
droom
Ik was met zijbijmij en vollemaan in Italië. Onze fietsen hadden we op de luchthaven achter gelaten. We logeerden in een goedkoop hotel. Wilden we naar het toilet gaan moesten we
naar de tegenoverliggende kamer. Daar stond een wc pot vlak naast een bed. Ik vond het gênant om ’s nachts te gaan plassen want in het bed sliep een vrouw die dan telkens wakker werd.
Kan je niet buiten gaan plassen, riep ze steeds.
Het was warm in Italië. Er scheen een vreemd licht.
In een tuin zag ik mijn oudste zoon. Wat doet die hier, vroeg ik me af. Zelf had hij mij niet gezien. Nog voor ik naar hem toe kon gaan was hij weer verdwenen.
De dag dat we naar huis zouden vertrekken was ik nog gauw naar de supermarkt gegaan. Het was een half uur te voet. Door mijn verstrooidheid was ik in stegen verloren gelopen.
Niemand kon mij vertellen waar de supermarkt was, tot ik de poetsvrouw van het hotel tegen kwam. Ze was met de fiets. Net op tijd, want zijbijmij en vollemaan zouden zich afvragen waar ik bleef.
We moesten op tijd op de luchthaven zijn. Ik mocht achterop de fiets. Ze reed als een bezetene langs een brede avenue tussen de auto’s door.
In het hotel was de kamer leeg. Zijbijmij en vollemaan zaten in het cafetaria op me te wachten. Opgelucht ging ik mee aan tafel zitten. Net toen het eten opgediend werd kwam een bedelaar naar ons toe.
Hij droeg een in linnen gewikkelde boreling in zijn armen die hij ons wou tonen. Vertederd kwam vollemaan dichterbij. Kijk, zei hij terwijl hij het linnen opzij schoof. Verbijsterd liep vollemaan weg.
De boreling had twee hoofden.
In het vliegtuig mocht ik plaatsnemen naast de piloot. Hij zag er beschonken uit. Tot mijn verbazing reed hij met het vliegtuig langs een veldweg. Op de landingsbaan komt de wind uit de verkeerde richting.
We zoeken de autostrade. Ik heb dat nog gedaan, lachtte hij.
Toen we opstegen kon hij net hoogspanningskabels en takken van een eik ontwijken. Dan maakte het vliegtuig een salto en viel het als een steen naar beneden.
zondag 26 mei 2008
Ik moest niet lang zoeken naar de Vanderachterstraat. Het huisnummer was ik vergeten, maar ik herinnerde mij nog de verharde verfborstel aan de voordeur die als deurgreep diende.
Atelier Dujardin, één van de smalle rijhuizen in een al even kleine straat waar sporadisch een auto zich een weg baant tussen het voetpad en geparkeerde voertuigen.
De gevel is helemaal dicht gegroeid.
In de zomer zit die vol met bijen, vertelt hij mij.
Hij stond me op het voetpad op te wachten.
Het is bijna een jaar geleden dat we mekaar nog ontmoet hebben. Zijn voorkomen is onaangetast gebleven. Nog steeds diezelfde glimlach. Functioneel gekleed, weinig tijd om naar de
kapper te gaan en vingers waarvan je niet anders kan vermoeden dat ze verbonden zijn met een of ander kunstobject.
Ik herinner me nog die dag in Toscanië, toen hij me vroeg om met hem keien te zoeken in een laagvlakte. De hele dag bracht ik hem stenen van afwisselend formaat terwijl hij die nauwkeurig
sorteerde en in een voor mij onwillekeurig patroon stapelde.
Kom binnen.
Ik heb camembert en Chileense wijn meegebracht.
Ik volg hem langs een smalle gang naar een vertrek van vier meter op vier. Het ruikt er naar lijnolie, terpentijn en andere in flessen bewaarde producten.
Voor het venster, dat uitgeeft op een minuscuul overdekt binnenkoertje, hangt de koersfiets van zijn vader. Een prachtexemplaar uit de jaren zestig. De chromé is nog intact.
De rest van het vertrek viert hoogtij met wanorde. Pas wanneer ik aandachtig rond kijk ontdek ik de souvenirs die elke vierkante centimeter van de muren en horizontale vlakken opeisen.
Dit is mijn fetisjkamer, zegt hij met een zekere tevredenheid.
Ondertussen improviseren we een tafel met schone wijnglazen en drie stoelen.
Dat is mijn grootvader aan de muur.
Je hebt hier ook drie kruisbeelden staan.
Ja. Een daarvan draagt een ivoren heilige.
Hoe is het met uw dochter? Ik heb vernomen dat je nu grootvader bent.
Er wordt op de voordeur geklopt. Een derde persoon. Gelukkig hebben we drie stoelen.
Kom erbij zitten, Jean Pierre. En hoe gaat het met u?
Bwa, het gaat. Ik heb vandaag geplamuurd en we zijn naar de biomarkt geweest.
Jean Pierre is zelden uitbundig. Volgens hem komt dat doordat de wereld zichzelf teveel onrecht aandoet. De mensen leven te oppervlakkig. Niemand heeft nog tijd om stil te staan.
Jaren geleden hebben we in Bretagne onder ons twee op een uit de zee uitstekend rotsmassief de nacht doorgebracht. Overdag, toen het water zich teruggetrokken had, gingen we er langs
een zandvlakte naartoe. Nog voor zonsondergang waren we omringd door de opkomende zee. We zagen een vuurtoren en hoorden de golven klotsen.
Die nacht heb ik als een bezetene tamtam gespeeld terwijl Jean Pierre probeerde te slapen. Het was toen volle maan in een reusachtige sterrenhemel.
Neem nog wat kaas.
Lang blijven we hier niet tezamen. Over grootse dingen wordt niet gepraat. Dat hoeft ook niet. We leven ons bestaan.
Vooraleer ik weg ga, ga ik plassen. Het toilet is boven naast de werkkamer. Die is opgeruimd.
Naast de trap hangen drie tableau’s onafscheidelijk aan de muur.
Zie dat ge die niet apart verkoopt, zeg ik nog.
Drie eigenzinnige zielen groeten tot weerziens ooit.Katrien, wat vind je ervan?
Katrien wil pannenkoek met peren
en vooral veel suiker.
Als ze dat eet drukt ze met haar suikervinger
beestelijk zacht een litteken over mijn tekst.
Dat kan je niet lezen maar zo is het wel.
vrijdag 6 juni 2008
In een droom zag ik je uitbundig dansen met een lied op een regenboog. Het beeld verdween in wolken met de vleugelslag van een schichtige vogel.
Dan leek alles weer zoals voorheen.
Ik hees een vlag uit koppigheid, wou een jeans en lange haren en voordien zat ik in een zwier naar de top dertig te schommelen. Zwierziek elke zaterdag
en nu word ik stilaan oud met al die herinneringen.
Woensdag 11 juni 2008 Scarnafigi 13h
Luister hoe de mussen ’t sjilpen
speels kwinkelen in het gloeiend middaglicht
met glijdende zwaluwschaduwen over het asfalt.
Op het terras verschuift licht de tijd
tot een oude man met zwarte mouwen
het dorpsplein aan fietst
en zijn polshorloge gelijk zet met de klok.
DE LEGE UITGESTREKTHEID DER DINGEN
Is het de lege uitgestrektheid
of uitgestrekte leegte die ik zie?
Is het het geluid van de wind die in de bomen blaast
of het geraas van de benedenstad dat ik hoor?
De beken stromen vol
met verloren zielen
tot de rivier uit haar oevers kolkt
en het laagland overspoelt.
Als de mist over de heuvels komt
naar het dal
zijn het alleen nog zwaluwen
die onvermoeid blijven dansen
tot het donker wordt.
Maandag 23 juni 2008
Een dag als deze
beeld ik me in
zomaar als een ingeving
dat het de laatste dag kan zijn.Heb ik iets gemist
of heb ik nog iets te doen?
Misschien vraagtekens vermijden
of een fout verbeteren.
Ik ga ervoor
om die laatste ingebeelde dag.In mijn laatste dag
ga ik kwinkelieren in overschot van tijd.
Het grafiet van potlood komt in beweging.
Ik lieg dat niks nog betekenis heeft
en wankel verderHet is maar een ingebeelde laatste dag…
die dag van mij.
Een tweeling zonder haar
met een kop zonder bovenlijf
en een apparaat in de schedel
De dingen ontvlamden in blauwzacht vuur
dat makkelijk met een vod te doven viel.
Ik was kwaad op haar
en zoende de tweeling op hun kop.
ze ging weg
in een labirint van verloren trappen
Maandag 7 juli 2008
Van dit potlood rest nog een duim lang genoeg om dit te schrijven. Windvlagen. De regen speelt met de zon tot een regenboog de grond raakt.
Mijn zeikstraal in haast glijdend water aan de zijkant van de weg heeft iets sierlijks in het tegenlicht. Een man kijkt om zich heen, vergewist zich
dat hij alleen is en laat een oorverdovende wind. Het is dertien uur vijfenveertig.
Ik zie drie autistische vrouwen op een heuvel naar iets onzichtbaar kijken. De windman staat nu vlak voor mij. Zo dichtbij zie ik zijn grote ogen.
Hij neuriet en ik zeg: ‘Ik begrijp het niet’. Dan voel ik één van de vrouwen aan mijn rug gestrengeld. De man fluistert: ‘Ge begrijpt het niet mijn lied’.Zaterdag 16 augustus 2008
Ik had in een bos, aangrenzend aan een kasteel, een boom gerooid. Omdat dit in de illegaliteit gebeurde besloot ik om als het donker werd de stam in
stukken te zagen en met de stootkar naar huis te brengen. Rond middernacht was de klus geklaard en duwde ik langs een bospad mijn kar voor me uit.
Ik werd verrast door een groep bedevaarders die dezelfde weg volgden.
's Anderendaags werd ik op het kasteel ontboden. Tot mijn verbazing mocht ik aanschuiven aan een rijkelijk buffet en werd zelfs verzocht om aan tafel
plaats te nemen naast de kasteelvrouw. Ze vroeg me of ik mijn schrijfgerief meegebracht had. Het was de bedoeling dat ik het feest zou beschrijven voor
haar overleden minnaar. Per vergissing dronk ik van mijn inktpot en werd prompt van tafel weggestuurd.
Het was bijzonder moeilijk om de uitgang te vinden. Een doolhof van lege ruimtes en brede stenen trappen met hier en daar verdwenen treden.
Een dame zonder gelaat opende een deur die uitgaf op een marktplein. Ik herkende deze plaats. Er stonden grote luidsprekers waaruit gedichten klonken.
Ik vroeg aan een toeschouwer waar de dichter was.
'Die staat achter het stadhuis' antwoordde hij.
In een zijsteeg achter het stadhuis zag ik Herman aan de microfoon.
'Ik wil mijn publiek niet zien' zei hij.
Herman was aan een pauze toe. Ik had een fles Cognac meegepikt uit het kasteel.
Ook een slok of ben je nog steeds af van de drank?
Daarop graaide Herman de fles uit mijn handen en dronk ze in een teug leeg. Dan zeeg hij neer.
Ik riep door de microfoon dat de voorstelling afgelopen was.
Net toen ik me uit de voeten wou maken liep ik de burgemeester tegen het lijf. 'Dit zullen we maandag bespreken' zei hij streng.
Zaterdag 30 augustus 2008
Nu de dagen korten hebben de mieren het huis verlaten en kruipen de slakken bij dageraad over de stenen vloer. Elke ochtend zet ik
hen zorgvuldig een voor een opnieuw in de tuin. De grijze merel zit aan de suiker.
We eten pens met appelmoes. Zoon komt thuis. Hond kucht. Ik ruik het zweet aan mijn hand, kijk naar een borstbeeld met een navelbuik.
De klokken luiden met voetstappen op de kassei.
Zal ik nog wat klimop wieden of een fles 'Pineau Des Charantes' ontkurken voor ons twee?
Snuit je neus en kijk in de zakdoek of er geen bloedsporen achterblijven.
Ze vertelt over een vent. Zoon eet nog een pens. Ondertussen proef ik het gif van een dronken bij in mijn glas. Nadien nog de ladder op.
Zou je niet beter het strijkijzer herstellen?
Als het regent. Zie deze tafel zo besmeurd met bloed, wijn en etensresten nonchalant gepatineerd. Ze heeft een avondkleed aan gedaan
en zit vlakbij. De chirurg komt in zijn luxewagen voorbij. Zijn keffer blaft. Hij is bang om zomaar de kier van een deur open te duwen.
Niemand heeft haast.
De laatste mens zaterdag 13 september 2008
In deze ochtend pikken zeven raven nog gauw vergeten graankorrels uit omgewoelde grond tot de zon plots een schaduw over de aarde
schuift, hanen ophouden met kraaien en hondenteven beginnen te janken in het vale lichtrestant. Het is genoeg geweest met die twijfelende
zekerheden. Eindelijk scheurt, kraakt het land een verkorte dag…de laatste mens.In het dorp waar ik opgegroeid ben zou een trein komen die de mensen ergens heen bracht. Ik verkoos echter om met een mountainbike te gaan.
In het begin verliep de tocht moeizaam. De straat leek wel op een gerimpeld tafelkleed dat voortdurend verschoof. In het halfdonker reden
tractoren heen en weer.
Toen ik aan een hypodroom arriveerde kwam het daglicht op. Gilbert Aché stond me op te wachten en had tickets mee. Eens plaats genomen
op de gradins van het stadion vroeg ik hem: ‘Wordt dit een paardenkoers?”.
“Neen, ze gaan hier voetbal spelen” zei hij.
Plots kwamen twee bekenden erbij waarvan een van hen zei: ‘Je hebt gisteren een trappist gedronken. Drink niet zoveel’.
Door het feit dat ik hier niet op een paard kon wedden besloot ik om te gaan fietsen. Om bij mijn mountainbike te geraken moest ik de lift nemen.
Eens beneden begon iemand mijn oud fototoestel uit elkaar te halen.
Wees niet ongerust, ik heb hier verstand van.
Toen hij het terug in elkaar had gezet begon het toestel met een vrouwelijke stem te lachen en riep: ‘Ik ben opnieuw nieuw! Waarom heb jij dit
niet eerder gedaan?’.
‘Wat doe jij hier. Waarom zat je niet op de trein?’ vroeg zijbijmij die op een tabouret naast mij kwam zitten.
Ik ben met de fiets gekomen en neem nu de trein.
We vertrokken tezamen. In het station verloren we elkaar uit het oog. Ik besloot dan maar willekeurig op een trein te stappen en wisselde in elk
station tot ik mijn geboortedorp herkende. Ik stapte af en kwam in de struiken terecht. Er waren spoorarbeiders aan het werk die me aanmaanden
de berm te verlaten. Ik vroeg aan één van hen of mijn grootmoeder nog leefde waarna ik een met steengruis bedekte helling af liep naar het
grootoudershuis. Op de stoep zei iemand die me nog herkende dat mijn grootmoeder naar de bakker was. In afwachting at ik alle rijpe aardbeien
uit de tuin en besefte te laat dat ze hiervoor boos zou zijn omdat ik er geen bruine suiker op deed. Toen ze niet opdaagde ging ik te voet naar huis.
Aan de voordeur zei mijn zoon:’ Ze is ongerust geworden en is op zoek naar jou’.Tussen duim en wijsvinger eerst die gehoorapparaten uit. Er is hier teveel lawaai. Nu nog een paar Romeinen verslaan, oceanen bevaren
in een hevige storm en daarna maak ik kip met knoflook klaar. Het motregent buiten, het is grijs en vaal. Een duimreuk maakt dat wel goed.Zondag 5 oktober 2008
Ik was op stap met collega’s toen we op een bouwwerf van mijn vroegere werkgever kwamen. De machines draaiden en geroep. Ik zag hoe
de kraanman een krat wijn naar boven hees. De werfleider herkende me meteen. Hij vond het vreemd dat ik met collega’s op werfbezoek kwam.
Ik vertelde hem dat het puur toeval was.
In de werfkeet kwamen we de projectleider en de zaakvoerder tegen. Verdiept in bouwplannen gedroegen ze zich wantrouwig over onze aanwezigheid.
Plots wendde de zaakvoerder zich tot mij en zei op een toon die ik herkende :
“Ofwel ga je opnieuw voor mij werken ofwel verlaat je deze werf”.
Ik voelde opnieuw de hel in die laatste jaren en bedankte voor het aanbod waarna we verder gingen.
In de vooravond als iedereen weg was kwamen we terug. We hadden een slaapplaats nodig. Het hek hadden ze vergeten dicht te doen en de deur
van de werfkeet stond open. Net toen we bijna sliepen knetterden blauwe vlammen uit de stopcontacten. Hals overkop vluchtten we in het donker
langs de bouwputten naar de uitgang. Die was nu gesloten. Plots begonnen motoren te ronken en kwamen de graafmachines in beweging. De nachtploeg
ging aan het werk. Zonder dat iemand het zag konden we over het hekken klauteren en verdwijnen in het veld. Daar stelde ik vast dat ik mijn boekentas
in de werfkeet vergeten was. Ik liet mijn collega’s verder gaan en keerde terug. De projectleider zat me op te wachten. ‘Dat had ik van jou niet verwacht’
zei hij. ‘Kom je dan toch terug bij ons werken?’
‘Ik heb hier vannacht geslapen en vergat mijn boekentas mee te nemen’ bekende ik.
10h21: storm en regen buiten. De houtkachel smeulde nog vanmorgen. Ik heb zin in een broodje confituur. Daarna dweilt iemand het hondshaar
van de vloer. Vanavond eten we ajuinsoep.
De zoon is opgestaan en ligt in de oude lederen fauteuil met zijn knokige voeten voor het vuur. Neuspeuterend staart hij voor zich uit.
Wat een rotweer. Het riet waait tegen de grond. Alles is nat. Geen raaf die uit een boom komt.
Zullen we in die windvlagen gaan wandelen?
Neen, zelfs de hond krijg je nu met geen stok buiten.
Hou op met dat gezeur over het weer. Morgen staken ze tegen welstandsverlies. Wablieft?
Om vijf voor twee zie ik mensen naar hun uurwerk kijken. Afspraak om veertien uur. Ik zal zo laat zijn dat het een gemiste afspraak wordt.
Er stopt een lijkwagen vlak bij mij. Ik sta immers aan de ingang van een begraafplaats. De kistdragers stappen plechtig uit. Ze dragen lange
donkergrijze jassen van kwaliteit. De ceremoniemeester is gehuld in een blauw pak. Er is geen publiek, geen enkele nabestaande…ik maak me
uit de voeten om deze vijfmansplechtigheid niet te verstoren.
Mathilde leeft nog. Ze heeft me getoond hoe ze haar vangst verorberd en zich daarna in kieren verschuilt.
Donderdag 16 oktober 2005
Weet je wat ik neig vind aan dit leven? Dat het zo tijdelijk is. Ben ik dankbaar dat we hier vier seizoenen hebben, ons gedacht kunnen
zeggen en met drinkbaar water uit de kraan onze handen wassen.
De telefoon maakt lawaai. Het is vollemaan die voor alle zekerheid vraagt of we de brunch van zondagmiddag niet vergeten zijn.
Neen. Zal ik HAAR roepen?
Een kwartier later is zijbijmij met vollemaan nog altijd aan het communiceren. Ook dat is neig.
Rond vijftien uur was de hemel blauw geworden en werd het fris. Het duurde een uur later dan gisteren voor het donker werd. Enkele
dagen geleden was het volle maan in een heldere hemel. Ik ben er 's nachts doorheen gereden. Je kon de veldweg en de omgeving in dat
maanlicht zien. Ook dat is neig.
En in de vooravond liepen zes fazanten op de weg tot er een tractor kwam. Toen ze wegvlogen trokken ze hun poten in zoals eenden dat doen.
Dan keer ik terug in de oertijd en zie reuzenvogels over dit landschap vliegen. En die telkens opkomende zon, dat is om helemaal gek van te worden.
Ik...smeek nu aan joelende wind dat de inkt op mijn pen niet vergaat. Met mijn duimen vlieg ik, daal ergens neer bestemd in een landschap
waar grenzen zijn en drink hete melk met honig in. Ik heb geen evenwicht meer. Ook niet aan een vreemd verlichte tafel. Alles is nu een
wild beest geworden.
Jager, nog voor ik mijn doelen mis voorbij de maan, vervolmaak mijn leven in een plotselinge dood vooraleer duivels wankelend
op hun wieken breken wat hier niet geschreven staat. Er hangt houtskoolgeur in wind. Ze tekenen een wapenbestand. Gehuld in strakke
vesten klimmen ze naar het schavot dat de toekomst gaat herverdelen met andere heersers.
Aan de koelkast vraagt hij wie de garnaalkroketten opgegeten heeft. Ik vannacht. Hij mompelt een Franstalige vloek. Mijn inktvod raakt verzadigd.
Ik trek mijn houten klompen aan.
dinsdag 2 december 2008Die teef veroudert sneller dan ik. Ze is halfblind, ik halfdoof. Als we weg gaan botst ze tegen een obstakel. We slenteren aan een leiband…
beiden aan een uiteinde. Ik leid de weg, zij houdt mij in evenwicht.
Het is kil rond de graven aan het kerkgebouw. Niemand op straat. De valken vliegen boven het wolkendek. Dichtbij is een plein, een vijver
met vissen zonder reigers en een neuspeuteraar. Met maanlicht op een blad papier aan een verweerde tafel had ik mijn best gedaan te vinden
dat elke waarheid in een ongewilde leugen schuilt. Vandaag heeft de waarheid haar bestaan verloren, verwerp ik…herschep ik haar de wereld
herschikkend.
Nu, in een tijdspanne later ligt ze met uitgestrekte poten en half dichtgeknepen ogen op de stenen vloer. Ik weet dat het daar tocht. Zij voelt
het niet. Ze vervaagt in een hondsslaap.
Gisteren was ik met koorts vroeg slapen gegaan en belandde samen met zijbijmij in een dorp. Het moet in Frankrijk geweest zijn want de
bewoners spraken er Frans. We waren te voet gekomen. Onderweg had ik mijn zoon op mijn schouders gedragen. Bagage hadden we niet mee.
We hadden onderdak gevonden bij een groot gezin. Wij sliepen boven in een kamer waar een tafel stond maar eten moesten we beneden doen.
s’ Nachts begon mijn zoon luidruchtig te spelen. Er was geen houden aan, zelfs toen de eigenaar op de kamerdeur bonkte en iets onverstaanbaar
bromde. Eindelijk, toen mijn grootmoeder uit het hiernamaals in de slaapkamer kwam werd hij rustig. Ik hoorde mijn vader beneden in vlot Frans
met de eigenaar praten. Wat doet die hier, vroeg ik me af. Hij had mijn moeder al meerdere keren verlaten maar in Frankrijk was hij nooit geweest.
De ochtend nadien waren we vroeg opgestaan. Beneden sliepen ze nog. Zijbijmij ging naar de bakker in het dorp. Mijn zoon en ik maakten ondertussen
een groot schilderij dat we beneden in een kamer aan de muur hingen. Toen de dochter van de eigenaar ging plassen gebood ze ons het schilderij
meteen van de muur te halen en het behangpapier niet te beschadigen. Tot mijn spijt en schrik merkte ik dat mijn zoon het aan de muur had gelijmd.
Bovendien had hij ook in zijn bed geplast. We zouden hier een fikse schadevergoeding moeten betalen.
Ik vroeg aan de dochter om op mijn zoon te passen. Ik wou zijbijmij in het dorp gaan zoeken. Het was niet haar gewoonte om zo lang weg te blijven.
Eens buiten zag ik op het einde van de straat mijn versleten bromfiets staan waarmee ik nog naar Griekenland was gereden. Ze hadden er de
benzinetank afgenomen. Langs een kerk en een voetbalveld kwam ik in het dorp terecht. De mensen verplaatsten zich op kamelen en ezels door
de stegen. Het rook er naar mest. Hoe verder ik ging, hoe drukker het werd. Er werd handel gedreven door Afrikanen en Chinezen. Tevergeefs
vroeg ik hen of ze geen vrouw hadden gezien met lang zwart haar. Niemand had haar gezien. Ik besloot dan maar terug te keren en liep verloren.
Telkens kwam ik op dezelfde hoofdweg terecht die naar de stegen leidde. Wanhopig ging ik op het voetpad zitten tot een kameel me vroeg wat er
scheelde. Hij bood me aan me terug te brengen. Hij kende de weg. Dan begon hij te schaterlachen en stoof in galop een helling af tot aan het huis
waar we logeerden. Zijbijmij zat aan de ontbijttafel en vroeg waar ik zo lang gebleven was.
hazen schuilen 's nachts in voren
vreten en spelen voor wij wakker zijn
en soms in ochtendgloren of bij volle maan
gestrikt door zachte wreedaarden
nu slurp ik het gestoofde vlees van een hazenrug
niets ontziend met een volschonk glas wijnwaar de huizen in rotswoestijnen staan
gebouwd op drakenholen
waar het de ganse dag schemert
mensen schichtig en zwijgzaam zijn
daar bevind zich de wereld in mijn dromen
mijn toevlucht om te biechten te gaan
waar lieflijke paarden
mij beschermen tegen loslopende stieren
kamelen mij de weg wijzen langs een verloren pad
daar bevind zich de wereld in mijn dromen
mijn toevlucht om angsten te overwinnen
langs een trap en stoffige ruimten
daal ik af naar een andere wereld
geschapen door mezelf
waar ik kan vliegen zonder vleugels
naar de aarde kijk
en de sterren zich laten strelen
dat is mijn wereld in dromen
waar geen verantwoording noch liefde bestaat
waar overwonnen angst mij zo kwetsbaar maaktben ik vader van mijn kinderen
minnaar van zijbijmij
niets is anders geweest
in deze wereld van gecontroleerde dwaasheid
Maandag 29 december 2008
Er sluipen gestoorde poezen met jongen in half gesloopte huizen aan de rand van braak liggende grond bevolkt met muizen. Om daar te
geraken moet je door een lange slecht verlichte gang met veel portalen. De kattenjongen gedragen zich agressief.
We wachten op het daglicht. Marcos is zo gelukkig en beschonken dat hij mij op het voorhoofd kust. Er komt iemand met een beladen
muilezel uit het gebergte. Het pad is zo smal dat de man achter de muilezel loopt. Bergopwaarts houdt hij de staart vast.
9h: Ik ga inkopen doen voor het ontbijt. Het dorp in de nevel is verlaten. Als ik terug kom zitten ze met koffie aan tafel. De melk die ik
meebracht blijkt slagroom te zijn en het spuitwater limonade dat naar ezelspis smaakt.
14h: Marcos, kijk niet achterom. Achter u zit een beeldschone vrouw.
Aartslelijk. Net alsof ze pas bij de tandarts is geweest, zegt zijbijmij.
Ze eet zelfs met haar vingers, antwoord ik.
Nu draait Marcos zich discreet om, steekt een wijsvinger in zijn mond en begint te schaterlachen. Ik kan het niet verhelpen. Ze blijft gevangen
in mijn gluren. Als ze tenslotte van tafel gaat ziet ze er jongensachtig uit.
16h: Kijk, appelsienbomen.
Blijf er af. Dat zijn sierappelsienen!
Nu nog is haar verschijning niet vervaagd. Marcos slaapt in de zetel. Buiten is het stil, of neen, er kraait een haan. Ik had hem vanmorgen
ook gehoord met drie jonge poezen. Vollemaan heeft hen toegesproken. De klok luidt vijf keer.
Ga je mee naar het kasteel? Het is maar een korte stijle klim. Er zijn restanten vanuit de zevende eeuw toen de Moren er heersten. Aan
de schietgaten blijven we staan en voel ik de krijgers stormlopen onder pijlenregens en pek. Beneden is een begraafplaats met plastieken
bloemen zonder herfstbladeren. Ze hebben hun doden in gemetste schachten opgebaard bij gebrek aan aarde. De dorpsbewoners komen eraan.
Net voor het donker is zijn we thuis. We hebben sprokkelhout gevonden en een brood gekocht. Welriekende dames denken dat ze naar
het zweet rieken. Ze doen een andere blouse aan.
20h30: Er roept een uil vanuit het gebergte. De houtkachel verwarmt het huis.
Ik zit buiten onder een spaarlamp te schrijven. Zijbijmij komt buiten en legt haar hand op mijn schouder. De hemel is mooi, zegt ze. De poezen
zwerven rond. Ondertussen maakt vollemaan groentesoep klaar. Na de soep spelen we een spel dat ik bij voorbaat verlies als de tegenwoordige
tijd van een kwamkwammer een komkommer is. Daarna ga ik met haar van hem op het hoogst gelegen terras kijken naar de valleien. Het is
donker, maar de bijna volle maan werpt al schaduwen op de grond. Woensdag zal ze volwassen zijn. Nu zou ik een vallende ster willen zien,
zegt ze. Dan kruipt vliegensvlug een dier ter grootte van een rat over de koer. Door het maanschijnsel hebben we het gezien. Terwijl we in dit
gebergte ons geluk degusteren beginnen honden te huilen en roept ze: helaba.
Dan zegt ze: ik vind dat gehuil zo triestig.
Woensdag 31 december 2008
Er kropen schorpioenen rond en een slang had zich rond mijn pols gekronkeld. Ik hoorde mijn petekind schreeuwen. Telkens als ik me
omdraaide verdween het tafereel.
Ik heb slecht geslapen, zegt ze.
Scheer U, barbaar! Hij heeft zich ook geschoren. Een vent met een grijze stoppelbaard en zonder tanden past niet bij gesoigneerde dames.
Ik wil mijn krediet in baldadigheid niet verliezen. Het scheermes schraapt. Ik wrijf mijn gelaat ter goedkeuring tegen hun ongeschoren
vrouwengezichten. Hij zegt: ik doe dat ook tegen mijn goesting.
De nacht is voorbij. Dit wordt weer complete anarchie. Druipnat klief ik door regenwolken om een brood. Daarna is de tafel gedekt met
eieren en confituur.
Nu drijft wind de mist weg. ’s Middags breekt de zon erdoor. We schenken onszelf een druppel uit. Buiten ruikt het naar houtsvuur en
binnen naar het kieken dat in de oven staat te stoven. Ze steken een keukenhanddoek in het wasmachien. Frieten maak ik morgen klaar.
Oh, breng je mij een asbak, vraagt ze.
Hebben we nog een vierde fles whisky?
Ja, ik denk het wel.
Dan drink ik de derde fles verder leeg. Het is feest, schrijft de schaduw van mijn pen.
Schrijft men b... met een korte of een lange ij?
Met een lange ij, antwoordt hij. Ik had maar één vraag, dus zweeg ik daarna.
Hij staart in het landschap. Op die manier heb ik hem nooit zien kijken. Ik denk: hij kijkt naar het onzichtbare. Hij breekt iets in zichzelf.
Ik zal het hem niet vragen. Misschien zal hij het ooit vertellen.
De wind in mijn rug scheert geur van verbrand hout met zich mee. Zijbijmij heeft de houtkachel aangestoken. Ze drinkt een glas wijn en
kijkt langs de open deur.
Naar de avond toe is de mist in het dorp opnieuw opgekomen…zijn de wolken binnen gedrongen, klam maar niet koud. Vollemaan is in
het huis gebleven. Wij kopen de ingridiënten voor het avondeten. Wanneer we terug zijn heeft ze de tafel met bloeisel versierd.
Met tussenpozen ga ik in de wolken staan en hoor het binnenshuis plezier. Het knalt in het gebergte doch de honden huilen niet.
Ik roep: de honden huilen niet. De wereld viert eindejaars. Met een indringende looksmaak in mijn mond, keel, en blinde darm zit ik in
het schijnsel op een wit gekalkte muur onze wellust te beschrijven. We zijn met vier. Ik ga binnen en zij van hem zegt: hij van zij gaat
met mij uit een vliegtuig springen. Het kost maar honderdvijftig euro. Daarna schudt ze de paëlla door elkaar.
En hij, hij valt niet in zijn diepe slaap. En ik, ik word niet stomdronken.
Ze lacht, ze zegt: het is nieuwjaarsnacht.
Woensdag 17 januari 2009
Een glimp naar de toekomst kijken langs een kier, het nachtlicht voorbij. Er klinkt oorgesuis in het huis. Straks komen ze in de koude
ochtendlucht een voor een naar buiten. Twee beminnelijke vrouwen en een man met verkrampte tenen. De deur en ik staan open.
De kou botst tegen de warme binnenlucht. Niemand heeft zin om op te staan.
Er hangen wervelstormen in de lucht en het bos raakt overbevolkt. We gaan weg naar een land zonder naam. Aan mijn pols sabbelt
een schurftige hond. Er steekt een duizendpoot half in.
Van mijn moeder moest ik opnieuw trouwen voor de kerk. Zijbijmij droeg een versleten trouwkleed. Ik had mijn werkbroek en houten
klompen aan. Het schemerde in de kerk. De pastoor stond op een balkon in de gewelven. Hij zei geen woord. Uit het publiek, dat niet
alleen uit familieleden bestond, klonk geroezemoes. Ik hoorde mijn moeder huilen en mijn vader schreeuwen: “We komen niet naar het feest!”
Onderweg vroeg een verwaarloosd kind op een driewieler de weg. Ik was bang dat het in het verkeer zou overreden worden en nam
het mee langs een kronkelende aarden weg. We kwamen mijn broer tegen maar die wou niet mee omdat verderop een slang lag te slapen.
Afkerig ging hij verder.
In het huis was een bouwvallige ruimte waar ik met haar en tien vrouwen matig in drankzucht de trouw vierde. Het linteel in de
deuropening was losgekomen. Er sijpelde water door. Terwijl de vrouwen verder feestten begon ik met een truweel te metsen.
Onnozelaar, dacht mijn broer. Het is zaterdag.
Woensdag 21 januari 2009
op de terugweg
doofde het noodlot genadeloos jouw licht
in een undefined sterrenbeeldtot ziens
de lente komt eraan,
herkennen we jouw glimlach in het bloeisel,
schaterlachen we huilentranen
in tristesseals heidenen
maken we een graf
een rustplaats voor jou
in onze gedachtentot ziens
onderweg
Tekraw
Hallo?
Is er nog leven in dit heelal?
Wacht! Heb je dat gehoord?
Wat?
Die stem.
Neen.
Luister, ik hoor het opnieuw.
Het is je lichaam dat je hoort. Wat is jouw naam?
Ik heb nog geen naam. En hoe noemen ze jou?
Tekraw.
Mag ik je Tek noemen?
Raad eens...als ik je tek mag noemen noem ik jou War. Laten we een lied schrijven.
Puur chance noemen we dat hé Tek?
Ja, natuurlijk War.
(refrein) warket.tekraw, wartek, tekrawik...
Wat vind je van deze ruimte?
Hoezo?
Dit heelal.
Complete stilte. Een lege snelweg. Wat doe jij hier trouwens?
Ik ben hier net zoals jij. Tek en War. Warket en Tekraw. Gek he? Het zou evengoed Tekkram kunnen zijn. Of Warklep.
Ze is met hem op dit ogenblik gaan winkelen. Stel je voor dat ze niet thuis...
Tjuuut..heb je dat gehoord?
Neen, wat zeiden ze?
Trollen.
Trollen?
Ja, het heeft iets met internet te maken.
Internet?
Ja, communiceren War.
Ah ja, dat ken ik. Heb je geen zin om het oneindige eindig te maken Tek?
Neen. Laten we ons refrein nog eens zingen. warket.tekraw, wartek, tekrawik...
Hoor je dat weer War?
Wat?
Die stem.
Neen.
Je moet hieraan nog wennen Tek.
Hoe ben jij hier terechtgekomen War? Ik herinner mij nog dat ik met het galgenkoord rond mijn nek naar de hemel bleef kijken. De
overstap is niets geweest. Ik heb er niets van gevoeld.
Hoe lang ben jij dan hier?
De tijd bestaat hier niet Tek.
We hebben toch zonet een lied geschreven War?
Hoelang is zonet Tek?
Zolang het nodig was War.
Neen Tek. Zonet was allang genoeg om onnodig te zijn. Herinner jij nog het moment toen je naar hier keek? Je zag een tip van de sluier.
Wat doe jij hier War?
Ik heb een doel Tek. Ik wil het eindige in deze oneindigheid begrijpen. Ik moet nog het verband tussen iets en niets leren kennen.
Weet je nog War?
Ja Tek.
Ik ben moe War. Ik wil slapen en dromen.
Dat kan niet Tek. Dit IS een droom.
Donderdag 29 januari 2009
Ik heb de wagen aan de abdij laten staan en ben langs de landerijen naar de stad gegaan. Het vriest in de zon. In een winkelstraat blijven drie
bejaarden (een man en twee vrouwen) verbeten staan aan een huis dat in stofwolken onder de sloophamer bezwijkt. Weeral iets dat verdwijnt.
De machine schraapt een ééndagsklus. Een zigeuner- accordeonist die wat verder met blote vingers speelt hoor ik niet.
Vijf straten verder is een buitenterras, een verzamelplaats voor studenten. Ze eten er soep, slaatjes…of een croque monsieur met ketchup. Op de
stoelen hangen wollen dekentjes die je over je schouder kan trekken tegen de kou. Voor mij een chilli concarné en een blauwe chimay. Je ziet de
recessie nog niet in de straat.
Ik leg mijn zonnebril op tafel, doch bedenk mij en zet hem weer op. Ik zou hem anders toch vergeten na het eten. Ik blijf hier zitten tot de dag
begint te slijten. Mijn vinger ruikt om een nog onbekende reden naar hondenkak. Wat u niet ziet is hoe mijn rechterhand deze woorden schrijft.
Wat u niet weet gaat over een oude vriend. Hij zit gevangen in iets dat hij niet begrijpt. Hij schaterlacht en soms is hij lastig. Hij is op een andere
manier zichzelf. Ik was bang om hem te ontmoeten. Toen we in zijn kamer kwamen was hij er niet. Het was halfvier en volgens de verpleegster
zou hij na de therapie, die tot vijftien uur duurde, al terug moeten zijn.
Eerst ijsbeerden we benieuwd, dan in de gang tot we besloten naar hem op zoek te gaan. Hij herkende me niet meteen toen hij in een rolstoel
uit de lift kwam gereden.
Kunt ge opstaan en u voort bewegen?
Hij greep mijn hand en we deden tien stappen. Dan liet ik hem los en zag hoe hulpeloos hij was.
Ik luisterde naar de onzin die hij vertelde bij de champagne.
Eet u geen indigestie met die pralines…we trekken streepjes op de muur.
We schaterlachten.
Kom, we gaan op café.
Toen ik hem zijn jas aandeed sloeg hij woorden neer alsof het op een aambeeld was: ’ Ge stinkt naar de tabak’. Voor hem geldt een resterend
rookverbod. Eens buiten kwam een jonge verpleegster aangelopen die zei dat het verboden was om zonder toestemming van de balie met een
patiënt het pand te verlaten. Geef dan toestemming… stoven we verder.
Ik heb veel lieven gehad…glunderde hij.
In het café deed iedereen zijn best om ons met een rolstoel binnen te laten.
Heb je gehoord wat ik zei?
Neen.
In het vervolg nemen we een vliegenmepper mee’.
Kort daarna nam ik afscheid van hem en zei hij: ‘allee, het feest begint pas, maar toch merci’. Ze brengen hem wel terug. Het is voorbij…alsof het
nooit anders is geweest.
Een paar dagen later verliest een kraai haar schraapsel, draait ze in scheervlucht om en verliest ze bij het opstijgen opnieuw haar buit.
Vlakbij kamperen zigeuners, lopen vrouwen in gevlochten haren met kinderen om zich heen.
Ik kijk met smeltende sneeuw in mijn ogen. De kou kleeft aan mijn kin. Ik wil met een mes een wilgentak afsnijden en een wandelstok maken.hazen schuilen 's nachts in voren
vreten en spelen voor wij wakker zijn
sterven soms in ochtend of bij volle maan
gestrikt door zachte wreedaarden
slurp ik het gestoofde vlees
niets ontziend met een volschonk glas wijnik wil nu bij iemand zijn
desnoods bij een onbekende slapen gaan
mijn wil schrapen uit een boudoir
woensdag 25 februari 2009
’s Avonds op stap kwam ik voorbij een gebouw dat met schaduwen verlicht was. Het bestond uit meerdere torens overkoepeld met glas.
Het leek op een modern paleis. Hoewel het donker was kon ik de omgeving duidelijk zien. Er hing een nevel die langzaam bewoog. De zon,
de maan en nog andere hemellichamen zweefden erin. Vreemd genoeg verspreidden ze geen licht. Het was als een uitgedoofd heelal dat tot
in de aardatmosfeer gezakt was in vredige stilte. Dan zag ik grote luchtbellen met heiligen erin die me roerloos aankeken. Ik kon ze net
niet aanraken. Toen ik begon te zweven werd ik wakker, viel opnieuw in slaap en kwam bij een collega terecht. Hij was druk bezig met een
architect. De plannen lagen verspreid over de vloer. Hij wou dat ik hen hielp. Ik moest echter naar een verjaardagsfeest van mijn zoon dat
reeds in de kelder begonnen was. Zijn vriendjes hadden speelgoed meegebracht. Mijn moeder, die voor het eten zorgde, maande me aan om
in het vervolg op tijd te komen. Ik fotografeerde de aanwezigen in hun spel. Toen mijn vader de foto’s zag schold hij me uit voor pedofiel.
Ik werd opnieuw wakker. We weten dat er iets anders is maar wat precies weten we niet, zei ik luidop waarna zijbijmij me porrend zegde
dat ik luidop aan het dromen was.
Met een gelaat vol rimpels en een stoppelbaard was ik opgestaan. Mijn haren en wimpers zijn te lang.
Doe ik gehoorapparaten in?
Neen, dat hoeft niet. Wij praten toch niet met elkaar.
Dan doe ik mijn ogen dicht en voel haar schaar en vingers in mijn haar. Zalig is dat. Af en toe bekijk ik haar in de spiegel. Haar buikje is
verdikten haar tepels drukken door haar blouse. Zou ze zwanger zijn? Ik durf het niet te vragen en sluit opnieuw mijn ogen.
Op de terugweg trekken ze voren in de berm opdat zigeuners er niet zouden kamperen. Een ouderling verdeelt de mest over het land.
Noch de vleugelslag van een kraai of het spurten van een vogeldier gaan dit vermijden. Zangzindig ruik ik aan mijn duim.
Hoe-hoe kirt een duif. We zouden haast het beestige vergeten.
Een andere keer was ik op vakantie met mijn ouders en mijn vriendin. We verbleven samen met andere mensen op een boerderij.
Aanvankelijk was er een losbandige sfeer maar naarmate de dagen verstreken werd de boer grimmiger. Zo werd er geen eten meer
opgediend na twintig uur, moesten we zelf opruimen en mochten we niet meer op de erf. Die moest plaats maken voor de tractoren.
De boer begon de stallingen te verbouwen.
Er restte nog weinig plaats voor ons. ’s Avonds reden de machines heen en weer. Tijdens een wandeling bevonden mijn ouders zich
samen met mijn vriendin aan een rivier. Ze hadden de hond meegenomen. Ik liep langs een hoger gelegen pad. De hond wou me
bereiken en sleurde mijn vriendin in het water. Ik voegde me bij hen. Laten we naar het theater gaan, daar kunnen we zowel buiten
als binnen voorstellingen bijwonen. Buiten was het kermis. Aan tafel dronk mijn vriendin telkens mijn bierglas leeg, ookal lustte ze
normaal gezien geen bier. Ik heb grote dorst, zei ze. Ik ging langs een brede houten trap naar boven en kwam langs kleedkamers
achter de coulissen terecht. Van daaruit kon ik de vertoning zien tot een acteur me kordaat verzocht me tussen het publiek te begeven.
Mijn vriendin was ondertussen verdwenen. Ik besloot om naar een stad te gaan. Daar kwam ik in een duistere voorbuurt terecht met
bouwvallige gebouwen,hier en daar bewoond door bedelaars gekleed in lompen. Ze dronken goedkope alcohol en klampten me in
groepjes aan. Sommigenhadden lepraledematen. Niemand wou me de weg naar het centrum van de stad tonen. Ondertussen hadden
ze mijn fiets afgepakt. Plots kwam er een versleten taxi aangereden. Toen ik instapte zat mijn vriendin opgetut met mooie kleren op
de achterbank. Ben je weeral verdwaald, zei ze spottend. Ga je mee naar het casino?
Neen, de bedelaars hebben mijn broek gestolen en mijn hemd hangt vol slijm. Ik hoopte dat ze me nieuwe kleren zou geven maar
ze zei: goed dan, amuseer je nog.
Donderdag 12 maart 2009
Op een bank eet een bejaarde vrouw een pakje friet. Het hameren van de timmerman weergalmt door de winkelstraat en ook de hoge hakken van chique dames tikken in het gezoem van optrekkende scooters. Zie wat een mooie vrouw. Ik kijk naar haar benen. Het kind naast haar kraait iets onverstaanbaars. Aan het einde van de laan pieken torens met geleerdenbeelden kitsch-kitsch-kitsch. Iemand schreeuwt dat ik voorrang moet verlenen aan het zebrapad. Stom van mij, die onoplettendheid.
Waar gaan al die mensen naartoe?
Ik ga zitten en kijk naar de stadsduiven zonder hoogtevrees. Als ze tippelen sjokken ze met hun kop. Mijn bank is nat. Niemand komt erop.
Aan een bruin café zet een twintiger terrastafels buiten. Wanneer ze zich bukt zie ik de welvingen van haar rug naar haar dijen gaan. Binnen speelt een man scrabbel aan de toog. Hij drinkt thee.
Het is bewolkt vandaag. Op de terugweg beukt de wind in mijn ogen. Het lijkt of de zon gaat schijnen, maar nee, het motregent nu. Toch zwermen muggen in een zwak tegenlicht. Hoe houden ze hun vleugels droog?
Als ik thuis kom kus ik haar in de hals. De piloten vliegen als jonge vaders beurtelings over het huis en het muizenlijkje op de keermuur ligt te vergaan. Het is te lang bewaard gebleven in de vrieskou van de winter. Als in de lente haar geraamte overblijft leg ik het in de apothekerskast.
Vanavond doe ik niets meer dan dansen aan de waterton, kijken naar mezelf in een waterspiegel en een nieuw woord bakelierend verzinnen. Vanavond maak ik er een rotzooi van, schrijf ik een zinloze vierde zin in een vijfde refrein. De zesde gaat op in rook. In de zevende verliezen we onszelf. Met de achtste zet zij ver van mij een kop thee en met de negende proost ik als een roofdier bij de frigodeur. Ja ik doe mee zegt een derde. Bij een duizendste doen we onze ogen dicht in een eindeloze slaap.
Met brandende ogen van duivelinnenvuur dichtte de dichter, gifslangen in het kielzog werend, een laatste keer: ’t kan geen kwaad, de wereld staat niet in brand. Vogels, met roet bedekt, zwegen voor het gedrocht dat zich over de horizon boog met zwavel en chagrijn.
Zondag 22 maart 2009
Ik was op zoek naar je in een andere wereld. Telkens als je verscheen glipte je weer weg. Er wonen maar weinig mensen daar. De man met het paard, de stier, en er is een kamelendorp. Ze kennen mekaar al heel lang. Als vreemdeling moet je op je hoede zijn. Het paard beschermt je tegen de aanstormende stier.
Ze gaan in de file om een broodje staan. Zal ik naar de bakker gaan en voor een ontbijt zorgen?
Eerst wakker worden, zegt ze terwijl ze aan haar tas koffie nipt. Trek propere kleren aan en kam je haar.
In het dorp wordt weeral iemand begraven. Het is tien uur. De hond blaft. Ze heeft opnieuw een knobbel op haar
kop. Vorige keer had ik eraan zitten prutsen. Dacht aan een teek maar het was een gezwel. Gelukkig heeft ze het
overleefd.
Wachttijd bij de bakker. Bij de beenhouwer staan ze zelfs op het voetpad. De hond zal het vandaag dan maar met droogvoeding moeten doen. Wanneer ik het leeggoed weg doe zie ik mijn zoon op straat skaten als een kind van drie-entwintig.
Ik ga de zilverberk snoeien. De twijgen bind ik in bussels om in de winter de kachel aan te steken. Nu klim ik in de boom. Van hieruit kan ik het dorp zien. De zon bijt in de kruin. Een dikke tak afzagen is maar een kwestie van geduld en spijt. Het sap loopt langs de stam. Er vliegt een hommel voorbij. Hoe kan hij zijn gewicht dragen met die dunne vleugels, is het een hij of zij?
De ochtend is net voorbij en ik krijg al goesting in een trappist. Er is niks in huis. Ga er dan halen bij Adriënne...daar is geen volk in de winkel, zegt het duiveltje in mij...en het aapje schreeuwt: je moet straks terug de berkenboom in. Eentje maar tegen hoogtevrees, fluistert het duiveltje. In tweestrijd trek ik schoorvoetend naar de winkel om plattekaas en blauwe Chimay. De zon komt erdoor.
Bijna middag. Zo is het genoeg geweest, anders wordt hij te kaal.
Geen zin om buiten te eten? Ik heb boterham met plattekaas.
Neen, het is te koud.
Je kan het niet zien , maar ik heb twee inktpotten op tafel staan. Afwisselend schrijf ik met blauw en zwart, trek
potloodlijnen waartussen de woorden moeten komen. Het is de schaduw van mijn pen die schrijft. Telkens als ik hem in de inktpot sop zie ik de groeven in mijn hand en gezwollen aders door de inspanning om schoon schrift. Als de inkt opgedroogd is gom ik de lijnen weg.
15 h: Oei, de parasol doet de tafel bewegen. De zinnen wiebelen. Ze heeft taartjes meegebracht.
Eten we dat buiten op?
Ja, doe dat schrijfgerief weg. We maken er een koffietafel van.
De hond zet haar staart omhoog, laat een wind en begint te bedelen. De hommel vliegt opnieuw voorbij alsof het een kansspel is.
Vrijdag 27 maart 2007
Ik heb gewoon geen zin om zin te hebben. Vandaag niet. Vannacht verdwaalde ik in een bejaardentehuis. Nadat
nonkel Arthur aan een alcoholverslaving bezweken was en tante Clemence besloten had om zich in het rusthuis
te nestelen was ik haar gaan bezoeken. Aan ziekenhuizen heb ik sowieso een hekel maar in een bejaardenhuis krijg ik het echt benauwd. Reeds bij het binnenkomen voelde ik het zweet op mijn rug. Met trillende vingers stapte ik hijgend in de lift. Bij overmaat van ramp was dit gebouw vierkant en acht verdiepingen hoog. Ze hadden me aan de receptie verteld dat ze op het tweede woonde in kamer nummer vier. Na zesmaal diep ademhalen betrad ik de kamer en was opgelucht toen ik zag dat ze sliep. Ik gaf de pralines die ik meegebracht had aan een verpleegster die ze meteen op at. Ze vroeg of ik de spuiten op het tiende verdiep voor haar wou steriliseren. Ik durfde niet weigeren, doch eens boven gooide ik de spuiten weg en wou terug naar beneden. De lift was echter verdwenen. Toen ik langs de gang naar de traphal ging deed iemand de deur open en krijste dat er een inbreker was. In paniek vluchtte ik naar een verdieping lager maar daar stonden ze ook naar mij te kijven. Iedereen kwam in pyjama naar me toe. In het nauw gedreven kroop ik langs een brandladder naar beneden waar mijn moeder me stond op te wachten. Wat heb je nu weer uitgespookt, vroeg ze bedroefd.
Neen, vandaag heb ik geen zin om zin te hebben. Het was niet eens mijn schuld.
Zaterdag is een dag van Saturnus, ‘dies sartinus’, een bastaardvloek als je in een woordenboek kijkt. Maar vrijdag, waar komt dat woord vandaan? Boetedag, visdag, weekdag, ongeluksdag, Frija’s dag. Het wordt gewoon maar opnieuw dag. Voor we het weten is het weer over.
Ze staat voor de spiegel. Ik heb niks in de kleerkast, zegt ze als ik met tegenzin wakker word.
Die grijze broek staat je goed.
Ongelovig kijkt ze naar mijn hoofd dat boven de bedsprei tevoorschijn komt.
Ach man, jij zegt zomaar wat. Ik heb nieuwe kleren nodig.
Klaarwakker nu stel ik voor om die fruljurk met dat diep uitgesneden zwart bloesje aan te trekken.
Zucht...zucht...zucht...ik heb niks fatsoenlijks om aan te doen.
Zelfs een glimlach zou haar nu breken. Ik sta op en kook een ei voor haar en mij. Vergeet het licht in de badkamer niet uit te doen.
Als kraaien zwaaien in tegenlicht / grondleven spurt in dauw / kan ik van op een heuvel / alle windstreken zien. In het westen ligt een schaduw / op omgeploegde grond / die tijd roffelt / tot dovenetels bloeien.
Als ik er bijna ben wil ik misbaar zijn. Het is negen uur. Welkom in de leegte, laat ons iets eenvoudig doen. Kluitenland schuift onder mijn tweewieler voorbij. Het zadel is krom door sleet. Voor ik het vergeet, het heeft nog niet geregend vandaag en ik ben geen spijbelaar.
De deuren van een warenhuis gaan open. Mensen staan in de rij / als / ik wil de eerste zijn. Aan het voetbalstadion moet de inwendige orde nageleefd worden. Toch plas ik tegen een boom. Misschien wordt dit een goed kortverhaal. Mijn tenen krijgen kou. Ik ga nu verder en schrijf de toekomst later wel op.
Op het speelplein roepen kinderen en aan een vitrine is een aankondiging geplakt. Iemand wil een pachthof tot woning en kantoor verbouwen. Neem een andere weg, een onbekende weg. Een weg van twijgen en knoppen kijken, verdwalen in een holleweg met onbewoonde konijnenholen waarin mijn zwaarden begraven zijn.
Nu gaat het bergop. Zet een zonnebril op tegen de wind, om grijsheid te verbergen. Een boer pompt koeiendrek in een beek net voor het bos. Lang geleden dat ik hier nog geweest ben. Toen waren mijn oren nog niet zo slecht. Ik ga op zoek naar de plaats waar ik met haar gespijbeld heb van school. Ze was amper zestien. We hadden een stokbrood, kaas en limonade mee. Verscholen onder een den hebben we mekaar de hele dag gekust. Ik had nog nooit borstjes gezien. De regen voelden we niet eens.
Het dennenhars en haar geur zijn in mijn geheugen gebleven. Ik ken de weg.
Eerst die varens door langs een onzichtbaar pad. Dan de open plaats waar het dennenbos begint. In het midden staat nog die grote den. Ook de jongen en het meisje liggen eronder nog te kussen.
Ik ga zitten, spijbel deze keer alleen en neurie ‘meera’ voor me uit.
Verdorie toch, ik wil opnieuw beginnen en maak er nog vijftienduizend dagen van.
Een heel eind verder, op een onverharde weg, komt een vrouw veel jonger dan ik met een hond voorbij. Haar haren zijn pikzwart. Ze moet zo rond de dertig zijn. Ik kijk haar aan. Ze bekijkt me wantrouwig. Wat zit die jonge grijsaard tijdens de werkuren in dit bos te schrijven in een kladblok op een zadel?
Ze versnelt haar pas en roept ‘kikkie’ tegen de hond.
Ik blijf staan, met een potlood en nog wat ongeschrevenheid, zie dovenetels en herinner me plots die ochtend...ook al belemmerden hoge vieze gevels het zicht, de witte bloementuil in het onafgemaaide gras.
Het is vijf voor acht, tijd om verder te gaan, iets te doen voor zonsondergang.
Ik kom thuis, maak de tafel schoon en zorg voor het eten. Daarna zien we wel hoe het donker wordt. Ik ben er niet zo zeker van dat ze mijn rug streelt voor het slapen gaan.
De bamboe beweegt. Waar slapen de muggen als het donker wordt, hoelang blijft het leven in een pas afgezaagde tak? Zullen we het aan onze kinderen vragen misschien.
De dag verdwijnt langzamer dan hij begonnen is.
Gisteren zag ik in het vuur hoe vlammen een houten rots omarmden tot hij gloeiend brak, verzwolgen werd en verdween in as.
De stilte maakt lawaai. Ik hoor het bloed door mijn aders stromen; lichaam leeft. Het is vrijdagavond vandaag. Kus ik daarna de maan met nachtvlinders om me heen in een sterrenhemel die weer zichtbaar wordt.
Recht voor mij zit een vrouw met halflang grijs haar die niet fotograferen wou. Klein en wild doet ze haar verhaal. Ik luister ernaar. Van een maansteen scharrel ik een gedicht en lees het voor. Ik ben niet verbaasd wanneer ze schaterlacht: hij is weer aan het huilen. Waarom noemt ze mijn voornaam niet?
Nonkel Rik
Het enige instrument dat nonkel Rik fatsoenlijk kan bespelen is de mondharmonica. Hij had die als kind voor zijn verjaardag gekregen en was er meteen gek op. Hij leerde het helemaal alleen en had hem altijd op zak.
In zijn pubertiteit begon hij de meisjes ermee te imponeren, zo dacht hij toch. Hij was immers zeer verlegen en wanneer ze in zijn buurt waren ging hij zogezegd onachtzaam ver genoeg verwijderd zijn deuntje spelen in de hoop hun aandacht te trekken tot iemand zei: "Kijk, de Flurk is weer bezig".
Toch kon hij het zich niet laten om, naarmate de jaren verstreken, een bluesharp te kopen. Ook die had hij in vier toonaarden op zak.
Telkens als hij naar een freepodium ging stond hij achteraan in de zaal verborgen achter een pilaar schielijk mee te spelen. Zonder dat hij het wist morrelde hij aan de grenzen van het gangbare, deed hij het niet meer in een poging om iemand een plezier te doen, maar alleen nog voor zichzelf.
Zo is het altijd verder gegaan met nonkel Rik. Hij durfde niet maar kon het zich niet laten.
Hij is nog niks veranderd. Hij doet het nog altijd, ook al wordt hij stilaan doof en haalt hij niet meer de hoogste tonen met die tandprothese.
Binnenhuis spelen gaat niet omdat de hond dan begint te huilen en buiten gaan de buren meeluisteren.
Hij heeft dan maar in een oud pand een kamer gehuurd met een tafel en een stoel. Aan de wand hangt een kruisbeeld zonder Christusmens. Ongelovig als een vos spreekt hij nog altijd met zijn eigen God.
Van de leeggezopen kratten maakt hij poppen tot leven, danst met hen en speelt zonder vingers de tango voor geliefden.
Dan gaat de flessenvrouw weg en bedenkt hij een nieuw refrein: rikketikketik / ik ben Rik / in deze kamer is het chique / gaat straks / alles in de fik.
Vanaf zeventien april tweeduizendennegen tot …
Elke ochtend op hetzelfde uur opent hij in Calçade de St. André zijn versleten vensterraam, lokt hij zeven duiven met een bord rijst. Het is zijn dagelijks ochtendritueel. De zon schijnt over Lissabon en de zwaluwen vliegen hoog. De douanier op de luchthaven had haar handen bevuild aan mijn inktpot toen ze in mijn handbagage graaide en net voor de landing hing het vliegtuig te scheef. Meteen dronken we uitbundig een aperitief. We mogen hier roken als Turken. Laten we iets gaan eten. Heeft iemand honger?
We volgen de tramsporen stijl bergop. Het is zaterdag achttien april tweeduizend en negen. Wie gaat als eerste naar het toilet?
Vollemaan en zijbijmij gaan voorop. Marcos en ik volgen…dromen. Wij letten niet op de weg.
Ik kijk naar de kleurrijke gevels en de was die hangt te drogen. Ben de fotograaf, soms ijsberend in winkelstegen. Ze fladderen als vlinders in en uit. Meisjes worden ze dan.
Katvis en fado bij gedempt licht. Ze zingt haar ogen dicht. De gitarist is bejaard.
’s Anderendaags is het schandalig vroeg. Ik ben langs de trap naar buiten de mist ingeslopen. De bakker is nog dicht. De bar ernaast is open. Ik drink twee push-cafés en ga dan bergaf naar het centrum van de stad. Daar blijkt de wereld overal hetzelfde te zijn. Mensen gaan naar hun werk, een paar gezondheidsfreaks die joggen, een vrouw met een kinderkoets, een slenterende nietsnut en ik op een bank als toeschouwer, toerist van het ogenblik.
Zouden ze nog slapen? Ik had een briefje op de tafel achtergelaten. “Ben broodjes gaan halen”. Straks sleuren ze me onmisbaar mee. Het is tijd om terug te gaan.
Bergop koop ik brood en vier bananen. De bananen zijn voor Marcos.
Als ik terug ben wordt de tafel gedekt.
Hoe laat is het?
Weet ik niet.
Ze trekken hun zomerkleren aan. Ik zoek naar schaduw.
Kijk eens hoe mooi die oorbellen zijn.
’s Zondags is het hier druk. We moeten zien dat we Marcos niet verliezen tussen het volk. Laten we onze dorst lessen waar Colombus vertrokken is. Daarna eten we een patéke in La Confeitaria de Bélem.
Later aan een magnifiek klooster ontdoe ik in de wachtrij vier nonnen van hun kazuifel en trek hen gewone kleren aan. Een van hen blijkt dan een trut te zijn.maandag 27 april 2009
Borstjesmeisjes / tietenvrouwen / twaalf teventepels / en ik twee puntjes zonder haar.
Er schijnt een vreemdsoortig licht in dit boudoir van eenzamen waarin een wervelende bromvlieg mijn aandacht trekt.
Op haar buik staat een onafgewerkt verhaal geschreven. Een verhaal met vuur over grands amours dat stokt in het vederdekje van haar venusheuvel.
Met een priemende blik lees ik net iets te lang, blijf haperen in iets dat zich nooit vervolmaakt: de begeerte van die eerste keer.In mijn slaap heb ik drie beloftes gedaan die ik me niet meer kan herinneren. Het oorkussen voel ik nog. Ook haar linkerarm zie ik in het schemer.
Iemand gooide pijltjes naar beneden. Wie erdoor geraakt werd kreeg stuiptrekkingen en ging binnen de twee minuten dood.
Mijn kinderen bevonden zich in het publiek en probeerden de pijltjes te ontwijken. Een soldaat vertelde mij dat de gooier zich op de hoogste etage van het gebouw bevond.
Ik nam twee vleesmessen uit de keuken en ging naar boven langs een versleten trap.
Daar stond hij met kralen versierd en veren in zijn haren. Ik was bang…had nog nooit met messen gevochten…stak twee keer ondiep.
Terwijl hij in elkaar zakte schreeuwde hij: “waarom doe je dit?”. Hij had zich niet verweerd. Dan zag ik dat het nog een kind was en voelde onnoemelijk spijt.
Het is tien voor vijf en nog donker. Het regent pijpenstelen. Mijn pyjama wordt nat.
Orphelus en Ohren
Die bruine streep in mijn aikidobroek is een kruising van wind en zweet, zegt hij. Dan neemt hij zijn stok en gaat hij weg zoals ik dat deed. Net zoals vlinders fladderen, motten klapperen, sjokt de mus. In de buik van mijn moeder heb ik voeten gekregen voor de begane grond.
Ma, waarom heb je mij geen vleugels geschonken?
Die afgeknaagde bomen, dansend gras, de wind in men oren...het lijkt allemaal zo onecht te zijn. Als een steen duik ik naar beneden. Net voor ik te pletter sla, blaast een storm mij boven wolken in het ijle. Orphelus en Ohren, nog onbekende goden, kijken me aan in het blauwe licht. Ze staan aan de afgrond van het bodemloze.
Hier maak je een allerlaatste keuze, zeggen ze streng.
Ik durf niet...ben bang voor het eindeloze.
Het wordt een moeilijke dag om met zwaartekracht te leven. Het enige wat ik vandaag foutloos doe is een bedelaar een geldstuk schenken. Hij kijkt me aan en zegt merçie.
Je bent zo laat?
Ja, de architect was verkouden. Onderweg ben ik nochtans niet gestopt. Er was zelfs geen tegenwind. Het verbaast me ook. Vanmorgen ben ik vijftien centimeter met mijn fiets door de modder gezakt. Slijk tot aan de enkels. De Dijle is buiten haar oevers getreden. Het water zag bruin. Toch bleven de betonmolens draaien.
Soms ben je niet meer van deze wereld.
Ik stamp een handpalm peperkorrels fijn voor in de groentesoep.
Waarom schrijf je niet over gisterenavond?
Omdat gisterenavond zo goed was en ik geen zin heb om dat nu te beschrijven. Ik heb gedroomd over jou. Je had me een grasveld en een paard met een ziek veulen verkocht voor een appel en een ei. De bloemen in het grasveld bleven van jou. Toen het veulen beter werd en de bloemen op at, kwam je naar me toe en zei je dat je het spijtig van die bloemen vond.
Heb je gegeten vandaag?
Ja, 's middags gerookte vis met brood, een scheut wijn, een sigaret en dan nog een laatste werfbezoek. Het bleef droog. Ik hoefde geen jas.
Zij eet pasta met tomatensaus. Ik wil er patat en vlees bij met rauwe look. De gloeilamp boven de eettafel is stuk. Eten in het halfdonker...begin ik te zeuren over besparing op energie en gaat het uiteindelijk over politiek.
Hou op, ik heb geen zin om hierover verder te praten.
Ze heeft gelijk. Het is lente. We hebben vogeljongen. We hadden het gemerkt nog voor de regentijd dat iemand bezig was een nest te maken. Daarna werd het stil in een onzichtbaar broedmoment. We waren vergeten dat ze daar zat om nieuw leven.
Uit het nest klampen nu jongen zich vast aan de klimop, proberen ze hoger te komen. De moeder vliegt heen en weer, voedert van bek in bek. Van dichtbij, zien we hoe leven onbevreesd werelden verkent. Hoe kan iemand dan nog spreken over de banaliteit van het leven?
Laten we met liefde straks slapen gaan. Eerst de prik van een pepervinger in mijn neus met koud water blussen.
Zonheet 2009
De klokken luiden een ritueel. Ik heb wel zin om iets te doen.
Waar is de zonnecrème?
Geen antwoord.
Was om kwart na vijf opgestaan. Voor een keer had ik voorgenomen weinig te beschrijven
en voor me uit te kijken tot ik een potlood in een speerpunt slijp. Heb in de vroege ochtend geschreven.
In de zon is het snikheet. Het bloed loopt langs de rimpels van mijn hand als ik doornen snoei om wildgroei tegen te gaan. Zo raakt meer zonlicht de paarse bloemen.
Je gaat nog afzien als we in Cuba zijn, zegt ze vanuit de schaduw. Vergeet niet dat we binnen twee weken met vakantie gaan. Kom mee aan tafel.
Er zit een indrukwekkend insect op de bladzijde. Groen met een gekartelde rug. Vroeger zou ik het dagboek dichtklappen om het dier als een herinnering te bewaren, maar nu kijk ik verwonderd naar de schoonheid waarin het beweegt. Daarom noem ik haar 'ze'. Ze zou een soortgenoot kunnen zijn in een later leven, en ook de vlieg die van mijn schaafwonden proeft. Of ruikt ze maar zoals ik dat doe? Ik voel niet eens het verschil.
Ze heeft voelsprieten en twee maal drie hoge pootjes. Wat eet ze, hoe drinkt ze, voelt ze genot als ze nieuw leven in zich draagt?
Zoveel vragen.
Er rijd een tractor voorbij met een bejaarde boer achter het stuur. Kan zich het werken niet laten, of is het hem om het nalatenschap te doen? Wellicht maait de vrouw de spinnenwebben uit het huis terwijl hij het land bewerkt.
Mijn wereld staat stil, de aarde beweegt. Zal ik een klaproos voor je bewaren in mijn verhaal?
Ja.
Vergeef mij voor wat ik ben dat ik niet zou mogen zijn, om mijn scheefhangende kaders aan de muren, het ongemaaide gras en de giftige bessen waarvan ik eet, mijn eigenzinnigheid als ik zit te turen in afwezigheid.
Het is je vergeven. Er is geen reden voor.
Het begint te waaien terwijl het licht in de hemel blijft. Ik heb de asbak en een glas wijn over het papier gezet en de stop op de inktpot gedraaid. De tafel beweegt. Met mijn linkerhand houd ik in tegenwind de staak van de parasol vast. Niets vliegt weg van deze tafel.
De berk buigt. Het riet vingert om zich heen. Alles beweegt. Mooi is dat gewoel. De wind gaat nu liggen. Zon schijnt opnieuw. Ga achteraan rijpende bessen eten. Heel neig deze aarde. Hou van haar.
s’ Avonds maken we een vreugdevuur van sprokkelhout en druivelaarstronken. De vrienden zijn op tijd, de kinderen vanzelfsprekend te laat.
Je mag dat niet smeren. Je moet dat met plakken erop gooien.
Hij zoekt naar het evenwicht tussen het broodje en het beleg.
Mag ik effe op je gitaar spelen?
Doe maar. Ze is niet gestemd.
De poes hangt aan mijn arm.
Hij heeft geen klauwtjes. Ik zie het. Schrijf jij maar het verhaal dat ik nu vertel. Aiko noemt hij.
Ben in een nieuw schrift begonnen. Wat vind je ervan?
Chaotisch.
Ja, we zijn allemaal chaoten.
Zijbijmij glimlacht en gooit dennenappels op het vuur. We zien er een wereld van rotsen en gedaantes in die langzaam verdwijnen. Opnieuw gooit ze er een dennenappel in om te kijken in gloeiende spelonken. Betoverend is dat.
Raar. Het is bijna elf uur en buiten roept een kraai. De hond drinkt uit de waterton. En ik huil omdat ik er zin in heb.
vrijdag 1 mei 2009
Het is nog niet klaar. Ze slapen nog. Ik denk dat het halfzes moet zijn.
Ik vertrek zonder hen goedendag te zeggen. Dat wisten ze al. Het is nog vroeg.
Het regent niet, er is geen tegenwind en mijn handen hebben het niet koud.
Eindelijk alleen. Een fiets met een zadel, een slaapzak, drie onderbroeken en kousen voor onderweg. Ik fiets tot het landschap onherkenbaar wordt.
In de eerste stad sta ik stil en kijk naar studenten die in nachtroes door straten slenteren.
De dageraad begint, zie hem zonder gehoor. De bakkers zijn nog dicht.
Over het kanaal vliegt een reiger sneller dan ik.
De zon komt op, en zie daarginds die wondermooie wolken!
In het water verschijnt het beeld van een gerimpelde mooie oude vrouw. Huilend in mezelf verbeeld ik mij haar eeuwige eenzaamheid.
Ik stop niet. Ik rijd verder de tweede stad voorbij. De weg is nog lang.
Ook in de derde stad houd ik geen halt. De heerlijke gewaarwording om bestemd te zijn snijd dieper dan de honger die begint te knagen. Door de eenzaamheid, de stilte in dit ongeneeslijke moment raak ik stilaan verloren uit mijn gewoonte. Bovendien zijn hier teveel mensen samen gekit in gezamenlijke voorbeeldigheid.
Ik fiets verder langs de haven, de wij-huichelaars ontwijkend.
Het landschap verandert in rivieren en steenbakkerijen. Hier hebben ze nog veldovensteen gemaakt. De arbeidershuizen zijn nog bewoond, historisch bewaard gebleven. In dit dorp van Boomse steen koop ik stokbrood, paté en Porto in een mini-supermarché die als bij wonder uitgerekend hier tijdens het feest van de arbeid open blijkt te zijn.
Na de maaltijd dump ik de lege fles in een glascontainer.
Nu ben ik mijn klaarheid verloren. Het zoeken van de weg wordt net geen duel waarbij de reiziger schreeuwt uit ontzetting voordat hij door bedwelming overwonnen wordt.
Rij de goeie richting uit, zegt de engel vanop mijn schouder. Ik toon je de weg.
In het avondrood ben ik in de buurt waar ik vandaag wilde zijn. Het is me gelukt om ongeschonden dichtbij een onbekende te geraken.
Dan slaat de wanhoop toe in een loomheid van weemoed en verlangen. Het wordt laat dwalen, zoeken in straten. De tijd wordt plots minuten en seconden al ken ik hem niet. Ik zie het aan het donker dat alsmaar zwarter wordt, de mensen die verdwijnen uit de straten. Net als in helse dromen lijkt het of ik een hamerslag in de maagstreek krijg. Ik kom te laat.
En dan plotseling dient zich het spookbeeld van het toeval aan. Door het vensterglas schijnt een vage roze gloed.
Tikketikketik-tiktik…
Ben jij het? Ik had je niet meer verwacht.
Ze is anders dan ik me voorgesteld had. Ik ben anders dan het beeld in haar gedachten.
In een leefkamer waar de roerloze wanordelijke atmosfeer lichtelijk roze is getint door gedempt licht veeg ik de tafel vrij voor twee glazen wijn.
Zij maakt de asbak leeg.
Die mooie ogen durf ik niet zeggen. Zo lief durf ik haar niet vertellen.
Schone mensen, zegt ze.
Nu de katinnen een week krols miauwen,krijg ik snoep bij de koffie en een knuffel
voor onderweg. Onderweg...waar tijd en de herinnering aan haar mij klauwen in een onweerstaanbaar landschap dat diep in de afgrond onder mijn voeten verdwijnt als de avond valt.
dinsdag 23 juni 2009
Bij het opkomen van de zon, als vreemde vogels ontwaken, heb ik mij aan de tafel der heidenen gezet. Hoor, hij zingt maar één keer ’s ochtends in het warme licht van de hoogste boomtoppen, een refrein van liefde dat mij vervult met intense vreugde.
Kom erbij aan deze ronde tafel. Ik zal je ogen strelen op het ritme van licht en schaduw en nooit vergeten wie je was.
's Avonds laat vraagt een dronken vrouw met een leugen een muntstuk om eten voor de volgende dag. Ik zeg: ik geloof je niet en geef haar gul een aalmoes voor de volgende fles verderf.
Jij zit een boek te lezen in een vreemde kamer en wenkt: ‘kom, kom bij mij’.
Je bent een lieve vrouw; intelligent, ongelooflijk tolerant, veel rationeler dan ik en bovendien ben je mooi. Maar soms, heel uitzonderlijk dan, bij voorkeur om halfvijf ‘s ochtends, jaag je mij de stuipen op het lijf met een enkele blik, een lichaamstaal zonder een woord te zeggen. Ook dat kan je zo overtuigend doen dat ik me afvraag: "Wat heb ik nu in godsnaam misdaan?". Was het de printer of mijn ochtendhoest die je tot boven hoorde en je te vroeg wakker maakten?
Zwijgend slenteren we elkaar voorbij. Jij in ondergoed naar de keuken waar je voor jezelf een kop koffie zet, ik naar buiten.
En dan daarna aan de wenteltrap zeg je met die ontwapenende blik van jou: "Sorry, het was een verkeerde ochtend".pluis
Een arend had in een steenduik een pluisje verloren. Eindelijk ben ik verlost van die driftige vogel, ga ik mijn eigen leven leiden, zong het hoog in de lucht. Het maakte een wereldreis met de wind, zag alle oorlogen en de heetste woestijnen voor zich voorbij gaan. Het was zo licht dat het nooit de grond raakte. Een keer kwam het bijna in een nachtelijk tovenaarsvuur terecht. De tovenaar had het net op tijd gezien en blies het naar de sterrenhemel tot bij Tekwar.
Hoe is het daar op die blauwe bol, …Tekwar had zoveel vragen dat het pluisje met een vallende ster terugkeerde naar de aarde. Dan werd het windstil en zweefde het op een ochtend
net boven de dauw tot bij een vreemdeling die zei: ik wil vandaag ook een pluisje zijn, en het pluisje zei: ik heb genoeg gezien…strek je handpalm maar…ben moe…bewaar me tussen de bladzijden.
In dit dagrestant wil ik mij nog herinneren hoe het was, zoeken naar woorden en zinnen, gevangen in het donker, ver weg de lichtvlek van een bewoonde wereld.
De pen beweegt varend lichtwoorden uit mijn geest.
Lacjeaw
Voor hij sterft wil hij met zes vrouwen die hem het meest genegen zijn, op een open plaats in een kring, hand in hand en op blote voeten, in een losbarstend onweer staan.
De bliksem zal de jongste onder hen een vaderloos kind schenken. Meteen wordt over de naam beslist. Lacjeaw zal het heten, genoemd naar de aanwezigen hier.
Een halve maan later, op een zaterdagochtend, kijkt hij naar as die overblijft uit een nachtelijk vuur, gestookt met houtklompen die de winter moesten dienen.
krullenkoren naast een overweg
vloekt als er een trein passeert
de woonwagen aan de overkant
met waterkieren
wordt onbewoonbaar verklaardschrobbe-schure-trim
eerst het dak
dan een paard
en een nieuw verkeersreglement
Echte zatlappen vind je op café waar het bier nog betaalbaar geschonken wordt. Rookruimte en een biljarttafel middenin. Kettingrokende senioren met naar achter gekamde kalende grijze haren. De gitannes van de jaren zeventig. Pure rock-’n-roll.
Er klinkt geen muziek. De tafels zijn volzet. Toch wordt op de banken nog opgeschoven als er iemand binnen komt. Waar geen plaats is wordt plaats gemaakt.
De patron, klein van gestalte met een scheve rug, serveert onophoudelijk. Zijn vrouw tapt het bier. Een ding is zeker: er wordt professioneel geserveerd.
Iedereen kent hier iedereen. Gepensioneerde loodgieters, schrijnwerkers, magazijniers en huismoeders zonder pensioen. Geen dronkaards aan de toog, ook al vloeit het bier hier overvloedig. Die komen pas later na hun roes.
Op de houten muurbank zit een dame bijna op mijn schoot. Ik schuif een asbak dichterbij als ze een sigaret opsteekt.
Dag oor.
Wat zeg je?
Dat het een gezellige avond wordt.
Ik doe dat ook graag.
Hoezo, wat?
Koken.
Dag oor.
Soms ontstaat dan de indruk van een close gesprek.
Er zijn vier pittabroodjes aangebrand. Blijven haperen in de broodrooster. Zwart, steenhard verbrande lucht. Keukendeur blijft dicht.
Wat doe jij van beroep, vraag ik aan iemand die dicht bij mij zit.
Ik ben preventieadviseur, zegt ze. Herken je me niet?
Ja, van op een trouwfeest. We hebben toen nog lang gefilosofeerd over de zin van het leven terwijl we de afwas deden.
En wat doe jij van beroep?
Ik ben toezichter.
Wat is dat?
Toezicht houden op kubussen. Een kubiekemeter is een vlak van één meter op één meter maal de dikte van één meter, en een vierkante meter is een kubus van één kubieke meter gedeeld door zijn dikte van één meter. Rekenkundig deel je het volume door de dikte waarmee het berekend werd. Zo simpel is dat. En als je het volume van een kromme vinger wil weten, dan dompel je die in een beker gevuld met één liter water en meet je het water dat uit de beker loopt.
Ze lacht alsof ik een grap vertel. Daarna scharrelt ze een nieuw pakje sigaretten uit haar handtas. Ik geef haar vuur.
Hoe lang kennen jullie elkaar?
Ik heb haar leren kennen toen ze vijftien was.
Hoe doen jullie dat?
Toeval.
Gewoon wachten op het toeval?
Niet op wachten, het gebeurt vanzelf. Met een beetje geluk valt het mee.
En ze zei: eens dat je kinderen hebt moet je verantwoordelijkheid nemen tot het einde.
Het einde is mijn fiets. Ze heeft een schoonheidsvlek net boven de zoom van haar slipje. Ze toont het nonchalant. Iedereen mag ernaar kijken behalve ik.
Zwangerige maan,
vannacht gaan de sterren in de hemel.
Ik had het je nog zo gezegd
dat wil ik niet.
Laten we wat troost gooien op een pad
rusten verwegverwegverweg
nog zogezegdzogezegdzogezegd.
Ze hoeven niet bang te zijn voor elkaar
het is maar een gevaarlijke woordenwereld
eeuwige vriendschap wordt hier niet gezworen
tenzij op de maan.
Met... verzwijg je niet
de pijn aan een vriend
hakketefuut schreeuwen meer dan woorden
als het past schenken we nog een regel.
Onvermijdelijk gaan de schrijver//schrijfster
ooit zwijgen
leggen ze hun dromen naast elkaar
kopen ze een knuffel voor.Je beweert te wandelen tussen
twee pilaren van leven en dood
ontroostbaar//afkeer
naar verkorte dagen
't is de herfst die kaalt
wat voorbij is in bevroren rottende dagen
zelfs al zouden die je nog een kind willen schenken
ga je nog in een winterslaapen ik...loop als nazaat van de zomer
mijn verbeelding voorbij, fluister
haar schoonheid van verderfelijke dagen inmij kan het niks schelen de donkerte van een nieuw seizoen
raven lopen niet.Vannacht riep een uil vanuit het gebergte. Nu blaffen de honden in het dal. Mijn nek kraakt als ik achterover leun. Met een stoel aan de afgrond zwabbert een
lachtraan aan Marco' s neus. De tafel wiebelt. Ik hoor het aan de inktpot.
Elke ochtend beitel ik in een wereld voortdurend in de schemer aan een houtstapel een gedicht van steen voor een onbekende die het altijd leest. Eens onderweg hoor ik er niet meer bij.
Over vrijheid hebben we het al vaker gehad. Over grenzen gaan om vurig te zijn, los, vereenzaamd of gebonden aan grenzen. In verlangen, daar ligt mijn vrijheid dus…als een onvoltooid verlangen.
Mathilde is gegroeid in haar heelal. Een dronken wesp slaapt haar roes in een tafelkier. Nog wat nachtvlinders rond het kaarslicht. De tafel wiebelt op muziek. Zelfs de grond beweegt, of zou het een voetstap zijn die de aarde tilt?
Chaotisch is dit. Alles ligt verspreid, de tuin bezaaid met afval. Het hemelwater stroomt door het dak. Ik verpulver het gebinte in mijn vingers. Nu ook draagmuren kantelen in de storm, verlaat ik niet dit pand. Ik heb een woonst beloofd.
Beneden zitten twee knechten en een vogelverkoper met twee kanaries. Een ervan kan niet zingen maar heeft bonte veren. Reinig ik de kooi en laat de kanarie vliegen.
De knechten werken. Zijbijmij zit op het dak en duikt. Het laken is nat. Ik ben nat. Naakt ga ik voor de spiegel staan en schrik van mezelf.
november 2009
Door mijn gesnurk kon ze vannacht niet slapen. ‘ Maandag moeten we niet gaan werken’ zeg ik als ik wakker word. Ze kijkt me aan en vraagt of ik dat nu pas weet. Neen, Julien heeft het me gisteren verteld. Dan is het wapenstilstand.
Neen, Allerheiligen!
Er ligt een zakdoek, tabak en een aansteker op de buitentafel. We hebben sojasaus nodig. Ik pak mijn fiets.
In het park sneeuwt het bladeren. Mensen lopen in paren met kinderen die pas kunnen fietsen voorop. Ik moet hier voorzichtig zijn. Ze rijden nog zo onvoorspelbaar. Na een uur ben ik terug.
Het heeft vandaag nog niet geregend. Mijn vingers ruiken naar humusgrond. Zijbijmij geeft me een trui. Gehoorzaam trek ik die aan. Zal ik mijn grootvader toch maar op de heidenenplaats gaan begroeten? De doden komen weer tot leven. Mijn nicht stuift over de zetel. Vanavond eten we konijn.
Nu begint het hard te waaien. De bijeen geritselde bladeren vliegen in het rond. Alles zwiert en tiert. De tafel kraakt erotisch. Spijtig dat de bliksem niet komt. Ik ga ronddolen.
Witte rozelaars bloeien nog. Jachtdagen in deze streek. Jagers met rooie neuzen en afgerichte honden om overstekend wild te slachten. De beenhouwer is erbij. Raven hoeven niet bang te zijn. Die staan niet op het menu.
Laag vanuit het Westen prikt de zon in mijn ogen. Rechts volgt een schaduw over het omgeploegde land. De bomen bewegen niet meer. Toch voel ik wind in mijn oren. Dit voelt niet als begin november aan.
De spin begint te vasten. Spinnenwebben op deze leeftijd herkennen. Als kind zag ik de essentie niet, wist ik niet hoe sterk die ragdraden waren. Het was er gewoon als een mythe die speelde met mijn fantasie.
s’ Avonds lijkt het zo oneindig stil daarboven. Een vallende ster. Het gaat te snel om nog een wens te doen. Ik blijf wel achter, degene die het licht uitdoet. En jij neuriet zo weldadig. Je ruikt zoals je altijd was, zonder redenering als een dier, een eeuwig litteken in mijn ziel.zaterdag 28 november 2009
Gisterennacht toen ik buiten was hoorde ik zijn moeder schreeuwen aan onze haag. Vrouwen weten alles maar deze vrouw wist niks meer en wou zo snel mogelijk dood. Dat raakte me zo dat ik niet naar haar toe kon gaan. Het stormde. Misschien was dat beter zo.
Sombere dag. Echt klaar wordt het niet. Alsof het licht sterft voor het geboren wordt, zei een medemens. Ik pers limoensap en doe er rietsuiker bij.
Doodsklokken op het middaguur. Dan ben ik geschoren, zijn mijn tanden gepoetst en doe ik mijn grijs kostuum aan met zwarte sokken om mee in de stoet te gaan. Gek dat er gisteren ook iemand geboren werd. De witte overblijvende roos klampt zich nog hardnekkiger vast in deze kille dagen. Indien woorden troosten en we de pijn onder elkaar verdelen zal het beter gaan.
Het is tijd om ernaar toe te gaan. Eerst een glas wijn.
‘Papa, ga eerst naar het toilet’ zegt mijn zoon. Er is geen plaats meer in de kerk. We blijven buiten staan. De pastoor heeft er luidsprekers neergezet. Grafdelvers in fluor kleren hebben al een put gegraven. Ik krijg het koud. Wat doet een ander nu?. Tranen hun ogen? Eten ze straks een hamburger of konijn? Hoe zit het in de steden, metro’s en stations? Het is al zo lang geleden. Deze dag is om te zwerven, naar hoeren kijken...geschoren. Waarom zou ik schuilen als ik van regen en bliksem hou. Wordt die jas van koeleer dubbel zo zwaar door dit strontweer//dacht ik//dicht iets over een schuilplaats voor een winterslaap, maar waarom zou ik dat doen als ik van regen en bliksem hou? Dit wordt niks. Als ik niet meer terugkom uit een droom//weet dan//dat ik maar verdwaalde uit nieuwsgierigheid.
hond
Eerst had ik me voorgenomen het niet te doen//tot//en dan//onhoorbaar op een morgen ik haar een overdosis slaappillen gaf in afwachting buiten aan de schrijftafel. Ze lag naast mij. Dat heeft ze altijd gedaan.
Een gewone werkdag voor de mens//laatste ogenblik voor haar.
Ze slaapt of doet alsof om me gerust te stellen.
En dan tokketok op de deur. De man doet zijn werk. We kijken toe hoe het leven wil overleven.
Het is nu tijd voor een slok elexier met zilverkorrels. Ondertussen zal de wesp niet prikken, hebben de vogels geen honger meer en tolt de aarde een nieuw seizoen voorbij.
feest
Geachte mevrouw,
Geachte heer,U nam onlangs deel aan de jacht naar het ultieme provinciegedicht. De buit telde 252 gedichten van 137 deelnemers. Uit deze vangst werden 14 gedichten van 10 schrijvers gekozen.
Jammer genoeg werd uw gedicht niet geselecteerd.
Oe/ha/nomo kita/adjhoula, adjhoula.
Het is feest. Een mix van nieuwe en oude vrienden. Ook onbekenden. Geen sms-duimen of iPodvingers hier, behalve Gilbert. Die heeft van de porno op zijn harde schijf een laptopnek en een muispols overgehouden. Zijn vrouw weet er niets van.
Françoise heb ik twintig jaar niet meer gezien. Herman heeft een aluminium plaat van het Atomion gekocht. Voor hem heeft het een sentimentele waarde.
Ik begrijp u, zeg ik. Toen ik klein was ging ik te voet van Sterrebeek naar Nossegem. Halfweg was een heuvel vanwaar je, als het schitterend weer was het Atomium kon zien.
Hebt gij het echt niet koud in dat T-shirt hier buiten in de frissigheid?
Neen, eigenlijk niet.
Er komt iemand buiten die zegt: gij, gij zijt nen toffe gast. Het is Wodec, de Pool. Hij vertelt met veel gebaren dat zijn land helemaal plat gebombardeerd werd. Geen enkel monument was overeind gebleven. Hij zegt dat hun geschiedenis tastbaar blijft in verduurde holten van kogelgaten in de bouwsels die overbleven. Hij toont een muntstuk, vandaag gevonden bij de graafwerken.
Het is Belgisch, antwoord ik.
Ik heb mijn gehoorapparaten niet in, mijn bril vergeten en heb geen gebit in mijn mond omdat het er voortdurend uitvalt. Liplezend hier en daar meeluisteren, maar algauw gaan mijn ogen op iets anders af. Zoveel mensen tezamen in een keer. Ik loop ertussen en blijf soms staan.
Toefietof/shofalamie. Deze woorden zijn van mij.
Wie wil een toetje met paté? Ik heb hem zelf gemaakt. Proef ervan, er is genoeg.De dag erna wasemt de ochtend in mijn gezicht. De consumptie ligt nog te rotten in mijn maag.
lentefoezel
‘Alleen met een verjaardag mag je iets voorlezen en maak het dan niet te bont’. Mijn vrienden voor het leven moeten van kamelen niet weten. Bij hen kan ik mijn gedachten erbij houden, de redenering volgen.
Net voor ik wilde aanbellen stond ze in de hall. Hoe ze wist dat ik aan de voordeur stond blijft een raadsel tenzij ze toevallig net de trap afkwam. De tafel staat gedekt in de tuin. Daktuin in de stad. Een oase voor gevleugelden.
‘Zie dat je de champagne die ik meegebracht heb nu niet ontkurkt want die heeft achttien kilometer in mijn fietszak gezeten’.
Ik heb hem opzij gezet, zegt ze. Ondertussen heb ik mijn hemd, schoenen en kousen uitgedaan. De anderen komen een half uur later. We zijn met zeven.
Hmmm...mooi...heerlijk. Wat voel ik me gelukkig, en de zon, en die tafel...moet je zien!
Je haar is zo grijs?
‘Dat komt omdat zijn kop verbrand is door de zon’. Schuin voor mij zit hij te grijnzen. Net zoals ik heeft hij zich geschoren. Twee vrouwen hebben hun haren gekleurd. Met profijtige vingers neem ik een toast.
Ik voel me zo gelukkig, zegt ze opnieuw terwijl ze haar blouse uittrekt. Het is hier zo warm in de zon. We vragen ons af of de zomer nu begonnen is. Het is de schuld van het broeikaseffect.
Niet zeuren. Laten we ervan genieten.
We heffen het glas op...'zijn begrafenis ' schatert hij met een verrimpelde vinger naar mij wijzend. Volgens hem zal ik de eerste van dit gezelschap zijn die zijn toekomst heeft verbruikt. Dood in een wijnglas. Dat wordt dan feest met de beste chocoladetaart en drank in overvloed.
In de straat koersen wielrenners om te winnen. Ze spurten de laatste ronde.
Nummer eenentwintig gaat winnen.
Neen, nummer één.
Eenentwintig klinkt beter. Nummer één maakt geen kans.
Ik heb nummer één gekozen omdat hij zonder zadel fietst. Dat maakt het spannend.
Dan barst hij in lachen uit. Het verwondert de vrouwen niet eens. Ze zijn gewoon dat we in alle ernst met mekaar zwanzen.
Een van hen gaat uit de bol en drukt haar vrouwelijkheid tegen me aan. Niets met honger naar lichaamscontact te maken; ze is gewoon zo als ze aan de foezel zit. Vegetarische Lasagne is haar specialiteit. Ze luistert niet eens als ik iets zeg. Op een keer gromde ze door gemis aan wanordelijkheid in het openbaar haar woede hierover uit. De omstanders waren verbaasd en een van hen zei: 'mevrouw, dit is niet normaal'.
‘Het is fair om zo te zijn en ik kan snotneuzen bekoren met mijn lach’ had ze geantwoord, waarna iedereen zweeg.
Ik gooi een broodkorst weg. Een kraai pikt ze op en vliegt ermee weg in een wijde bocht. Broodkorst op reis.
Herinner je nog dat / weet je nog / ja, en weet jij nog dat / luister / ken je dat / wacht even / heb je dit al gehoord / och ja / weet ik nog / weet je wat / neen / we sprokkelen het bij elkaar…/ ik weet wat je wil zeggen / wat dan / we maken er een hitparade van / van wat / van wat vergetelheden / en jij…/ wat ik / jij zorgt voor ondertiteling.