaar.
Ondertussen is het zondag in heet weer. Twintig meter verder ligt zij bij mij in een luirik met haar voeten op een tabouret een boek te lezen.
Ik kijk naar haar. Ik zit hier maar. We zijn hier maar. Zij in een luirik, ik aan een tafel.
Zij leest, ik schrijf.
dinsdag 17 april 2007
![]()
subject: scheldekaai
Antwerpen, Scheldekaai nr... : de zon staat nog laag als ik wakker wordt door het ochtendgeraas. Het is het geluid van een stad.
Ik wrijf de nachtslaap uit mijn ogen. Mijn spieren zijn nog klam.
Hoe ben ik vannacht op deze bank zo dicht bij het water verzeild geraakt, vraag ik me af.
Nog tachtig kilometer af te leggen. Dat zal de reden zijn.
Ik rook een sigaret om de tering uit mijn longen te bevrijden. Gelukkig is er nog overschot in de fles.
Stinkend als een dier sta ik recht in het zonlicht dat mijn ogen niet verdraagt...mijn ogen niet verdragen.
Ikzelf en mijn fiets zijn ongeschonden gebleven.
Een nieuwe dag, een uitgestelde thuiskomst.
Ontredderd met een geluksgevoel sta ik daar in de ochtend te balanceren terwijl de omgeving draaft in alledagelijksheid.
Met een landkaart in mijn hoofd kijk ik opnieuw naar de zon.
In het Oosten kan ik terecht in de woestijn en in het Noorden bij de Eskimoos. Tachtig kilometer verder in het Zuiden ben ik thuis.

subject: zomerparfum
Op een grasveld opbenbaar liggen twee ontblote lichamen van een man en een vrouw zomaar in een namiddagzon naast elkaar. Hij op de buik, zij op de rug zonder zonnebril aan. Hoe doet ze het? Zelfs halfschaduws is het licht verblindend. Halfschaduws, bestaat dat wel? Ja, het bestaat. Het is…als je vanuit een schaduw over zijn begrenzing kijkt.
Aan elk stoplicht zie ik fietsende schouders schaars gestrengd in pastelkleurige lintjes. Je ziet ze verschijnen met het zomerlicht, sommigen als een firnament vol sproeten, anderen egaal
als een sneeuwlandschap of als een stilstaand oppervlak van koffie verkeerd. Dan ga ik langs zonovergoten terrassen, nokvol versierd met korte rokjes net niet het mysterie van donkere spelonken onthullend. De vijftig voorbij heb ik daar meer aandacht voor. Neuriënd begeef ik me door deze diversiteit. De wereld is het bekijken waard. Het gebeurt in een schijnbeweging van noodzaak en luiheid.
de stad smeult naar de vooravond…
leuren, gluren in straten langs open pleinen
toevallig raken ogen elkaar op de grens van het onuitstaanbare
parfums in de straat
jonge meisjes rieken fruitig, hun moeders iets meer genuanceerd en de oudere dames laten nog altijd met dit zomerweer die onverwoestbare zweem van gedegenheid na
diep uitgesneden decoltés
ze doen alsof het hun niet kan schelen…
al zijn ze gladiatoren in een overbevolkte stad
en etaleren ze het beste van zichzelf
in een gratuit spektakel van vleesgeworden schoonheid
ik denk aan de sterfelijkheid ervan,
al die schoonheid die zal veranderen
als een roestig stuk oud ijzer
dan kijken ze net zoals ik naar al die beweging
terwijl het kruid rond mijn grafsteen bloeit
voor het zover is ga ik naar huis
met de ondergaande zon als gesmolten goud in mijn ogen
langs een zingend landschap in een heidens hooglied
een onzichtbaar geluid,onzichtbaarder dan de ziel

donderdag 12 april 2007
![]()
subject: foert
Ik ben onderweg naar mijn werk. De zon is pas opgekomen. Het is nog fris. Ik fiets met handschoenen en een wintermuts aan. Op de veldweg ligt een dode kat. Al vijf dagen fiets ik haar ontbindend lijf heen en weer voorbij. Halfweg blijf ik staan om naar dit zonovergoten landschap te kijken. Er scharrelt een fazant in het pas omgeploegde veld. Ik voel stilte in mijn binnenste. Ik neem vandaag verlof.
Deze keer heb ik op dit uur het zonlicht in mijn rug. Geen wolk in de lucht.
Thuis gekomen (het is dan kwart na acht) zie ik haar zitten in de fautuille met een tas koffie in haar hand.
Ik heb te lang naar het zonlicht gekeken, zeg ik. Vandaag neem ik vrijaf.
Zie dat ge nog genoeg dagen op overschot houdt voor onze grote vakantie, antwoord ze enigzins bezorgd.
Na vandaag heb ik nog drieëntwintig dagen tegoed.
Nu breek ik met blote handen in ontbloot bovenlijf takken uit de hof en kijk ik verbaasd naar het bloeisel om me heen. Ondertussen ligt de hond vanop de koer mij te beloeren. Het is heerlijk heet vandaag. Precies zoals in de Provence.
Zullen we een fles wijn ontkurken met een stukje kaas?
Door de wijn ruist de zee in mijn oren.
Ik was tien toen ik ze voor de eerste keer zag. Met mijn ouders met de trein naar Blankenberge. Ik was toen rood verbrand.
Hmm...die schapenkaas is lekker en die rooie 'Oltesse' vanuit tweeduizendenvier is als een schaamlip vol wellust.
Ik heb zin om zomaar wat voor me uit te turen. Daarna doe ik opnieuw mijn klompen aan. Zalig, die houten klompen.
In deze instandhoudende woelige wereld zit ik op deze plaats op een blad papier bedrukt met goudkorrels en gele gedroogde bloemen te schrijven.
Op de tafel in de schaduw ligt een woordenboek, staat een inktpot, een fles wijn en een asbak.
Gras kan je het moeilijk noemen wat daar achteraan groeit. Het is een mengsel van boterbloemen, netels, paardebloemen en konijnenvraatsel. Daarom maai ik het met de sikkel in de hand en laat ik de mooiste exemplaren staan.
Gespreide struiken bind ik met een hennepkoord bij elkaar om het onkruid ertussen te wieden.
De zon verhit mijn rug. De fruitvliegen plagen.
Het is zeventien uur geworden. De tijd wordt. Ik zie het door mijn bezigheden.
Mijn zoon komt thuis en loopt op zijn kousen door de tuin met een bananenschil in zijn hand. Het dient de mesthoop.
Ik heb koffie gemaakt met een more heet water. Een sterke jat die ik in een paar teugen leeg drink.
Dan ga ik terug tussen de struiken met mijn klompen aan.
Anderhalf uur nadien zindert mijn lichaam nog van de koffie die ik gedronken heb. Mijn maag is dichtgeklapt.
Tijd om eten klaar te maken. Sla, tomaten, abrikozen, pepers en zalmsla.
Vandaag heb ik weeral geluk gehad. Mijn hele leven al heb ik geluk ook al zat geluk in mijn kindertijd achter tralies.
Tot een kwade dronk is het nooit gekomen.
Mijn mentale voettocht stuit op ongerijmdheden en spanningen in een niet aflatende wellust naar iets anders.
Steeds opnieuw dat verlangen dat telkens verdwijnt wanneer het ingevuld wordt.
Nu is het bijna donker. Ik kan de inkt waarmee ik deze woorden schrijf moeilijk van de omgeving onderscheiden.
De rest van dit schriftuur dient het restant van leegte op dit blad papier.
Schilderen met woorden zonder betekenis.
paaszondag 8 april 2007
![]()
subject: brunch
We waren met de fiets gekomen. Eerst door het bos en dan langs de avenue Louise. We twijfelden of dit wel de juiste voordeur was.
Net voor we wilden aanbellen stond ze in de hall. Hoe ze wist dat we aan de voordeur stonden blijft een raadsel tenzij ze bij toeval net de trap afkwam. We zijn een half uur te vroeg. De tafel staat gedekt in de tuin.
Zonovergoten daktuin in de stad. Een oase voor gevleugelden. Er nestelt zelfs een bosduif in een naaldboom.
Zie dat ge die champagne die we meegebracht hebben nu niet ontkurkt want die heeft achtien kilometer in mijn fietszak gestoken.
Ik heb hem opzij gezet, zegt ze terwijl ze me een glas van haar champagne aanreikt.
Ondertussen heb ik mijn hemd, schoenen en kousen uitgedaan. Het gras is mals onder mijn voeten.
De anderen komen een half uur later.
Zij ( ik noem haar volle maan op nieuwjaarsdag ) komt als eerste in mijn buurt.
Hmmm...mooi...heerlijk. Wat voel ik me gelukkig, prevelt ze welgemeend. En de zon, en die tafel...moet je zien!
Ze heeft de hele week geschilderd. Vandaag niets doen doet deugd.
Een voor een komen ze. We zijn met zeven.
Laten we een toefje en een toetje proeven.
De gastvrouw heeft meer dan haar best gedaan.
Je haar is zo grijs, zegt die andere tegen mij.
Dat komt omdat zijn kop verbrand is door de zon, zegt een ander.
Schuin voor mij zit hij te grijnzen. Een grijsaard met kruintje rozig kaal. Net zoals ik heeft hij zich ter gelegenheid geschoren.
Hij naast mij heeft zich net voor hij haar leerde kennen kaal geschoren. Om beginnende kaalheid te verdoezelen, vertrouwt hij me toe.
Twee vrouwen hebben hun haar gekleurd. De ene iets donkerder dan de ander. In het zonlicht krijgt het een goudkleurige schijn. De andere twee laten hun tooi de taal van de leeftijd spreken. Grijs met zwart, blond met grijs vermengd.
Met profijtige vingers neem ik een stukje toast. Het begint met de dingen die je alleen in het verkleinwoord mag schrijven (drankje, toastje, proevertje...).
Ik voel me zo gelukkig, zegt ze nogmaals terwijl ze haar blouse uittrekt. Het is hier zo warm in de zon.
We vragen ons af of de zomer nu begonnen is. Alles staat in bloei. Het is de schuld van het broeikaseffect.
Niet zeuren, zegt iemand. Laten we ervan genieten.
We heffen het glas op...'zijn begrafenis ' schatert hij met een verimpelde vinger naar mij wijzend.
Volgens hem zal ik de eerste zijn in dit gezelschap die zijn toekomst zal verbruiken.
Wie denkt dat mannetje wel dat hij is? Ik die in het diepst van mijn gedachten beschik over een godengestel.
Zelfs een dood paard in een wijnglas zou nog hinniken in mijn geval.
En zelfs, ja, je weet maar nooit, moest een van hen mij overleven, wil ik dat het die dag een feest wordt met de beste chocoladetaart en drank in overvloed.
Spijtig genoeg zal niemand onder hen deze wilsbeschikking indachtig zijn want ze lezen mijn schrijfsels niet.
subject: vogel
zo verblijf ik hier als een ongevleugeld dier
met de gedachte van: ik zou een vogel willen zijn
glijden op de wind
op en neer
tot boven wolken
en de zon zien
zelfs
toevallig sterven in mijn lot
ze bestaan
bij het krieken van de dag en voor zonsondergang
vliegen ze met honderden
met duizenden
weg van hier nu het winter wordt
vrijheid zonder keuze
ik zou een vogel willen zijn
vliegen zoals in dromen
nog beter dan vogels
met traagheid
en mensengedachten
vliegen zonder vleugels
toevallig in een droom

subject: nonkel pie
mijn kinderen lezen wat ik geschreven heb
ze lachen in gedachten als ik ongeschoren in mijn onderlijfje
met tranende ogen een blad papier op de keukentafel leg
en vraag: wat vind je ervan
ik kijk naar hun gezicht terwijl ze het lezen, tel de tijd der begrijpbaarheid
herkenbaarheid kan ik niet verwachten
het is een huislijk ritueel
nog iemand anders is een zielsgenoot die samen met mij op een schalie met een griffel leerde schrijven : de melkboer brengt melk
zo gaat dat
mekaar een half mensenleven vergeten om dan bij toeval verbaasd te zeggen:
ben jij het?
die oude zat daar elke zondag net voor het middaguur aan de keukentafel op zijn toegeëigende plaats
de keuken zelf lag achterin en diende tegelijk als waskot en bergplaats
waar de keukentafel stond was het benepen klein
ik herinner me vaag een ruimte van vier meter op twee
toen niet zo klein vanuit kinderogen gezien
als vrijgezel kwam hij recht vanuit het café
bobonne kon er niet om lachen
hij deed het nochtans alleen op zondag
hij zat daar in zondagskostuum met gebogen rug voor zich uit te staren
alsof hij naar iets keek dat wij niet konden zien
uit zijn neusgaten stulpten witte haartjes van ouderdom
bobonne knipte die af en toe met haar kleermakersschaar weg
als kinderen vonden we die oude tof
we konden hem van dichtbij onder tafel besluipen
en bijna hardop zeggen: nonkel pie is ne vrouwenzot
hij bleef daarbij onverstoord zitten want hij was meer dan halfdoof
bij klokslag twaalf uur in de klokkentoren was het nog even wachten op de koekoeksroep uit het houten kooitje
dan werd de kippensoep gloeiend heet opgediend
dampende groengele soep met drijvende vetplasjes
terwijl wij de soep in ons bord blazend verkoelden
lepelde hij met bevende hand het deugddoend voedsel naar zijn lippen
om het dan slurpend over de tong door het keelgat te slokken
dat slurpen, zo schaterde hij, was om zijn tong niet te verbranden
kippensoep slurp je op zen heetst tot het vet van de kin druipt
meer dan vijftig jaar later spookt die tafel redenloos door mijn gedachten
alsof het verleden me in klaarlichte dag wenkt
ze diende ook het naaigerief en schaar
want bobonne was een kleermaakster toenertijd
als de mensen hun kleren in aanmaak kwamen passen
gebeurde het niet zelden
dat patronen en kleermakersschaar werden geruild voor koffie en gebak op die tafel van zondagse kippensoep
terwijl de dames het wereldnieuws van buiten de dorpsgrenzen vertelden
slopen wij onder de koffietafel
en keken onder de rokken
soms durfden we al eens in een stoutmoedige bui aan een chartel te trekken
niet om seksistische redenen
het was ons om de verrassing te doen
naar die verschrikte kreet luisteren
en dan als muizen schaterlachend
vanonder die tafel naar buiten stuiven
ik bedoel: alleen mijn broer en ik
aan die tafel werden bij feestdagen avondlijke elexiers gedronken
tenminste, als de oude erbij was
dan vertelde hij over amerika waar hij geweest was
en over weerwolven uit zijn kindertijd
hij had nog echte indianen gezien
en achter dwaallichten gezeten
zever niet man, zei bobonne
ge hebt al uw geld vanuit amerika aan de wijven verkwanselt
nietwaar, schreeuwde hij dan aangedaan
ik heb er landgoed, koeien en een varken mee gekocht
zonder reden denk ik aan de tafel, nonkel pie en bobonne
ze zijn allang vergaan
maar ze blijven in mijn gedachten bestaan
zou er dan toch iets onsterfelijk zijn?
die oude,
ja, echt waar
had zeven koeien, een os en een varken
de kippen waren er vanzelf bijgekomen zomaar vanuit het niets
een kraaiende haan op het aanrecht
ik kan het weten want bobonne ging er elke woensdag kuisen
mijn broer en ik mochten mee
in het huis waren drie kamers
de leefkamer, de slaapkamer en het salon
naast de leefkamer was een koeienstal met een houten deur
telkens als bobonne ging kuisen
slopen we naar de stal om naar de koeien te kijken
we slopen want toenertijd mocht niks
ik herinner me nog de waterput met zijn oneindige diepte
en die kleine varkensstal
dat varken zat daar niet voor het plezier ook al heette het Jhonny
het was zich om het vlees te doen
de oude maakte de varkensbrij uit patatten en selderij
een maand voor het slachten goot hij er in goede tijden wat bier bij
om het varken goede manieren te leren, zo zei hij
want het was bijna slachtrijp
in het salon stond een stoel met geklakkereerd leer en een eiken tafel
met op de kast een stenen geneverkruik
die plaats mochten we niet betreden
daar lagen de sacramenten van de oude
om gods vloek met een vierkante te verbannen
ik heb hem nooit in dat huis gezien
we zagen hem alleen op zondag bij bobonne vanaf het middaguur
op een dag hebben ze hem met een glimlach in de kruiwagen gevonden
morsdood
de pie is gestorven heette het dan
pas dan is bobonne te weten gekomen
dat hij de wijven niet kon laten
ze heeft de erfenis met zijn drie vriendinnen moeten delen
volgens mij is ze dat nooit te boven gekomen

Nummer eenentwintig gaat winnen.
Neen, nummer een.
Eenentwintig klinkt beter. Nummer een maakt geen kans.
Ik heb net gekozen voor nummer een omdat het zo kansloos is. Dat maakt de keuze spannend.
Ik kies voor eenentwintig omdat het zo kansig is.
Dan barst hij in lachen uit. Het verwondert de vrouwen niet eens. Ze zijn gewoon dat we af en toe
in alle ernst tegen elkaar zeveren.
Een van hen gaat uit de bol en drukt haar vrouwelijkheid onachtzaam tegen mijn verouderd lijf.
Vegetarische Lasagne is haar specialiteit. Ze luistert niet eens als ik iets zeg.
Het is hem niet alleen om het eten te doen maar om de bijeenkomst, het samenzijn. Onze gedachten
snuffelen met elkaar.
Buiten koersen wielrenners om te winnen. Er is volk op straat. Een chanse dat het zonnig is.
Ze spurten de laatste ronde. Wie wil nog champagne en chocoladetaart?
Je schrijft altijd over datzelfde.
Ja, ik kan het me niet laten. Vandaag heeft het geregend, gestormd, en uiteindelijk staan de sterren nu aan de hemel. Wat anders bewoog komt nu samen in een stilstaand moment.
Ik zit er buiten naar te kijken samen met een onbestaande.
Geloof jij in God, vraagt hij.
Door de ernst van het onbekende gegrepen antwoordde ik: ik geloof in de uitdeining die ik in de verste verte niet kan zien. Wat daaraan voorafging is een mysterie.
Ik dacht uit het niets te komen en naar het niets terug te keren. Niet zomaar niets maar
het "niets" als een vormloze ongestalte,
maar iets komt niet uit het niets, want moest dat zo zijn zou het niets zijn.
We herinneren ons het voorgaande niet, dus noemen we het niets. Als het leven breekt ontluikt het nieuwe op eigen kracht.
De onbestaande had tot nu toe gezwegen. Dan vroeg hij: wat bedoel je daarmee?
Wel, antwoordde ik: wanneer de wind gaat liggen in mijn gedachten houd ik me bezig met daadwerkelijkheden. Eergisteren heb ik me uitgesloofd met bezigheden waarvan je achteraf niets merkt, alsof die bezigheden nooit hebben plaatsgevonden.
Moesten die bezigheden er niet geweest zijn, zou je merken dat ze niet hadden plaatsgevonden.
Ik wachtte tot de onbestaande me nog iets zou vragen maar hij was alweer verdwenen.
Ben jij God misschien, mompelde ik vooraleer in een zoete zorgeloosheid naar binnen te gaan.
Zijn die dagen van ons die voorbij zijn volledig verdwenen en is er niets van overgebleven?
Twee kompanen hadden me gevraagd om mee te helpen met een overval op een geldtransport.
Zij bij mij en ikzelf hadden aanvankelijk toegezegd maar uiteindelijk haakte ik af omdat
een van hen een vuurwapen zou meenemen. Zij bij mij wou meedoen. Ze hadden een
bestuurder voor de vluchtwagen nodig.
Ik probeerde haar te overtuigen om af te zien van het voornemen maar er was geen houden aan.
Elke dag ging ze weg om met die twee te oefenen voor die fatale dag.
Ik voelde me bedrogen en in de steek gelaten.
In een ultieme poging om haar te overtuigen niet mee te doen, zei ze dat ze haar vrienden
niet in de steek kon laten. Ze hadden een chauffeur nodig.
Zoveel bereidwilligheid voor twee gangsters was me te veel. Ik besloot haar te verlaten.
De bus die ik genomen had zat stampensvol. Bovendien reed de chauffeur roekeloos.
Ik stapte drie haltes verder uit en ging te voet verder naar de plaats waar de overval zou gebeuren.
Naar de avond toe ging ik schuilen in een overdekt hondentoilet. Er kwamen mensen binnen met een kat.
Het duurde niet lang of het stonk er naar kattenpis. Ik ging verder tot in de straat waar het geldtransport
morgen zou overvallen worden. Er was een buurtfeest met bejaarden waarvan ik de meeste kende.
Ze lachten en klampten me aan. Blijf bij ons want vannacht gaat het onweren, riepen ze.
Aan tafel vertelden ze me dat morgen in de straat een hold-up zou gebeuren. Iedereen wist ervan.
De politie zou massaal aanwezig zijn.
Ik stond aan de grond genageld. Ik hield nog van haar. Ik moest haar zien te bereiken maar
niemand had een telefoon op zak.
Dringend terug nam ik de kortste weg langs onverlichte veldwegen en klauterde ik langs heuvels
door het slijk.
Thuisgekomen zag ik dat ze weg was. Ondertussen begon het al in de ochtend te schemeren.
In mijn wanhoop klopte ik bij de buren aan. Die wisten me te vertellen dat ze met twee rare venten
net vertrokken was. Zelfs met de fiets zou ik nooit op tijd ter plaatse zijn.
En dan, toen ik op instorten stond, kwam ze binnen. Ze had zich bedacht.
Opgelucht ging ik het huis uit.
Waar ga je naartoe, vroeg ze.
Ik weet het niet, maar ik kom niet meer terug.
Ik had gehoopt dat ze mij zou vragen om te blijven.
Neem dan ook de hond mee, zei ze.
Ik hoor opnieuw krekelgeluiden; een concert van Carlos Santana.
Het ritme van de tabla’s doet me denken aan het klauwen van een spinnende kat.
Kijk hoe de klanken dansen, ze hebben een doel.
Godenmuziek. Het paradijs komt in beweging. Stilstand komt tot leven in dit muziekstuk.
De onzichtbare beweging van geluid dat mijn lastige oren streelt.
Hoe meer ik me laat gaan, hoe zinniger worden mijn woorden.
Ik wou voor een ogenblik in een woordenboek begrijpen wat "zinnigheid" is, en
of ik dat dan ook correct geschreven heb op dit ogenblik.
Zinnigheid is: ik heb geprobeerd het na te gaan maar het heeft waarschijnlijk
zoveel betekenissen dat het misschien onbestaand moet blijven.
Naar aanleiding van een schrijver die schreef over geboorte welt er iets in me op.
Ik schrijf het als ik, maar ik was het niet.
Het was dat uit een vorig leven waaruit ik geboren werd.
Plots voelde ik dat er iets gebeurde. Onder luid gebonk zweefde ik langzaam weg van die ene
vertrouwde plaats. Het gebonk versnelde en het werd steeds moeilijker. Ik had geen
herinneringen, je weet niet eens dat je bestaat. Je weet ook niet wat je te wachten staat.
Je kan niets weten. Alles wat je meemaakt is gevoel dat intenser
wordt tot je voor de eerste keer angstig wordt wanneer het gebonk heviger en sneller klinkt.
Je wordt onttrokken vanwaar je komt.
Voor het eerst kreeg ik het benauwd. Ik had geen keuze.
Ik kon niet meer terug.
Een mens sterft twee keer: eerst bij de geboorte en dan na het leven.
subject: ze gromde
ze gromde als een roofdier haar woede weg, ook al had ze geen gelijk.
de omstaanders waren verbaasd en een van hen zij: 'mevrouw, dit is niet normaal'
zo had ik haar ook nooit bezig gezien met die wanhoop in haar ogen
die woordenloze grom als een uitdrukking van het onbeschrijfbare
het was fair om zo te zijn
gegrom als innige taal, zo begrijpbaar zonder een litanie van onbegrepen uitspraken te moeten ondergaan
zaterdag 8 mei 2004
![]()
nacht zonder wolken
een kamer met halve akkoorden
een open deur die tabaksgeur verdrijft
en demonen verjaagt uit mijn gemoed
tussentijds een waarloos kind in sprankelend water
onbekwaam acteur die een toneelstuk speelt
de regiseur en de spelers zijn er ook
van poezie heb ik geen verstand
toch stamel ik deze woorden
mijn moeder was nog jong
wij waren jong nu met jonksjaren in een verleden
raar om dat nog te beleven
een toneelstuk met tussendoor een waarloos kind in sprankelend water
met een borrel in gezelschap zit ik daar in die ijle wereld
het is mijn beurt zegt de regisseur
de klokken luiden het uur in de tijd
de zonsval beweegt en de berk ritselt
en daarachter purperen en roze bergen
van poëzie heb ik geen verstand
toch stamel ik deze woorden
ik weet niet eens waarom

maandag 26 maart 2007
![]()
Slenteren door een zonnige lenteavond. Daarna prutsen aan wat niet voltooid werd. Niet vandaag en evenmin morgen. Onvoltooid verleden tijd...ik heb het nooit begrepen maar het heeft iets van "ik had iets moeten doen".
Misschien was dat iets wel veel, maar geef toe, we hebben nog een zee van tijd.
Die vogels boven het meer en de muggen in tegenlicht zitten toch ook van het leven te profiteren.
Ik wil het nadoen met veel genoegen en ook meisjes van vijftig kunnen blijkbaar tijd maken. Je kunt natuurlijk niet alles tegelijk doen.
'Papa, is dat rap klaar' vraagt mijn zoon terwijl hij een portie gehakt toont in zijn rechterhand.
'Ja' zeg ik. Ge moet het alleen wat pletten en doe er peper bij.
zaterdag 30 december 2006
Er sluipen gestoorde poezen met jongen in half gesloopte huizen aan de rand van braak liggende grond bevolkt met muizen. Om daar te geraken moet je door een lange slecht verlichte gang met veel portalen. De kattenjongen gedragen zich agressief.
In regenweer vertrekken we ongeduldig met vertraging. Hij, zij, zij en ik. Waar we binnen komen is het te warm.
Hij rijdt. We nemen een slok. We roken een sigaret. We rijden kronkelend langs bergen waar olijfbomen groeien.
In een dorp zegt hij: kijk, appelsienbomen.
Blijf er af. Dat zijn sierappelsienen!
Als het avond wordt eten we. We hebben het eten zelf klaar gemaakt. De houtkachel verwarmt het huis.
Daarna ga ik met haar van hem op het hoogst gelegen terras kijken naar de valleien. Het is donker, maar de bijna volle maan werpt al schaduwen op de grond. Woensdag zal ze volwassen zijn.
Terwijl we in dit gebergte ons geluk degusteren beginnen honden te huilen en roept ze: helaba.
Dan zegt ze: ik vind dat gehuil zo triestig.
Daarna zwijgen de honden en speel ik binnen op een gitaar bij hem, haar, haar en ik. We hebben een pyjama aan gedaan. Hij niet. Hij ligt nog met zijn schoenen aan in de zetel. Hij ligt daar goed.
Dan gaan ze slapen en blijf ik aan de keukentafel zitten om dit getuigenis op te schrijven.
zondag 31 december 2006
9h30: Ik wordt wakker in haar schoot. Op het dichts bijzijnd terras zit hij met haar van hem in pyjama reeds koffie te drinken. Zij van mij blijft nog even liggen.
Ik heb slecht geslapen, zei ze.
We worden overgoten met ochtendzon, badend in stilte. Alleen onze stem bepaalt hier het geluid.
We ontbijten op het achterliggend terras. Van hieruit zien we de vallei.
Ze heeft een pot gefotografeerd die ze niet meer terug vind. Achteraf bleek het een deksel te zijn.
18h: We zijn de hele namiddag weg geweest. We aperitieven. De houtkachel is aangestoken.
Het dal wordt nog half beschenen door de ondergaande zon. De honden blaffen.
Zij, hij en zij zijn binnenshuis. Ik zit te schrijven op het dakterras.
We hebben het menu besproken: inktvis, ajuinsoep, paëlla en veel drank. Traditiegetrouw zuipen we ons met eindejaarsavond te pletter.
Nu scheert het licht nog net over de hoogste bergtoppen.
De maan begint te gloeien. Ik voel intens geluk. We zijn blij om hier tezamen te zijn. Zij hebben het wat koud om bij valavond hier buiten te zijn.
Niet ver hier vandaan klinken knallen, gevolgd door hondengeblaf. Het is de voorbode van een eindejaarsfeest.
Ondertussen is het veel half uren later en zit ik buiten dicht bij de deur zodat ik hen kan horen.
We hebben ajuinsoep en scampisch gegeten. De honden blaffen weer ver weg terwijl wij hier feesten onder ons vieren. Dat hebben we altijd gedaan op een andere plaats.
De honden huilen opnieuw, net zoals eerder.
Ik zeg: de honden huilen.
Ze zegt: ik vind dat niet mooi.
De wereld viert nieuwjaar.
Ik heb een indringende looksmaak in mijn mond, in mijn keel, in mijn blinde darm.
Hier zit ik eindejaar in het schijnsel op een wit gekalkte muur onze wellust te beschrijven.
Hij, zij, zij en ik. We zijn met vieren.
Ik ga binnen en zij van hem zegt: hij van zij gaat met mij uit een vliegtuig springen. Het kost
maar honderdvijftig euro. Daarna schudt ze de paëlla door elkaar.
Echt waar, zo intens is dit feest nog nooit geweest.
En hij, hij valt niet in zijn diepe slaap.
En ik, ik wordt niet stomdronken.
En zij en zij, ik hou van hen allebei, en ook van hem.
Och ja, wat zit ik hier maar voor mezelf te vertellen. Misschien heeft er iemand anders nog iets aan.
Ze lacht, ze zegt: het is nieuwjaarsnacht.
maandag 1 januari 2007
Jawel, dit is de eerste ochtend van een nieuw jaar dat ik in mijn bloot lijf op dakniveau in een gebergte met een bromhommel in de buurt en met een schaduw van mijn pen zit te beschrijven.
Mijn hand trilt nog van de voorbije nacht. De dames liggen getwee op het laagst gelegen terras lectuur te lezen. Ik ga hen begroeten.
Oh, breng je mij een asbak, vraagt ze.
Zie dat de zon u niet verbrand, zegt de andere wanneer ze mijn winters bloot bovenlijf ziet.
Ondertussen zit hij te kakken.
Komack, hebben we nog een vierde fles whisky?
Ja, ik denk het wel.
Dan drink ik de derde fles verder leeg.
Het is feest, schrijft de schaduw van mijn pen.
Mijn blik is dertig graden Celsius rechts van Mekka gekeerd. Het middaguur komt eraan en mijn scheten stinken.
Gisteren hebben we zeven arenden zien zweven in een thermiek. Terwijl ik ernaar keek kwam mijn vogelverlangen weer naar boven.
Het deksel dat voordien een illusie van een pot bleek te zijn, ligt onbewogen op een pilaar. Deze keer vliegt er een bij voorbij.
Ik riep: schrijft men b... met een korte of een lange ij.
Met een lange ij, antwoordde hij.
Ik had maar één vraag, dus zweeg ik daarna.
Fantastisch is dit moment, omdat het geen pauze maar een afwisseling is.
Ik wroet met mijn vinger diep in mijn neus want de lucht is hier droog.
Zij leest en hij gluurt in het landschap. Op die manier heb ik hem nooit zien kijken.
Ik denk: hij kijkt naar het onzichtbare. Hij breekt iets in zichzelf. Ik zal hem er niet over bevragen. Misschien zal hij het ooit vertellen.
Zij van hem leest een boek. We zitten zwijgzaam vanboven. De wind in mijn rug scheert geur van verbrand hout met zich mee. Iemand heeft de houtkachel aangestoken. Zij van mij.
Ik kijk naar zij van hem in een neergaande zon. Mijn schaduw bedekt halvelings haar lijf.
Zie ze daar zijn, zij en hem. En zij van mij, en ik van haar. Waar is ze nu?
Ze hoest en drinkt een glas wijn. Ze kijkt in de verte en dan gaat ze weg.
dinsdag 2 januari 2007
We wachten in dauwlicht op de opkomende zon. Het is een vergissing om te denken dat Leuven in die roze gloed ligt. Vandaag gaan we naar de zee. De eelt op mijn rechter voetzool is gekloven.
16h: restaurant met terras aan het strand. Alleen inlanders komen hier eten.
Gerookte sardienen, inktvis, gefrituurde vis...eten met vier in de zon.
Nagenieten tot de zon lager gaat. Dan scheurt hij met ons langs haarspeldbochten opnieuw de bergen in. We zijn net voor het donker thuis. De afwas is nog niet gedaan!
20h: ik kijk met zij van hem vanop het terras naar de volle maan. Ze heeft een deken over zich heen gedaan.
Nu zou ik een vallende ster willen zien, zegt ze. En dan kruipt vliegensvlug een dier ter grootte van een rat over de koer. Door het maanschijnsel hebben we het gezien.
Binnen leest zij van mij een boek. Hij van haar ligt in de zetel. Niemand vind het erg dat ik halfdoof wat afzijdig ben op dit moment. Gisterenavond hebben we gedanst
en heb ik op mijn babbers gespeeld.
Ik moest van mijn moeder opnieuw trouwen voor de kerk. Zij droeg een versleten trouwkleed. Ik had mijn werkbroek en houten klompen aan. Het schemerde in de kerk. De pastoor stond op een balkon in de gewelven. Hij zei geen woord. Uit het publiek, dat niet alleen uit familieleden bestond, klonk geroezemoes. Ik hoorde
mijn moeder huilen en mijn vader schreeuwen: we komen niet naar het feest!
Onderweg vroeg een verloosd kind op een driewieler de weg. Ik was bang dat het in het verkeer zou overreden worden en nam het mee, samen met een schurftige hond langs een kronkelende aarden weg.
We kwamen mijn broer tegen maar die wou niet mee omdat verderop een slang lag te slapen. Afkerig
ging hij verder.
In het huis was een bouwvallige ruimte waar ik met haar en tien vrouwen matig in drankzucht vierde. In de deuropening was een linteel losgekomen en begon het metselwerk uit te kavelen. Er sijpelde water door.
Terwijl de vrouwen verder vierden begon ik met een truweel te metsen.
De lucht wordt roze. Ik sta als eerste op en begin de tafel af te ruimen.
Dan komt A. Ze maakt koffie. Dan komt de zon. Daarna komt hij en nog later zij van mij.
Vlakbij is een struik die op citroenkruid lijkt. In dit open bloeien van de dag verspreidt ze haar bedwelmende geur als een onevenaarbaar parfum. De nectar glinstert in haar groene blaadjes. Het is alsof deze struik ons wil verblijden.
Dankbaar streel ik haar opdat mijn hand haar geur moge dragen.
Dankbaar kijk ik naar mijn evennaasten omdat we onze aanwezigheid kunnen verdragen.
Dat de hemel onbewolkt moge blijven. Verstijfd door de nacht zitten we met onze blik naar het Oosten gericht.
11h: Ik ga te voet langs een grove asfaltweg naar beneden. De weg stopt in een klein dorp. Twee in het zwart geklede vrouwen lammeren tussen de olijfbomen. Het zijn de enige dorpelingen die ik tegen kom.
Dan begint de klim langs dezelfde weg naar boven. Mijn lichaam verhit. Het zweet druipt. Toch doet het geen pijn. Integendeel, het schept een vermoedelijk welbehagen.
Net over het middaguur ben ik terug. We brunchen met hesp, tomaten, eiersla, geroosterd brood met gepureerde tomaat en look, champagne...en push-café.
Vandaag is het heter dan voordien. Straks gaan we ergens naartoe. Ze hebben me een Romeinse heirbaan en een oude vestiging van de Arabieren beloofd.
Hij slaapt voor een half uur. Ik weet dat ik hem dan niet mag storen in zijn zalige rust. Hij zal straks rijden.
Zij en zij zijn op het laagst gelegen terras. Af en toe ga ik er langs om hun vrouwelijkheid te voelen. Ze vervullen mijn decadente ziel met vreugde, en besef ik hoe hopeloos en eenzaam dit leven zonder hen zou kunnen zijn. Zonder hen zou ik misschien een zwerver zijn die de societeit zou bavereren. Nu is het alleen mijn ongeschorenheid en af en toe drankzucht die ze moeten tolereren. Dat is de prijs die ze er voor betalen. Ik ben het lot er dankbaar voor.
Welriekende dames denken dat ze naar het zweet rieken. Zij van mij zegt: ik doe een andere blouse aan.
Zij van hem slaakt een gelukzalige zucht, en vraag ik: hoe moet ik dit nu beschrijven?
Meer kunt ge daar niet van zeggen, antwoord ze
Zij, waarvan hij het kan aanvaarden, maakt hem wakker. Nog een sigaret en dan vertrekken wij.
19h: In dit prachtig dorp hebben we vijgen en boerejongensdrank gekocht. Nu aperitieven we
terwijl we het avondmaal bespreken. Ik zit buiten net zoals eergisteren voor een witgekalkte
muur te schrijven. De avond koelt de buitenlucht maar het wordt niet koud.
Ik hoor hun spraak als een melodie zonder het te verstaan. De borden kletteren als simbalen.
Hij doet de afwas.
Weeral een zalige avondval die ons gemoed streelt als duizenden nimfen om ons heen.
En de maan, die is nu volwassen. Ik kijk ernaar. Even maar kan ik haar gloed aanschouwen.
Zij van mij komt buiten en legt haar hand op mijn schouder. De hemel is mooi, zegt ze.
Ik weet dat ze geluk voelt.
Scheer U, barbaar!
Hij heeft zich ook geschoren. Een vent met een grijze stoppelbaard en zonder tanden
brengt geen jolijt bij gesoigneerde dames. Ik wil mijn krediet in baldadigheid niet
verliezen. Het scheermes schraapt mijn kaken en kin glad. Zelfs mijn opkomende
snor gaat eraan. Ik wrijf mijn gelaat ter goedkeuring tegen hun ongeschoren vrouwengezicht.
Hij zegt: ik doe dat ook tegen mijn goesting.
De nacht voorbij. Dit wordt complete anarchie. Alleen kinderen en ezels schreeuwen nu
niet meer. Het is genoeg geweest.
24 maart 2007
![]()
Het is mistig hier. de lucht lijkt op mat glas (koepel van opaal acriliet).
Het is vochtig en als je binnen het licht niet aandoet blijft het donker.
Het is ook fris. Geen lentegeur in de lucht. Een geur van smog zelfs op de boerenbuiten.
Ik sta buiten moeilijke boomstronken te ontwrichten met een kliefijzer, een bijl en mijn
"dikke hamer".
Mijn schouder doet pijn. De steel van mijn hamer is nu afgebroken.
In de haag zit een merel te broeden en in de klimop een mus. Ze zijn niet schichtig als ik buiten kom.
Ik heb ook een krant gekocht maar die ga ik nu niet lezen. Dat is voor vanavond na het eten.
Vanmorgen heb ik vier schapenkotteletten gekocht...een kleine bloemkool, wat gehakt en tomaten. Er is nog een courget en een paprika in huis.
aan de overweg van verkeer
schuurt lawaai de tijd
gewetenloos stilte doorbrekend..
Komaan Warket, hou nu op met dat gelul en beschrijf wat ge ziet.
Bekijk dat zagemeel in dat roze lichtschijnsel en zie die verroeste kachel daar buiten staan.
Het is hier verdomme stil. Niks beweegt. Zelfs de tijd neemt een pauze. Dat kan een mens niet ontgaan. We wonen in een dorp dat verschroeit in moderniteit. Het begon toen ze die ouwe boerderij sloopten en er een appartementsgebouw bouwden. Daarna nog meer. Het dorpsplein werd geplaveid en er kwam een vijver met een fontein. Meerwaarde voor vastgoed en commercianten. Nog een paar cafés en een verkaveling erbij. De leeuwerik hoor je niet meer met al dat lawaai. Dit dorp raakt overbevolkt.
Zeg dan gewoon dat je dit dorp klote vind in plaats van tweehonderddertig letters hieraan te spenderen. Wees nu eens eerlijk: is dat echt de moeite waard?
Wie ben jij, dat ge mijn schrijfsel zomaar doorbreekt?
Ik ben wat jij geschapen hebt in uw waanzin.
In mijn pyjama kijk ik buiten naar die verroest kachel. Het is niet koud en niets beweegt. Ze heeft gelijk. Ik kan er beter naar kijken.
30 november 2003
![]()
Je ziet de dingen veel te simpel, zegt ze nadat ze naar mij op zoek is gegaan in het veld. Normaal keer ik met de fiets langs die weg naar huis maar deze keer was ik verloren gereden.Zelf vind ik dat niet erg. Integendeel, het is leuker om nieuwe gebieden te verkennen dan tv te kijken of te verstarren achter een computerscherm. De kranten brengen allang geen nieuws meer en de kinderen zijn het huis uitgegroeid.Ik was bijna tot in Mechelen gereden terwijl ik in Tervuren moest zijn. Ik kon haar bezorgdheid begrijpen.
Dat is niet meer normaal, zegt ze. Je wordt stilaan seniel. Je gaat nog eens je job verliezen.
Die ben ik pas verloren. Ik ben nog in proefperiode voor mijn nieuwe job.
Zie je wel?
Ja, maar ik heb het zo gewild.
Ik geloof er niks van. Je kan het niet meer aan. Je geschrift is ook veranderd.
Het is mooier geworden.
Maar niet volwassen.
Omdat het zijn tweede leeftijd heeft.
Jijzelf bent veranderd.
Neen, ik ben op zoek naar nieuwe dingen.
Je bent niet meer diegene die ik altijd gekend heb. Vergeet niet dat we partners zijn.
Ik heb genoeg van deze cultuur. We vergiftigen onszelf met egoïsme en onverschilligheid.
Is wat jij doet dan niet egoïstisch?
Bedoel je door verloren te rijden?
Ik was ongerust. Je had me kunnen bellen.
De batterijen van mijn gsm zijn leeg. Op de weg waren alleen bordelen en voor een telefooncel heb je een telefoonkaart nodig.
Die werken ook met proton.
Dat wist ik niet.
Waarom koop je geen wagen? Je maakt het jezelf alleen maar moeilijk door overal met de fiets naartoe te pendelen.
Een wagen is duur en we maken onszelf ermee kapot. Ik kan me de luxe permitteren om te fietsen. Zie je niet dat ik vermagerd ben?
Je ziet er goed uit.
Zie je wel?
Het zit in je hoofd. Daar maak ik me zorgen over.
Mijn gedachten zijn misschien ongewoon.
Beethoven, Van Gogh, Nietzhe, die zijn ook ten onder gegaan aan hun waanzin.
Die waren geniaal, ik niet. Ik behoor tot de middenmaat.
Ik hoop met deze valse bescheidenheid haar mildheid te hypothekeren. Het is laat, tijd voor verzoening maar nog te vroeg om mijn zonden toe te geven.
Zullen we wijn drinken?
Je zou beter iets eten.
Heb ik al gedaan in het frietkot.
Waarom heb je van daaruit niet gebeld?
Ik was bijna thuis.
Je liegt. Je weet heel goed dat in deze buurt geen frietkoten zijn. Waar heb je gezeten?
Dit had ik niet mogen zeggen. Ze wist als geen ander dat in een omtrek van vijf kilometer geen frietkoten zijn.
Ik ben halverwege gestopt om te eten maar toen was het te vroeg om je te bellen. Je zou nog niet thuis geweest zijn.
Zwijgend haalt ze uit de keuken een half volle fles witte wijn.
Je hebt al bier gedronken. Ik riek het.
Bij mijn pakje friet.
Denk aan je cholesterol. Ik wil je nog niet verliezen.
Maak je geen zorgen, ik doe mijn best. Schenk je me ook een glas wijn in?
Deze keer niet. Ik wil alles voor mezelf. Hou je nog van mij?
Niet als je zo blijft zeuren.
En ik hou niet meer van jou als je zo koppig blijft.
Laten we dan doen alsof er niets gebeurd is en opnieuw beginnen.
genadeloos opgestaan
in de ochtendlijke koffiedampen
gemaakte zucht
ordeloze, wat ontredderde, voortvluchtige geest
rusteloos op zoek in een boomgaard vol ontboezemingen

Are jou smoking?
wablieft?
rook je?
neen, lieg ik
niet meer dus?
Ze moet het gezien hebben aan de bruine nicotinevlek op mijn middenvinger
Toen ik buiten ging volgde ze me
Heb je een sigaret voor mij?
neen
Ik keek naar haar blote voeten,
zag een glimp van schoonheid in haar vertekend gelaat
ik vertrok koelbloedig in burgerlijk fatsoen
ik had haar mijn propere sokken en sandalen kunnen geven
en wat tabak voor een halve dag
ik deed het niet
ik heb spijt dat ik het niet gedaan heb
mijn spijt achteraf
Het nachtelijke uur net overschreden lukt het me nauwelijks om gedachten tot bedaren te brengen. De middernachtstreep die mijn feestcultuur uit eerdere jaren bepaalde is allang naar het onverhevene verbannen. Mischien is het de zure nasmaak van champignons met look en alcohol van vier uur geleden die me toegang tot de eeuwige jachtvelden van de slaap ontzeggen. Kriebelig lustverlangen dat elke meditatieve poging tot verdrijving weerstaat. De nacht slaat op hol.
Ik fiets naar Zoersel.
Ben je gek geworden? Het is nacht. Zoersel ligt op tachtig kilometer van hier.
Ik weet het. Dat wordt zes uur rijden. Net op tijd voor een ochtendwandeling met J.
Ik wil niet dat je gaat.
En toch ga ik.
Neen. Je vertrekt niet. Het is te gevaarlijk.
Ik vertrek wel.
Terwijl ik mijn kousen aantrek knaagt de rede aan het avontuur maar er is geen houden meer aan. Niets kan me nog tegenhouden. Het is de koppigheid van een ezelsstier, de moedige onwetendheid van een soldaat op weg naar het slachtveld, eenzame fietser bekropen door de charme van de nacht. Licht uit, deur dicht, fiets bestegen om er pas af te gaan bij het krieken van de dag. Alleen de weg ligt me slecht in het geheugen. Was het langs het kanaal of de rivier? Ik laat het aan het toeval over. Zoersel ligt in het noorden. Kan niet misgaan. De wegen worden nu nauwelijks bereden. Het is maar tot in Mechelen dat me op straat iets kan overkomen. Van daaruit fiets ik langs het kanaal naar Lier. Geen kat die daar de straat nog oversteekt. En dan verbleekt de zwarte sterrenloze lucht, zijn wolken nog bergschimmen in het noorden, daar ligt Zoersel, ontwakend uit de slaap. Luie zaterdagochtend niet aan mij besteed. De wereld geeuwt.
Wie heeft het nog niet meegemaakt. Je tuttelt je benen vanonder je lijf om 's morgens op tijd te vertrekken naar het werk, je stapt in de wagen en beweegt zich zittend voort, consequent de constant schommelende toegelaten snelheden aanhoudend en dan kom je pardoef voor een wegomlegging te staan.
Nu zijn we het stilaan gewoon dat er altijd wel ergens een opengebroken wegdek ons de weg verspert maar we verwachten daarbij dat een alternatieve weg ons in goede banen leidt. Ik ben nu niet bepaald een autofanaat met mijn vijftig kilometer per maand maar voor die ene keer dat ik met een wagen reed overkwam mij nu wat ik niet had verwacht. Ik volgde het bord 'wegomlegging' en even logisch om te geloven dat Hitler een borstel onder zijn neus had omdat geen enkel haartje op een andere plek wou groeien, stond aan het volgende kruispunt geen richtingaanwijzer meer. In zo een situatie kies ik altijd voor mijn intuitief gevoel, dus rechts of rechtdoor. Ik reed naar rechts omdat dit een T-kruispunt was.
Zo kwam ik in een dorp terecht en dacht ik: ik ga het bij de bakker vragen, maar op dit vroege uur was die nog dicht. Dan maar verder vrolijk verder draven door dit landelijk dorp. En dan zie ik in mijn opwinding verder een oranje bord: ' enkel plaatselijk verkeer, handelszaken bereikbaar'. Nou, daar kan ik wellicht wel door tot ik aan een veldweg kwam met een bord:"alleen voor landbouwvoertuigen".
De waanzin die daarop volgde wil ik in dit schriftuur aan de lezer besparen en enkel mede delen dat ik op mijn werk ben geraakt.
Mijn ouders hadden beslist om het huis op te knappen en de tuin heraan te leggen in de komende vakantie. Mijn broer en ik moesten meehelpen. Ik had er helemaal geen zin in. Ik wou op reis naar Marokko. 'Doe niet zo vervelend' zei mijn broer. Pa was in alle staten. Ma zoals altijd vol zelfbeklag. Ik was de zoon die hun in de steek liet, de afvallige zoals altijd.
's Zaterdags vertrok ik te voet naar een ver afgelegen bushalte. Ik wou naar zee om daar mijn reis te boeken. Mijn broer ging mee.
Ik miste echter de bus en wachtte dan maar aan een verderop gelegen tramhalte. De tram komt eraan. De rit kost vier euro en je moest betalen met twee stukken van twee. Terwijl ik in mijn geldbeugel zocht viel het kleingeld op de vloer. De trambestuurster snelde me te hulp. We stonden gebukt de munten van de vloer te rapen toen haar ogen toevallig in de mijne keken. Ze had mooie ogen. 'Je ziet er lief ouderwets uit met die velouren vest' zei ze.
Halverwege naar de stad waar ik de trein zou nemen, stapte ik af en liep verloren in een overdekte parking. Gelukkig kwam ik bekenden tegen. Het waren oud collega's. Kom mee iets drinken, zeiden ze. Ik hoor er niet meer bij maar toch ging ik mee naar het cafetaria van hun kantoor. Daar gingen ze in groepjes van vier zitten. De nieuwe directieleden zaten appart te vergaderen. Vreemd was dat. Ik dronk met de kuisvrouw hete chocomelk met een scheutje Cointreau. Dan ging ik verder.
Buiten stond mijn broer te wachten. L. was er ook bij. Ze had de hond en enkele kennissen meegebracht. Ik heb mijn broek niet meer aan! Met een deken rond mijn middel ging ik ernaar op zoek en vond ze algauw terug besmeurd met modder. Gelukkig had ik één in reserve mee. Ik was nu al een halve dag onderweg. Zou ik het werk verwittigen?
Onnozelaar, zei mijn broer. Het is zaterdag.
Uiteindelijk beslis ik om terug naar huis te gaan. Daar hadden pa en ma de tuin in orde gebracht. Pa was ondertussen aan het huis begonnen en ma zei geen woord. Ik zei hen dat ik niet naar Marokko zou gaan. Ze luisterden niet eens.
Plots sta ik in mijn eigen tuin. De haag is pas gesnoeid en de poort staat open. De hond is weggelopen. Ik hoor haar in de verte jankend vechten.
Er komt een ruiter heelhuids op zijn paard voorbij. Oef...ze heeft het paard niet gebeten. Mijn opluchting is maar van korte duur want nu komt er een vrouw aan de poort opdagen, wenend en bebloed door hondebeten. Aarzelend blijft ze staan. Ik breng haar naar de binnenkoer en wil een dokter bellen.
Ondertussen is L buiten gekomen. 'We kunnen haar zelf wel verzorgen' zegt ze. Ik heb nog een vaccin tegen hondebeten in de schuif.
vannacht had ik een droom die nog altijd door mijn gedachten klieft
de oorlog was uitgebroken
een overheersende oorlog met ongelijke kansen
ik was oud en zwak
de hemel had een schaduw die het landschap dreigend overgroeide
ik kon mijn blik niet meer hernieuwen
de wolken hadden geen herinneringen meer
ze smolten als schimmen
in mijn vlucht met anderen waarvan ik de identiteit niet kan achterhalen, verloor ik mijn schoeisel
dat maakte me nog hulpelozer dan ik al was
we kropen door ravijnen in rokend puin
die ooit straten met huizen waren
de angst heeft me zelden zo intens bekropen
dan werd ik wakker met mijn vingers in haar haren gedompeld
ze sliep verder
ik stond op in wakende dagelijksheid
en zit nu het beeld van mijn droom uit lucht te boetseren
zou ik opnieuw willen spelen
mijn jonge schreeuw en ik
met uitgestoken handen
zonder hoofd
in ons lied verzonken
en uiteindelijk het instrument tot zwijgen heffen


20 maart 2007
![]()
Ik ben geen mens om een ganse dag thuis te zitten, maar noodgedwongen moest ik dat nu
enkele dagen doen, geveld door griep. Buiten zijn het ups en downs. Het is mijn laatste dag
binnenshuis. Morgen kan ik weer torens beklimmen en de mensen bekijken vanop mijn fiets.
Vandaag was geen dag om vandaag te zijn. Tussen ijzelbuien in heb ik snoeihout ingebonden
voor morgen als ze het komen halen, en vuilniszakken buiten gezet, de keuken opgeruimd en
een maaltijd klaargemaakt.
Ik heb me zelfs uit verveling gewaagd aan een gedicht uit gedachten
en schrijf dit nu met een beklemmend gevoel uit faalangst op dit virtueel blad papier:
woorden in schaduw van verleden
onmogelijk schoon geboren in zijn scheppers ziel
meegesleurd door de rivier van bestaan
Ik vroeg hoe het is om tachtig te zijn
Moet je aan mijn vrouw vragen zei hij,
en zij zei: kom, we gaan naar huis.
Het is overschot van zijn en gelijk
verdronken in de rivier van bestaan.
subject: punthoofd
Ze had een vent met een punthoofd die thuis nooit iets zei. Hij was een soort chiroleider maar dan voor grote mensen
( een engagera investa temporaris). Ze hadden een baby niet groter dan een handpalm.
Een lelijk verrimpeld gedrocht dat niet eens kon huilen. Het was te koud om buiten te komen en binnen was het te warm. De godganse dag zat ik met hen opgeschept. Met hem die nooit iets zei en met haar en die mislukte boreling die mij steeds reutelend aanstaarde.
Op een keer, toen ze het niet zag, duwde ik het ding van de trap en riep: oei, hij is van de trap gevallen.
Zijn val had een been en een arm afgerukt. Ik was verrukt. Nog enkele minuten en het zou doodbloeden.
Maar tot mijn verbijstering bloedde het niet eens. Zij riep in alle staten: doe toch iets!
Het is de moeite niet, zei ik aarzelend.
Toen ze aanstalten maakte om de telefoon te grijpen duwde ik haar eveneens van de trap.
Haar ledematen lagen overal verspreid. (...wordt dit niet met dt geschreven?)
Toen kwam onverwacht en zonder kloppen Guy Verhofstad binnen. Ze zijn van de trap gevallen,
zei ik met bevende stem. Guy lachte een speetje bloot en zei: het is niks, ik zal iemand sturen om alles op te ruimen.
Boven zit er nog iemand met een punthoofd.
Die steken we dan in de stoof.
subject: vitrinekast

subject: marcel
Terwijl het nog schemert sta ik in de deuropening verscholen naar storm met regen te kijken.
Het is lang geleden dat ik Marcel nog gezien heb.
Wie is Marcel?
Wel Marcel is een mens met hart en nieren zoals iedereen en toch heeft hij iets speciaals.
Het speciale van Marcel omschrijven is zo goed als onmogelijk. Dat kan je enkel doen door
de ontmoeting met hem letterlijk te illustreren. Ziehier doe ik dan maar een poging hieromtrent:
Op 16 januari 2006 heb ik hem voor de laatste keer ontmoet, en zei hij: