Subject: dinsdag 11 april 2006
Ook al is ze bijna zegtig, ze moet nog manieren leren. Met een zakje “Krupuk” in mijn linkerhand zeg ik: zit. Ondertussen ga ik verder van haar weg en als ze aanstalten maakt om naar me toe te komen zeg ik: zit.
Als ze dan zit krijgt ze een “Krupuk” als beloning. Anders eet ik het zelf op, dat krokant weet-ik-niet schelpje met vissmaak betoverd.
Iemand zei: ge liegt tegen mij.
Aangedaan keek ik haar aan en zei: mijn leugen is waar.
Dan gingen we op reis naar het zuiden op een avond in een stad volgebouwd met restaurants. De kelners probeerden op straat klanten binnen te lokken. Er heerste een enorme drukte. We besloten om met ons lichaam over de stad te vliegen waarna we in een weiland terecht kwamen. Daar ontmoetten we een eenzaat die een paard bezat. Telkens als iemand voorbij kwam sprong het paard over de omheining om de voorbijganger te groeten.
Op een keer was het paard alleen en vonden we de eenzaat in een sloot. Zijn bovenlichaam was verstijfd. Zijbijmij droeg hem op haar schouders. Hij leefde nog maar sprak niet meer. We brachten hem naar het dichtstbijzijnde huis.
Daarna stonden we in een groot gebouw met veel verdiepen. Beneden waren ze het aan het verbouwen. Mijn vader liep tussen de werklieden en had een leidende rol. Hij was nog jong. Ze stoomden behangpapier van de muren.
Ik ging buiten en stak een Cubaanse sigaar aan die ik van een vriend gekregen had op een feest. Er was een scheur in de sigaar en het tabaksblad verpulverde in mijn mond.
Plots besefte ik dat zijbijmij verdwenen was. In paniek ging op zoek in het gebouw maar vond haar niet. In elke kamer waar ik binnen kwam waren de mensen kwaad om mijn onverwacht bezoek. Ik voelde me onderdrukt en had een groot verlangen naar haar. Zonder haar zou ik dit leven niet overleven.
Dan ging ik naar het huis waar we de eenzaat achter gelaten hadden. Hij leefde nog en zei: ze is hier geweest en is net vertrokken. Ik ging buiten en vond het paard.
Weeral word ik wakker. Onderweg twijfelt een haas of hij zou vluchten voor mijn nabijheid en sprokkelen kraaien takken voor een nest. Het zonlicht blijft verdoken in een dichtgeslibde lucht. De dag woedt verder tot het avond wordt.
Subject: maandag 8 april 2008
Vanmorgen onderweg
keek ik naar dampende mest.
En nu…
is er veel verkeer op de brug
met graffiti op haar peilers.
Hoogspanningsmasten grijpen verbonden
in een wolkenloze hemel.
Zonlicht schijnt over lentebloesem
vingerschaduw op dit blad.
Aan een oorlogsbunker blijf ik staan
en kijk naar de voorbijrazende trein op een verhoogde berm.
De pisbloemen bloeien al dood.
Zondag 9 april 2006
5h ’s morgens: ik ben opgestaan, drink lauwe koffie als overschot van gisteren en eet de rest van de suikertaart. Ik had een vreemde droom. Mijn familie had me verlaten. Ik voerde een anarchistische strijd tegen een uiterst rechtse gemeenschap waarbij mijn broer zich had aangesloten. We leefden op voet van oorlog. Ik was niet alleen. Ik leidde een verzwakt volk dat steeds op de achtergrond bleef. Heel zelden ontmoette ik mijn familie die mijn levensstijl afkeurde. Mijn broer speelde een cruciale rol. Ik stond op het punt broedermoord te plegen, klauterde over een omheining en werd achtervolgd door een stier. Dan ontmoette ik mijn oudste zoon. We sliepen als tegengestelden buiten dicht bij elkaar. Hij werd wakker als een kind en vroeg om bladgoud te eten.
Dit is geen dag om binnen te blijven. De zon schijnt, geeft warmte ook in tegenwind. De markt is zoals alle zondagsmarkten zijn: alledaags op een zondagvoormiddag. Ik zei het al of wellicht nog niet: we zijn bij het krieken van de dag opgestaan. Laten we weggaan, zei ze.
Toen we terug kwamen reed ik voorop en verdwaalden we kortstondig langs veldwegen. Stilaan wordt het dan later.
Nu is het vooravond en riekt het binnen naar soep. Iemand stapt mijn omgeving voorbij. Waarschijnlijk een vrouw of een man.
De geur van mijn vingers, mijn pols…doen me denken aan deze dag. Het is zondag.
Er komt nog iemand voorbij. Weeral heb ik niet gezien of het een vrouw of een man is. Het was op een draf, een loopje. Waarschijnlijk gaat hij of zij naar huis, gaat dan onder een regendouche of in een heet bad met geurige oliebolletjes die langzaam ten onder gaan. Daarna soupé met namaakkaviaar en champagne.
Wie weet wat er nog gaat gebeuren nu het donker wordt.
Ze zeggen dat op dit uur de merels fluiten. De zon gaat onder langs de volwassen berk. Het eten is klaar.
Ik eet weliswaar met mate een avondmaal. Ziehier de romantiek van een zonnestraal in een volle maag. Wat ben ik blij om tot de bevoorrechten van deze wereld te zijn.
De nog thuiswonende zoon stuift de trap af en vraagt welgemeend of het morgen paasmaandag is.
Neen, dat is pas volgende week maar laten we proberen om een kokosnoot open te breken zonder teveel lawaai.
Ik hak met een scherp vleesmes met verbazing het hoofdje van de noot eraf. Heerlijk dat kokossap, zegt mijn zoon. Hij snijdt het witvlees eruit en zegt: ‘van de schelp maak ik een asbak’.
Maandag 10 april 2006
Op een plaats staat een ijzeren apothekerskast met ruiten. Op de schabben ligt afgestorven materiaal. Drie uitgedroogde libellen, drie kikkers, twee muizenskeletten, een addervel, fotos van overledenen…ze liggen daar maar roerloos in een laatste beweging als levenden in mijn wereldbeeld.
Af en toe kijk ik ernaar en toon ik die afgestorvenheid aan de overlevenden.
Vooral de jongsten zijn ervoor. Als ze langs komen open ik de glazen deur en mogen ze van dichtbij kijken en voelen aan wat van het leven overblijft.
Voorzichtig raken ze dan die versteven lichaampjes aan en vragen ze verbaasd: nonkel Eddie, waar heb je die gevonden?
Dan vertel ik dat het toeval was, dat je nu eenmaal niet moet zoeken en dat alles vanzelf komt als je goed kijkt.
Met zo’n verzameling begin je niet van kindsbeen af. Dat doe je maar onbewust op een keer…of nooit., maar zeker niet op een middag in uw jeugd.
Weeral schijnt de zon over dit blad papier en zijn mijn vingers koud. Ik schrijf verder tot mijn woord verstomt.
27 april 2006
.
Het gebeurt zelden dat ik uit een droom wakker wordt met doodsmaak in de mond. Dan besluit ik te stoppen met roken en mij de drank te onthouden. Ontbering is met stijgende wanhoop het middelpunt van niks beleven. De dood spuwt toch de waarheid in het gezicht.
Diep in mij sluimert een gevoel van onvolkomenheid met gebrek aan zelfrespect. Als ik om me heen kijk zie ik hoe goed iedereen het doet, bijna volmaakt. Ze vertellen zonder haperen, bijna vlot.
Bij mij is niks bijna. Niks wordt nauwelijks iets en iets is meestal niks.
Neem nu die dame die me gisteren tijdens het middaguur belde. Ik zat buiten en had net een middagschotel besteld. Ze vroeg of ik even tijd had om een paar vragen te beantwoorden. Natuurlijk had ik tijd.
Waren de mensen vriendelijk en beleefd aan de telefoon, vroeg ze.
Natuurlijk waren ze beleefd en vriendelijk.
En de mensen die je ter plaatse ontmoet hebt, ben je daarover tevreden?
Natuurlijk ben ik daarover tevreden.
Na nog vragen die ik deftig beantwoorde mocht ik als een echte schoolmeester een quotering tussen nul en vier geven.
Drie op vier, zei ik.
Ze had me net zo goed kunnen vragen of ik de ronde van Frankrijk met of zonder zadel zou fietsen. Toen haar stem me nog een prettige dag wenste dacht ik: wat een klotejob.
29 april 2006
Het begon bij mijn vader die ziek werd. Uit zijn huid droop een pijnlijk vocht.
Het was besmettelijk want mijn moeder kreeg het ook. Daarna mijn broer, mijn zus en de mensen om me heen. Plots liep ik op een landweg ingesloten door grasweiden. Er draafde een paard recht op me af. Ik ging liggen op de weg en sloot mijn ogen. Het paard kwam naast mij liggen en was bang dat het me zou verpletteren, maar het neuriede lieflijk en omhelsde me. Dan brak een woeste stier vlakbij door een afspanning. Opnieuw sloot ik ineengekrompen mijn ogen en kwam in een verouderd klaslokaal terecht. Mijn medeleerlingen waren jonger dan ik. Ik spijpelde voortdurend en had nooit schoenen aan. We moesten in een cinemazaal een voorstelling bekijken over een torenkraan. De ruimte was immens. De kraan stond er echt. Er was geen scherm. We moesten aandachtig kijken. Achteraf zouden er vragen over gesteld worden. Weeral sloop ik op versleten sokken naar een belendende ruimte. Tot mijn verbazing zat daar een vriendin die ik lang geleden niet meer
gezien had. Ze vroeg of ik karnemelk meegebracht had.
Ik heb de laatste fles leeggedronken, zei ik.
Pas dan zag ik de gaatjes in haar huid waaruit etter sijpelde. Ik wou terug, maar aan de deuropening gaapte een weidse diepte.
maandag 12 juni 2005
ze zit op een bank midden in een stad
we hebben op het middaguur afgesproken
ze is op tijd
ik ben twee minuten te laat
eerst nog even naar het buro
dan terug naar de zitbank
dagschotel, sla, …de wijn is voor haar
de dames zijn in dit gloeiend weer licht gekleed, getooid in geel, roze, blauw, verbloemd
vrouwzomerbloesem gesprenkeld met dure parfums
diep uitgesneden decollete en gebronzeerde benen in laarzen met hoge hakken
de mode heeft het uitzicht van het zomerseizoen bepaald
de winkel met grote maten had wel iets
volronde dames zonder corset die hun gading vinden
sierlijk staan ze solidair te passen voor de spiegel
de kleinste maat iets te klein
de grootste maat iets te groot
tot het ultieme kledingsstuk rond het lichaam past
die winkel met grote maten
daar zie je geen klasseverschil
ik heb ondergoed gekocht
geen schoenen?
neen, ik had geen tijd het heeft wel iets, die weg door het veld waarover je altijd vertelt
ik heb dorst drinken we nog iets?
ik ga nog winkels in en uit blijf jij maar zitten
ik gluur naar schoonheid die passeert
daarna komt ze terug en ga ik schoenen passen, kleedjes bekijken, in en uit
vanuit gloeiende zon langs trottoir naar binnen en buiten
onvermoeibaar
tot mijn verschraalde tong langs mijn enkels daalt
en ik verzuchtend op een terras de hitte met koelte verdrink
ze is opnieuw verdwenen in de straat
en dan komt ze terug en zegt ze: kijk wat ik gekocht heb
drink ik de lauwe fond uit mijn glas kom we gaan naar huis
mei 2006

Ik lees dat deze samenleving naar de verdommenis gaat en dat het ooit zal beteren omdat de geschiedenis zichzelf herhaalt. Er zou een zekere wetmatigheid bestaan met voorbedachte rade, een plan.
Dan neem ik een boomstronk en gooi hem weg, vraag me af of het toeval is dat hij daar nu ligt op die onbepaalde plaats. Of zoals gisteren met vijf aan tafel
niet zomaar omdat we nog altijd aan tafel zaten
maar iemand die als een druppel water op zijn vader lijkt gaat weg en zegt:
tot morgen. De hond snurkt.
Toen die reactor twintig jaar geleden in Rusland ontplofte was ik thuis een gasleiding aan het plaatsen. We overwogen om onze kinderen een tijdje binnen te houden en waren kwaad dat dit kon gebeuren. Slachtoffer van vooruitgang gekozen door de meerderheid die zijn leiders heeft die ze verdient.
Nu werd er een jongeling doodgestoken. Ze zijn massaal op straat gekomen om te protesteren tegen geweld.
Dat mensen wereldwijd geslacht, onderdrukt en de hongerdood gewaar worden kan hen geen moer schelen. Het ver-van-ons bed gebeuren mompelen ze hooguit afkeurend in vriendenkring. Nu het voorval zich voordeed op een plaats waar menig burger al eens voorbijgaat krijgt geweld plotseling gestalte.
Opgehitst door de media gaan ze dan met geveinsde ingetogenheid protesteren. Wat me verontrust is dat men angstgevoel met medelevendheid verwart. Liepen diegenen die de steekpartij van dichtbij zagen zonder in te grijpen ook in de stoet? Ik ben ook een lafaard maar protesteer het niet.
Ik heb de hik.
Een wind in de broek kan je nog onderdrukken maar de hik, daar geraak je niet zomaar van af. Onbedacht, onvoorspelbaar is hij en bepaalt de tijd van hikkend interval. De hik laat niets aan het toeval over…verstoort in het openbaar tot hij bevrijdend verdwijnt. De hik is weg. De stuiptrekkingen zijn verdwenen.
Ik heb een, net boven de wortels dwars doorgezaagde schijf van een oude eik gevonden, meegesleurd, het kopshout geschaafd en het brutaal gebaar van de boomzaag in het hart bewaard. Hij heeft een jaargetij binnen gelegen. Ik heb hem pal voor mij buiten op een tafel gezet en kijk ernaar in gedempt avondlicht. Nu pas zie ik de schoonheid van zijn nerven. Hij lonkt naar mij in zijn vergankelijkheid. In angstaanjagende stilte toont hij zijn vroeger bestaan. Er is een relatie ontstaan met die zwijgende getuige van het leven. En vraag ik af, hoe zou het zijn om als een mier zijn landschap te verkennen of hem als olifant op mijn weg te passeren.
Ik had evengoed een mier of een olifant kunnen zijn, of een boom.
dinsdag 9 mei 2006

11h45: Eindelijk schijnt de zon op een bank in het park. Een man leest wandelend de krant. Niet ver van mij zit een vrouw op de bank met op een duidelijk begrensde afstand haar fietsend kind. Dit park is zo voorspelbaar gestructureerd en mist wanordelijkheid. Er komen drie deftige heren voorbij.
Een uur later eet ik op een terras in een zijstraat van de Wetstraat een schotel zuurkool en fiets dan verder de stad in. Nu nog wat kleingeld in een bedelaarskroes en dan ga ik langs kasseistraten naar Molenbeek plassen bij Hammed. Als ik binnen kom vraagt hij of mijn fiets is vastgemaakt.
Ja, zeg ik, en vraag hem of men hier fietsen steelt.
Als je niet goed uitkijkt halen ze zelfs het zadel eraf, antwoordt hij met een Arabisch accent in het Frans.
Een Afrikaan vraagt een sigaret.
Ik heb alleen tabak mee.
Mercie.
Met veel plezier, zeg ik in het Frans met een Vlaams accent.
Men zegt dat deze buurt onveilig is. Weet ik veel. Misschien heb ik weer geluk.
Ik kan het me niet laten om langs het Noord door de rue de Brabant te flaneren. De bordelen zijn er verdwenen maar zie, nu verkopen ze er alles. Schotelantennes, microgolfovens, pannen en kruiken, schoenen, groenten, waterpijpen, wierook…het staat allemaal op de stoep. En dan die vrouwen van gezette leeftijd met acajou gekleurde haren en een piercing in hun neus. Ik ga pas naar huis wanneer het zonlicht strijkt.
Parijs
Donderdag 11 mei 2006
Gisterenavond bagage ingepakt. Vanmorgen voor acht uur vertrokken. Blauwe hemel. Ontbijt in Leuven in de Parijsstraat op een terras. Dan langs de abdij van het park via Bierbeek naar Hoegaarden. Aan de trappen van het gemeentehuis eet zij een broodje en ik sardienen uit blik dat we net gekocht hebben. En wie komt daar aangewandeld? Michiel. Hij trakteert ons achteraan op een pint. De zon gloeit.
Vanuit Hoegaarden volgen we het fietspad, wat men de Ravelroute noemt, tot in Namen. Het is een recht en vlak pad door bebost gebied. Daarna langs de Maasvallei naar Wepion.
Een fles Porto en kaaskoekjes, een hap in Lunchgarden…nog vijf kilometer rijden tot de eerste slaapplaats in le chateau du beau Vallon. We hebben 92 km gefietst. Nog net op tijd om de zonsondergang te zien.
Vrijdag 12 mei 2006
7h30: De zon schijnt door de sparren langs het open venster in de kamer. Ik blaas haar wakker.
Aan de ontbijttafel zitten twee mensen van onze leeftijd die naar de Provence fietsen. Ze zijn vier dagen onderweg. Zij lijkt ouder dan hij.
9h: We fietsen verder door de Maasvallei. De meeste fietsers die we tegenkomen zijn vijftigplussers.
Halverwege Mariembourg … ‘les boulettes de la maison’ en ‘croque monsieur’ aan een terras in de schaduw. Het is heet. Tijd om af te koelen. Terwijl zij in een tijdschrift bladert lees ik de krant.
Dan steken we de Maas over langs een doolhof van smalle brugjes. De weg gaat verder recht door een bos. Dit wordt kilometervreterij. De overnachtingplaats moeten we op tijd bereiken want we hebben er avondeten besteld.
19h: De tafel staat gedekt in de tuin. De gastheer en zijn dame spreken met een Antwerps accent.
Een streekbier als aperitief, bij het eten een goeie fles wijn en na het dessert een push-café.
Na de schemer ligt ze verzadigd en moe op bed een boek te lezen. 72 km afgelegd. Ik ga nog even in het dorp. De mensen zitten buiten te praten. Op de terugweg hangt een kruidengeur van barbecue in de lucht.
Zaterdag 13 mei 2006
8h: vannacht heeft het geregend. Het is bewolkt. Bij het vertrek na het ontbijt regent het opnieuw. Een uur later wordt de hemel blauw en trekken we regenkledij uit. Ik rijd in T-shirt. We fietsen langs landwegen naar Parijs.
In Balieux kopen we brood, paté de campagne, andouille en champignons in tomatensaus. Picknick op de trappen van een kerk met tafelwijn. Daarna fietsen we langs een asfaltweg de grens over. Er is een vervallen café dat waarschijnlijk nog de tweede wereldoorlog gediend heeft. Dan gaat het verder door een bos tot in Saint-Michel.
Omstreeks 17h zijn we aan de ‘chambre d’hôte, rue Jean Charton 18. De dame die ons verwelkomt is veel ouder dan ze eruit ziet. Geblondeerd, opgespoten lippen, weggetrokken rimpels, een boezem om U tegen te fluisteren en gekleed als een wulpse tiener.
Die valt nu echt in mijn smaak, zeg ik.
Hoe is dat toch mogelijk, zegt ze onbegrijpend.
Het huis is vol romantiek. De inkomhal en de trap zijn versierd met roze en witte (namaak)bloemen. Hemelbed op de kamer. Opnieuw roze en pastel, spiegels en antiek. Satijnen kussens, frullen en franjes. Zelfs het wc-papier is geparfumeerd.
’s Anderendaags ontbijt met een man en vrouw rond pensioen. De gastvrouw tatert voortdurend. We vertrekken een half uur later.
Het is geneveld. De weg gaat lichtglooiend door gele koolzaadvelden, kleine dorpen zonder winkels en staminettes. In de late namiddag zijn we in de laaggelegen voorstad van Laon. De kathedraal is gebouwd op de top. Zodra we de spoorwegbrug overgestoken zijn beginnen we aan de steile klim. Om 17h zijn we boven en boeken een overnachting in hotel ‘Les Chevaliers’. De fietsen kunnen we binnen zetten.
Wijn, hertenpaté met zoutkoekjes op de kamer. Dan slenteren door de kleine stad ondergedompeld in strijklicht.
De immense ruimte in de kathedraal is adembenemend. Het licht dat langs de glasramen binnenvalt wordt gevangen tussen bogen en gewelven. We horen een engelenkoor weergalmen en lopen traag door de enorme middenbeuk. Naar buiten voor het portaal neem ik in een lichtstraal een foto van haar. Vanop een stenen reling hierboven zien we het landschap waar we doorgefietst zijn. We proeven van de plaatselijke keuken in een restaurant. Voor mij een andouillette en voor haar een opgevulde pannekoek. We kletsen tegen elkaar als goede vrienden.
Schuin tegenover zit een Afrikaanse vrouw met een wat sullige Europese jongeman. De vrouw kijkt verveeld om zich heen.
22h30: een sigarettrek in de vensteropening van de badkamer. Ik registreer nu zonder diepgang. Tijd om slapen te gaan.
Maandag 15 mei 2006
Door die andouillette heb ik vannacht intens gedroomd.
Het is 6h30. Ik zit opnieuw in de vensteropening van de badkamer een sigaret te roken. Iemand van de vuilkar plukt met een grijpstok zwerfvuil van het trottoir. De helft blijft liggen. De man staat er blijkbaar alleen voor.
Terwijl ze uitslaapt ga ik in de stad wandelen. De onbemande kabellift die het lage met het hoge stadsdeel verbindt, gaat met hoge snelheid heen en terug, echter zonder pendelaars.
Midden in een zijstraat aan ‘La Place General Léclercq’ laat een jongeman zonder gêne een hond zijn behoefte doen. Een uit tegenovergestelde richting komende voetgangster werpt met enige afschuw een blik naar de langwerpige zandkleurige drol.
Het maandagochtendleven komt op gang. De kokette dames op de trottoirs vormen een schril contrast met de vervallen natuurstenen gevels. Nonchalante schoonheid. Klakkende hakken op de kassei…klak…klak…klak.
11h: vertrek. Na de steile afdaling rijden we enkele kilometers verloren tot we het pad naar ‘Coucy-le-château-Auffrique’ gevonden hebben. Het wordt een etappe van amper 40 km. Vandaag is het rustdag.
12h30: pichnik aan een publieke tuintafel in Cessieres (klein dorp).
Ik heb mijn gehoorapparaten aangedaan en hoor enorm veel vogels fluiten. Het is matig warm met opklaringen. Zij verdiept zich in een kruiswoordraadsel. Ondertussen schrijf ik aan ons reisverslag. Plots valt er af en toe een drup regen.
16h35: hotel ‘Belle Vue’, gezellig ouderwets. Terras in warme zonneschijn. Dorst en Leffe. Net voor we hier toekwamen hebben we twee zware klims gedaan. Ik in laagste versnelling, zij te voet. Burlp…die Leffe smaakt. Ik ga een krant kopen. De klokken luiden het merelgefluit even weg. Mijn gehoorapparaten krijgen hier betekenis. Vive la France! Merde aux voitures! Vandaag zijn we amper twee fietsers tegen gekomen.
Ik bestel ‘un grand café au lait’. Ze vindt die jonge serveuse onsympathiek. Ik niet. Ik hou van die koele uitdrukking en dat handje dat de deur dicht smakt in plaats van dicht te doen. Daarachter ligt meestal een ondoorgrondbare reden. Niet dat ik haar badwater zou willen drinken, maar toch, het heeft iets.
Dinsdag 16 mei 2006
Zo een fietstocht zorgt voor een perfect evenwicht tussen lichaam en geest, zegt ze. We hebben 61 km gefietst voor we overnachten in Orrouy in een chambre d’hôte. De gastvrouw, rondborstig struis en een te grote neus, vraagt of we vanavond mee eten. Natuurlijk eten we mee. Ze toont ons langs een stenen trap onze kamer. Eenvoudig en weldadig.
De mussen pikken hier het eten van tafel terwijl je erbij zit. Zwaluwen in zwermen. Zoete geur van bloemen gekruid met pittig cederhout.
20h: we schuiven mee aan tafel en zijn met zes. De gastheer die tevens burgemeester is, verschijnt als laatste met in zijn linkerhand een fles wijn. Een monument van een vent met politesse.
Het eten wordt opgediend. Kalfskop, sla, entrecôte, brood, kaasschotel, perzikentaart…ik kan niet meer! Ik versta amper wat hier aan tafel verteld wordt. Die Fransen rollen in een recordtempo woorden langs hun gehemelte naar buiten. Geen wonder dat ze hier tegen de Europese grondwet gestemd hebben. Morgen nog een tussenstop. Overmorgen zijn we in Parijs als alles goed verloopt.
Woensdag 17 mei 2006
6h45: De zon geeft al warmte in de hoger gelegen velden. Ik moet op tijd terug zijn om haar wakker te maken voor het ontbijt. Stipt om 8h wordt de tafel gedekt. Ik laat de ochtendlucht diep in mijn longen dringen, blaas ze krachtig uit, herhaal tot lichaam en geest scheiden.
Na het ontbijt willen we nog een dag langer blijven, zonder moeite en tijd zat.
De dorpen in deze glooiende landschappen zijn onveranderd gebleven. Alleen de weg heeft er een asfaltlaag bij gekregen. De huizen zijn opgetrokken met gekalibreerde witte steen en tegelpannen daken. Daartussen geel, wit en purper bloeisel dat gedachten bedwelmt. Hoofd ondersteund door linkerarm, verrijkt met leegte. Men zegt dat gemis de basis vormt voor een goed verhaal. Nu ik niets mis, niet het minste verlangen heb en alleen nog het ogenblik koester, verkleumt mijn pen bij elke zin. Binnen klettert geluid als afwas zonder afwasmachien. Ik dacht ook kikkers te horen in een kwakkend geluid.
Leven ingekapseld in tijd en ruimte. Oneindig ziet het kind akkers opnieuw bloeien, heersen verzonnen Goden onmacht der wijzen tot het licht dooft.
Is het een zwaluw of een vreemde vogel die dit geluid maakt? Het lijkt op een snel kabbelend riviertje, maar dan vanuit een boom.
11h: La Collégiale St. Thoma, gebouwd in 1182. Aan de ingangsboog is een inscriptie: ‘Le peuple françois reconnaît l’Etre Suprême et l’immortalité de l’âme’. Ik koop een bloedpens die we op een bank achter een kermismolen op eten. Zij proeft twee centimeter. Ik slok achtentwintig centimeter naar binnen. Mijn vingers hebben er een bruin-rode kleur van gekregen. Ze zegt: veeg uw mond schoon.
Op de heuvel aan de ruïnes van een Romeins amfitheater slaan we een bospad in. Daarna keren we in tegenwind terug. Nog tachtig kilometer tot Parijs.
Donderdag 18 mei 2006
22h53: place de la Bastille in Parijs. Ongetwijfeld drinken we cocktail op een terras. We hebben vandaag 95 km gefietst. De laatste 30 km met tegenwind langs een fietspad naast het kanaal. Tot onze aangename verrassing hebben ze hier fietspaden en nog veel fietsers ook, zelfs op dit uur. Deze stad bruist.
We drinken met een rietje van de cocktail. Ik kus haar op een wang. We hebben een goedkoop hotel gevonden in de rue Antoine. We konden onze fietsen in de inkomhal zetten. Kleine kamer met twee eenpersoonsbedden. Ouderwets en versleten maar het werkt. Het water is even warm als in een viersterrenhotel waarvoor je hier gemakkelijk tweehonderd euro betaalt. In dit hotel mag je zelfs roken op de kamer.
Het is nacht. We drinken chocomelk met Cointreau. Ik lonk naar ‘les Parisiennes’ die zwierig voorbij lopen. Nu nog banen fietsers zich een weg langs het drukke verkeer. Ongelooflijk. Parijs is een fietsende stad in wording. Ik krijg zin om mijn fiets in het hotel te gaan halen maar dan rijd ik onherroepelijk verloren.
Vrijdag 19 mei 2006
Stations hebben iets spannend. Binnen klinken de ruimtes hol. Klimmen langs trappen met een fiets op de schouder naar het perron. Wachten op een trein. Onze trein. Staan we wel op het juiste spoor? Zal de fietsenwagon zich aan het begin of het einde van de trein bevinden?
We zijn iets voor middernacht thuisgekomen. De nog thuiswonende zoon zat TV te zappen. De hond was uitbundig aangedaan en de keuken lag wat overhoop.

zaterdagnamiddag zomer 1998
Stef tekent mijn zelfportret tijdens de siësta
dinsdag 23 mei 2006

Ik heb een zelfportret gemaakt en kijk ernaar, naar mijn ogen waarin ik zelden kijk, mijn tenen die altijd verborgen bleven, mijn blik zonder weinig uitdrukking omdat ik erin kijk. Mijn armen hangen slap aan mijn schouders, ongeschorenheid draagt een wit-grijze kleur met zich mee. Mijn haar is in de war. Ergens in onze wereld was de revolutie net gedaan. Zij zou later op de dag komen. In afwachting ging ik naar een jeugdherberg waar ik vroeger al gelogeerd had. Het was er nu vervallen. Het stonk er naar pis en bovendien was er geen plaats meer voor mij. Ik plaste in de hall, nam mijn bagage en ging in de stad.
De mensen zongen en dansten. Op een plein kwam ik mijn ouders tegen die op zoek waren naar een logement. Wat doen die hier in Nepal, vroeg ik me af.
Ik herinnerde me nog een leegstaand huis aan de rand van de stad.
Plots stormde een neushoorn op mij af. Ik verstopte me achter een houten wand. Dan zag ik haar komen langs een aarden weg. Ze herinnerde zich ook het huis maar had de neushoorn niet gezien. Er loopt hier een neushoorn rond, riep ik. Ze lachte en droeg een kind op haar arm.
zondag 25 mei 2006

In de mesthoop zoemen zeven bijen. Vandaag is het nog niet de langste dag. Ik doe verder tot in het schemeruur. Nimmer ben ik met mijn mesthoop zo intens bezig geweest. Hij dampt en ruikt naar zoetigheid.
Ge zijt zot.
Vannacht reed ik langs onderbroken wegen, stond ik in een fietswinkel waar niemand kwam. In het bos zag ik een panter vanuit een verlaten huis en kwam een kwartier te laat op het werk door een wegversperring. Aan het station miste ik de tram en nam wat verder de bus aan een roltrap met veel volk. Nu nog een schil soepvlees, dan een eerste sigaret in de wind. Daarna snuit ik mezelf een bloedneus. De rest komt vanzelf.
De buurvrouw komt terug van de krantenwinkel. De hond raast als een woeste beer naar de poort. Ze kan erom lachen en wuift me vriendelijk een goede morgen toe. Een beetje verliefd op zoveel genegenheid knipper ik wederzijds met mijn rechteroor. Het is een begin van een droge winderige dag met opklaringen.
Ik fiets naar de stad en neem mijn klassiek fototoestel mee dat ik al twintig jaar bezit. Een handbediend zwaar metalen apparaat met een zwart-wit film erin. Ik heb er een groothoeklens opgevezen. Daarmee ga ik straks op het trottoir aan portretfotografie doen.
10h55: ik koop in een grootwarenhuis groentesap. Net voor de kassa krijg ik weer een bloedneus. Genant is dat. Met mijn neus in de weer geef ik aan de dame achter mij mijn portefuille en vraag om te betalen. Als ik buiten kom schijnt de zon en is na vijf minuten het bloed in mijn neus gestold.
12h10: ik eet alleen gezeten op de oude markt een dagschotel. De wind waait het stof van de weg. Daarna laat ik op een bank in het begijnhof mijn eten verteren in bijtend zonlicht. Op de terugweg langs het veld heerst tegenwind. Het overbevolkt hoge gras woelt met de wind. Coureurs snellen mij regelmatig voorbij. Mijn fiets waait omver.
Het is weeral bijna eind mei en twintig voor zes. Ik heb karnemelk gedronken. Dan zet ik de oven aan, doe ik mijn vuile kleren aan om onderaards centimeters steen te bekappen. Het is goed zo, stuur de beesten maar naar huis.
zaterdag 3 juni...dinsdag 6 junu 2006

Het is nacht. Ik zoek in Domberg met de wegwijzers en een kaart mijn weg naar Breda. Soms gebeurt het dat ik verkeerd fiets en moet ik terug. En dan, als ik terug ben, merk ik dat het toch de juiste richting was. Dan moet ik terug en daarna verder, af en toe langs slapende dorpen. Ik voel geen pijn.
Op het laatst begon ik de controle over mezelf te verliezen. Het schemerde toen ik door het veld reed. De gewassen langs de rand namen de vorm van mijn verbeelding aan en waar er geen gewassen stonden zag ik ravijnen langs weerszijden van het pad. Ik ben tot het uiterste gegaan.
Ik ben nu 2 dagen onderweg en bijna in Amsterdam. Straks gaat de zon onder, kijk ik uit naar een overnachtingplaats. Doorfietsen tot een spoor naar braakliggend land. Er is nog licht genoeg om het tentzeil uit te zetten. Dan ga ik slapen.
Het is windstil onder het open zeil. Ik houd mijn kleren aan, gebruik mijn regenjas als kussen en trek de veel te kleine slaapzak waarvan de rits kapot is over me heen. Net wanneer de nacht uit de hemel weg gaat sta ik op.
De dageraad begint. Het blauw en wolken krijgen langzaam gestalte. Alles is ingepakt. Nog geen kat op straat. Alleen koekoeksroep en merels die fluiten. Tegen dat de zon schijnt ben ik in Amsterdam.
Het is fris op de fiets tot de zon wat hoger staat. Alleen de schaduwzijden hebben het dan nog koud.
Op dat moment ben ik Amsterdam binnen gereden. Een leeg Amsterdam met nog gesloten winkels. Alleen de mensen van de vuilkar zijn op straat. Ik heb me neergezet en ben tegen mijn fiets beginnen te praten, zomaar en niet lang. Voortaan zeg ik niet meer dat ik op reis ga, maar dat we op reis gaan.
Nog voor de cafés open gingen waren we al vertrokken. Van hieruit gaat het naar Rotterdam en dan naar huis. Dat heeft een dag, een nacht en een dag geduurd. Al die tijd heb ik niet geslapen.
land in...
denk een spinnenweb in rimpels van een stoel
dichtbij is een plein, een vijver
met vissen zonder reigers
en een neuspeuteraar in de schaduw
die wacht tot de zon lager staat
de sterren staan al in de lucht terwijl het nog niet donker is
zorg goed voor het kind dat pas geboren is
vanavond heeft de waarheid haar bestaan verloren,
verwerp ik…herschep ik haar
zomaar om over het vermogen te beschikken
fantaseer ik een werkelijkheid
de wereld herschikkend
met land in strijklicht
maandag 17 juli 2006

In een halfdroom ontmoette ik mijn nicht en nonkel als personages uit de late jaren zestig. Ik herbeleefde de begrafenis van mijn grootvader, ook al was ik toen nog heel jong. Terwijl de mensen langs de binnenkoer met een plechtige tristesse binnen gingen om de overledene een laatste groet te brengen, hoorde ik mijn grootmoeder ontroostbaar huilen.
Ik had het lijk ook gezien en was geschrokken van dat wit vertrokken gelaat met ingezakte oogkassen. Het rook er naar Keuls water. De dood bestond nog niet voor mij. Mijn grootvader lag in een diepe slaap en zou nooit meer wakker worden.
Ik werd wakker, keek door het dakraam, zag dat het klaar werd en hoorde duizenden vogels zingen in mijn kop. Plots begon ik neerwaarts te kantelen en hoorde achter mij een geluid dat op een aanraking leek.
in seizoenen bevroren winters
donker met slapende wezens
vliegen valken in rijm
boven een wolkendek
een moment
dacht ik bijna dat het gisteren was
de droomnevel trok langzaam weg
zondag 23 juli 2006

Zaterdagnacht was de hemel vol bliksemschichten. Terwijl de koelte ervan tegen het lijf joeg beukte de regen langs de open deur naar binnen. Ik was bang om nog in velden te gaan en kon niet slapen.
Ik wou buiten geen slapeloosheid schreeuwen want een zoon lag daar te slapen met een lieveheersbeestje op zijn wang.
Ik meet de tijd. Nacht is kort. Alles blijft aan zijn stengel hangen.
De koningin ligt boven nog te slapen. Ik wil haar verassen met een eenvoudig, doch heerlijk ontbijt.
Bij de bakker is het nog net niet aanschuiven in de rij. De mensen die in dit vroege zondagsuur in de winkel staan, hebben jongvolwassen de tweede wereldoorlog meegemaakt. Ze doen graag een klapke en betalen met eurocenten uit een volle geldbeugel alsof het goudstukken zijn.
Vandaag knip ik takken uit de lucht en zullen doornen mijn polsen doen bloeden. Ik zal stinken naar het zweet uit een warme dag en in de vooravond maak ik een vuur waar we ons eten op braden.
Zij, hij, hij en zij bij mij of hen niet bij mij. Hoe zou het zijn? Ik ben nog nooit eenzaam geweest. Felgroene vliegen laven nu honger en dorst uit leeggeschraapte borden.
maandag 7 augustus 2006

De modder van de voorbije dagen is opgedroogd. Mijn wielen zullen in dalen niet vastlopen, mijn sandalen gaan proper blijven. Onderweg fantaseer ik over hoe simpel een samenleving zou kunnen zijn, hoe mijn leven evengoed anders kon zijn.
Jef zit op dit uur al op den buro. Als ik binnen kom zeg ik: ‘dag Jef’
en antwoord hij: ‘hmm’.
Dan trek ik mijn botinnen aan, vergewis me of mijn vulpen in mijn bovenzak steekt, neem mijn notitieboek uit de lade en zeg: ‘Jef, ik begin aan mijn ronde’.
een ronde
rotonde
met boterkoek en koffie
stoplichten en geur van gestookt bier
en een overvolle rivier die hier en daar
ondergronds verdwijnt
kijk ik werkend naar werkenden
Plots is deze werkdag voorbij, zijn we tezamen geweest en zit ik nu wat te prutsen met woorden. Halfgekleed, kijk ik naar purper en blauw, overwoekerend groen en een eenmalige zwarte roos, naar een onzinnige schouw en klimop tussen dakpannen. Een stenen hoofd vol regenwater staat hier bij grillige takken op een oude tafel naar het zuiden gericht. Gekocht op een zondagmorgen. Er is nog zo veel te doen. Ooit zal het noodzakelijke zich voordoen. Zwoegen, woelen, ploegen, wroeten met gescheurde nagels en gekloven tenen in dagelijksheid. Gecontroleerde dwaasheid zei ooit een indiaan.
Vanuit een stoel gezeten wring ik me recht, strompel naar buiten om te zien hoe wolken de sterren bedekken, fantaseer ik ongemoeid overmorgen, het lot negerend. Wellustig zal dit leven later nog suizen in oren, ogen en verstand.
ze denken alsmaar aan mislukte maten,
te grote neuzen en een scheve mond
terwijl ze snotneuzen bekoren in een lach
zaterdag 12 augustus 2006

Helemaal bloot is minder spannend dan deels bedekt. Tijdens een dorpsfeest sluip ik naar buiten om geruchten te beluisteren, mensen te bespieden en ga ik een hamburger halen zonder iemand met een zelfgemaakt houten zwaard tegen te komen die zegt: hopelijk is het morgen ook nog goed weer. Voor een keer voel ik onmacht omdat het geen spel meer is. Het lijkt of het lot van onze huidige beschaving bepaald wordt door vleselijk geworden kwaad. Iemand zei dat religie en poëzie alleen maar troostende woorden zijn voor de onzekerheid van iemands bestaan.
Is de pompbak hersteld?
Neen, ik heb stoverij klaar.
Ik had liever dat de pompbak hersteld was en dat we een boterham met kaas eten vanavond.
Ik vond geen schroevendraaier.
Maar wel stoofvlees hoewel de beenhouwer met vakantie is.
Ik heb het soepvlees van eergisteren gestoofd met groenten van bij Arlette.
En ondertussen blijft de pompbak verstopt.
Drinken we rode of witte wijn bij het eten?
Voor mij witte wijn.
En voor mij een rode.
Ontstop je daarna de pompbak?
Als jij de schroevendraaier voor me vind.
Waar ligt die?
Weet ik niet.
Stoofvlees van soepvlees en de pompbak die niet ontstopt is doordat je me niet kan vertellen waar die ligt.
Stel je voor dat we in Bagdad zouden wonen.
Nu wordt je weer extreem.
Neen, ik relativeer onze miserie van een verstopte pompbak.
In Egypte was je asociaal.
Kun jij dan van rechts naar links schrijven?
Niet in de steegjes.
Weet je wat? Ik ga de pompbak herstellen.
Zonder schroevendraaier?
Ja, ik haal een oude Belgische frank uit mijn trouwkostuum. Die past in de gleuf van de vijs. Waar hangt mijn trouwkostuum?
Dat hebben we niet meer. Je hebt dat jaren geleden verkwanseld met carnaval.
Niet waar. Dat was je trouwkleed.
dinsdag 15 augustus 2006

Terwijl ik dit schrijf wordt mijn aandacht afgeleid door een tot aan de rand met regenwater gevuld jeneverglas waarin een vlieg spartelt. Af en toe blijft ze roerloos drijven alsof ze op adem wil komen om dan plots onverwacht haar doodstrijd verder te zetten. Ik zou haar met mijn penpunt uit het water kunnen halen opdat ze haar flinterdunne vleugeltjes en tere pootjes drogen kan op de rand van mijn blad papier. Moe getergd in een recent verleden door treiterende zomervliegen die me wanhopig bijna naar het schavot dreven, besluit ik om verder te schrijven. In een almachtig gevoelen dat daarop volgt door over leven en dood te mogen beslissen besluit ik dat, indien na dit schrijven nog enig teken van leven aan de waterspiegel te bespeuren valt, ik het insect plat nijp tot een bloedvlek.
Ik begrijp u. Normaal bereiken vliegen het hiernamaals via een mep. Een plotselinge dood is dat. Zij heeft een doodstrijd beleefd. Ik heb haar ervaring niet ontnomen. Het was haar lot.
De vlieg beweegt niet meer. Met spijtgevoel haal ik het lijkje uit het jeneverglas en leg het te drogen op mijn schrift. Ze moest mij in het verleden maar niet getreiterd hebben. Het heeft geen zin om hierover na te denken. Het overkomt ons vanzelf. Ongewild liggen we ooit zelf op een drempel uitgeput het einde tegemoet, keren we terug naar datgene dat we als levenden niet konden begrijpen.
Niets is raadselachtiger dan ruimte en tijd als je er zelden bij stilstaat.
Daags na mijn thuisgeboorte toornde mijn vader me reeds mee naar zijn stamcafé waar hij me, in zijn corpulente werkmanshanden geborgen, aan alle aanwezigen toonde en zei: dat is mijn zoon. Mijn eerste zelfstandig cafébezoek was bij Marcel van de Meutte aan de tramstatie. In het midden stond een altaar van een biljart. In het begin mocht ik ernaar kijken, maar niet aanraken. Later kwamen we met zen vieren en werd het zware zwarte doek van de tafel gerold. Dan haalden we de keus uit het foedraal en krijtten we met een devotje de stompe punt. We dronken niet meer dan twee pinten. Geen gezever, geen gedoe met Witte van Hoegaarden of andere flauwekul. Wij dronken pinten en het was altijd om het biljarten te doen. Dikwijls hing er dan een gewijde stilte om ons heen en hoorde je het getik van ivoor tegen ivoor. Cafés, decor van van dingen die voorbij gaan. Marcel van de Meutte bestaat al lang niet meer en van het café is een verloederd karkas overgebleven.

subject: afkeer voor geweld
Door de media bestookt in een bevoorrecht werelddeel waar de bevolking zich druk maakt over een vervroegd pensioen, een veertiende maand, te veel neerslag of te weinig televisie, druk ik mij uit in afkeer voor geweld.
Met een onderlip in scheve lach verkondigen heersers van alle werelden het nietszeggende woord waarvoor jonge mannen ten strijde gaan naar het eind van het pad der levenden.Grauw is de lucht als de wereld brandt, het bloed in de rivieren verdampt en de bodem barst. Nu het buskruit zwijgt wordt goed en kwaad vernieuwd, schreeuwen oude mannen een belofte van wraak terwijl hun vrouwen wenen om het geleden verlies.
Ooit schilder ik de muren in donkerrood en het plafond pikzwart al was het de slaapkamer maar. Ze kijkt begrijpend, wil luisteren naar elkaars woorden.
Nog eentje?
Ja, nog tien minuten.
Dan wordt ik moe.
Ja, ik ook
Daarna ga ik voort.
Ik ook..
Tot overmorgen.
Eind december tweeduizendenzeven
‘ Ik ben nog niet wakker’ zegt volle maan. We zijn gestopt in bergachtig gebied. Het houtskool gloeit. Het ruikt hier naar braadsel. Varkensrib voor mij. Er kruipen zomervliegen over de tafel. Na de maaltijd rijden we naar het huis. Marco is zo gelukkig en beschonken dat hij mij op het voorhoofd kust. Er komt iemand met een beladen muilezel uit het gebergte. Het pad is zo smal dat de man achter de muilezel loopt. Bergopwaarts houdt hij de staart vast.
Zijbijmij steekt het haardvuur aan met dennenappels. Het schemert. Ik voel de stilte. De bergkammen hebben een levenslijn. Het duurt niet lang of de avond valt over de vallei. Sidder...sidder...siddert het bloed door onze aders. Ongevleugeld zitten we hier. Marco ligt nu in foetushouding in de zetel. Uiteindelijk wordt hij wakker en gritst hij mijn asbak weg. Volle maan ontkurkt een fles wijn. Uit nieuwsgierigheid eet ik iets wat op een dwerg-groenepeper lijkt in één hap op.
”Blussen met brood en spoelen met ijskoud water!” roept volle maan. Op deze plaats klinkt gelach.
Rond zes uur ’s morgens verschijnt er licht in de lucht. Als ik buiten ga komt de hond aangelopen. Na de koffie kijk ik van op het boventerras naar de bergruggen. Het is fris. De tafel is met dauw bedekt. Ook mijn vingers worden koud en vochtig. Langzaam begint het zonlicht in het Oosten langs de toppen van een bergflank te glijden. De maan is nog duidelijk zichtbaar. Volle maan komt in kamerjas op het terras. Het is hier stil. De dauw kleeft nu ook aan mijn vingers. Ik wacht tot de zon over de bergrug verschijnt. Dan fotograferen we onze schaduw op de witgekalkte muur. Thuis waait wellicht natte kilte door de naakte bomen. Het is de laatste dag van het jaar. Wanneer het zonlicht laag komt te staan ga ik met volle maan appelsienen en citroenen plukken. Daarna volgen we een smal pad naast een lager gelegen kleine rivier. Nog voor het schemert zijn we terug. Zijbijmij heeft het vuur aangestoken. Champagne in overvloed. We pokeren naar het nieuwe jaar.
De dag daarna maakt Zijbijmij me’s middags wakker. Ik plons in het water. Ik trek mijn kleren aan, kijk naar de schaduw van mijn pen en leg die neer op een verroeste tafel. Het plaveisel blijft warm aan mijn blote voeten.
Er is geen hout meer. De deur blijft dicht. Ik kijk naar de aankomende avond. De vrouw brengt hout. Binnen zijn ze blij. Ik ben blij. De vrouw is blij. Het wordt duister. Ik zie niet meer wat ik schrijf.
De volgende ochtend drijven donkergrijze wolken over ons heen. Miskende Godin der stormen, bemin ons met uw toorn. Omhels ons met mistdampen, grijp ons met uw zwaarmoedigheid.
De hond en de katten komen uit het struikgewas.
Veel later staan er opnieuw sterren aan de hemel. De kosmische avondroes begint. De stormgod is gezwicht voor de nacht. Uitbundigheid maakt zich meester van deze Goddeloze geesten, verlangend naar zintuiglijk genot.
Marco en ik hebben bij het vuur muziek gespeeld. Ik wil nog wat schrijven. De hond en de katten vliegen buiten.
Ga niet over uw limiet. Drie dagen geleden hebt ge uw grens al eens overschreden.. dat is voor niks nodig.
Dit middernachtuur ver overschreden ga ik buiten staan en kijk naar wat mij als kind fascineerde: de weidsheid van de sterrenhemel. Ik kus de maan, kilte en wind. Dierbaren gaan nu slapen. Zijbijmij blijft bij mij omdat ze het niet vertrouwt me alleen achter te laten in de wellusten van het leven. Ik, een ridder in de nacht, vind het een voordeel tot zo een liefde veroordeeld te zijn.
Vanmorgen heb ik nachtelijke verzen opgeborgen tot ze opnieuw verschijnen om vergeten te worden. Nog een tijdszucht en de zon spreidt haar licht en warmte over het dal. Ik loop heen en weer rond het huis, de brede voegen van het plaveisel ontwijkend. In het Oosten hangt onbeweeglijk een dicht wolkenveld. Het lijkt op bergen achter de bergen. Het lied van de wind kan ik door mijn doofheid niet horen maar ik zie de willekeurige beweging in de citroenbomen.
We rijden naar een verder gelegen dorp. Net bij avondval zijn we terug aan het huis. Volle maan heeft hoofdpijn. Ze slaapt in de zetel. Het is muisstil in huis. Je kan hier voetstappen op sokken horen. Niemand, behalve ik, zal nog zin hebben in een laatavondmaal. Alleen hongerige heksen uit het dal eten mee.
Voor u drie?
Ja, drie voor mij.
Er klinkt muziek door het huis. Vandaag is het windstil. Ik heb gedroomd over mijn vader en mijn broer. Mijn vader was een verbitterd man die niemand genegen was. Ik moest op een bijeenkomst een door iemand anders geschreven tekst voorlezen. Ik wist bij voorbaat dat de tekst slecht geschreven zou zijn. Bovendien kende ik het onderwerp niet eens. Daarom had ik gevraagd hem voorafgaandelijk te mogen lezen, maar de schrijver bleek spoorloos te zijn. Ik ging naar hem op zoek in een groot gebouw waar mensen van alle soort logeerden. Het was ingedeeld in ontelbare kleine schemerige kamers die verbonden werden door centrale gangen. De mensen lagen er door elkaar. Plots zag ik mijn broer in één van de gangen. “Haast u naar buiten. Iemand zal u de tekst overhandigen” riep hij.
Eens buiten kwam mijn vader aangelopen. Hij stopte haastig iets in mijn fietszak. Nog voor ik hem kon aanspreken verdween hij alweer in het duister.
Het is snikheet. Kleine fragiele wolken vatten vuur in de azuurblauwe hemel. Volle maan heeft het ook gezien. Zijbijmij zit in de schaduw van een struik.
Moeders, we zijn blij door julie gebaard te zijn, het nageslacht te vereeuwigen en niet gedoemd in armoede geschapen te zijn.
Volle maan heeft hoog boven de vallei twee roofvogels gezien.
Ik zou een lied in dit landschap van stilte willen zingen maar mijn stem is te schor, verschrompeld door de roes van genot.
Niet ver vandaan breekt een vlinder uit haar eerste gedaante. In een zonnestraal proeft ze nectar uit het bloeisel. Zolang zal het duren tot haar veelkleurige dunne vleugels verschrompelen in haar kortstondig bestaan.
Zijbijmij en Volle maan gaan naar het dorp. Marco heeft in de zetel een deken over zich heen getrokken. Hij slaapt. Ik blijf zitten aan een tafel bij de deuropening tot het daglicht van de heuvel glijdt. De wind doet onverwacht het blad papier op en neer bewegen. Schichtig proberen mijn gerimpelde handen alles te bedaren. Weeral hangt in het Oosten een onbeweeglijk wolkendek over de bergen. Voor de avond valt zal het ons niet bereiken. Ik zweet en stink door de hitte van de dag. Ik zal mijn voeten baden, mijn oksels wassen met geurige zeep om bekoorlijk voor mijn geliefden te zijn.
Met een onderlip in scheve lach
verkondigen heersers van alle werelden
het nietszeggende woord
waarvoor jonge mannen ten strijde gaan
naar het eind van het pad der levenden.
Grauw is de lucht als de wereld brandt,
het bloed in de rivieren verdampt
en de bodem barst.
Nu het buskruit zwijgt
wordt goed en kwaad vernieuwd
schreeuwen oude mannen
een belofte van wraak
terwijl hun vrouwen wenen
om het geleden verlies.
Moeders,
we zijn blij door jullie gebaard te zijn,
het nageslacht te vereeuwigen
en niet gedoemd in armoede geschapen te zijn
.
Ik zou een lied
in dit landschap van stilte willen zingen
maar mijn stem is te schor
verschrompeld door de roes van genot.
ze lijkt groter dan hij
misschien is het wel zo
dat ze groter is dan hij
hij lijkt jonger
net volwassen te zijn
tegen een zwijgzaam gebogen rug
keuvelt hij
keutert hij langdurig
met een pink in zijn oor
en is het oprecht
waarschijnlijk zijn ze broer en zus
uit het buitenland
in een laatavonduur
donderdag 14 juni 2007
Hier kan ik mijn gedachten erbij houden, de redenering volgen, de verblinding van eigen gedoe ontwijken.
Zie ze in hun vlucht het water induiken als vliegende vissers.
Mijn pen zwalpt in mijn hand en zie hoe die zwarte zeezwanen galant over het water vliegen. We blijven nog een dag om de uitgestrektheid te bekijken.
Op de grens van dit water en land lacht ze leunend op mijn schouder en leest ze wat ik schrijf.
Al schrijvend ben je in staat de waarheid te veranderen, zegt ze.
Op een dijk naar een lege horizon, overtuigd dat alles verdwijnt in oneindigheid, is het licht verblindend, zelfs met die mist in de lucht. Je ziet de zon niet eens.
Tegenwind doorklieven. Ik pis in zee. Met ontzag kijk ik naar de meeuwen.
maandag 25 december 2007
De maan heeft een oranje aureool om zich heen. Ze verlicht de aarde. Ook de sterrenhemel lijkt zo vreedzaam.
Op het dorpsplein staat een grote kerstboom. De kribbe kan ik van hieruit niet zien. Er is haast geen verkeer. De mensen feesten binnen.
Kerstavond heeft altijd iets sacraals gehad. Geen grootse dingen. We aten zelfgebakken brood. Alle lichten uit.
Dan werden de kaarsen aangestoken en zongen we kerstliederen rond de kachel.
Nu nog wordt het licht gedempt, danst vuurgloed over de stenen vloer.
Ik ben alleen achtergebleven hier beneden en steek kaarsen aan.
Het verleden wenkt als een warme glimlach, en ergens buiten zitten zij,
onzichtbaar, eenzaam te zwijgen als een graf.
Woensdag 26 december 2007
Iemand had me haar baby toevertrouwd. Zij kon er onmogelijk de eerste weken voor zorgen. Ze wist dat ik dat kon en we waren al jaren goed bevriend.
Elke dag onderweg nam ik de baby mee.
Op een keer had ik hem bij iemand te slapen gelegd. Ik moest naar een conferentie die uren kon duren. Ik zou hem achteraf komen halen.
Toen de conferentie gedaan was, was ik vergeten waar ik het kind achtergelaten had. Hoezeer ik ook mijn best deed, ik kon mij niets herinneren.
Noodgedwongen vervolgde ik alleen mijn weg. Het zou me wel later te binnen schieten.
Dat gebeurde echter niet, en hoe meer de dagen vervlogen, hoe minder ik er nog aan dacht.
Na verloop van tijd liep ik onverwacht de moeder met haar vriend tegen het lijf. Ze vroegen waar de baby was. Ik bekende dat ik hem ergens achtergelaten had maar dat hij ongetwijfeld in goede handen zou zijn.
Daarop dreigde haar vriend mij hardhandig aan te pakken, wat ze net kon verhinderen. Ze waren in alle staten en verweten me grove nalatigheid. Zij was diep teleurgesteld. Toch stond ze me toe hen te vergezellen op een tocht die verliep langs een vreemde stad met monumentale gebouwen en zonovergoten tuinen. Ze kenden er iedereen.
Door nog onduidelijke omstandigheden verloor ik ook hen uit het oog en werd ik in een openbaar ambt tewerk gesteld. Het duurde niet lang of ik begon onopzettelijk te spijbelen.
In plaats van me langs de kortste weg met het openbaar vervoer naar het werk te begeven ging ik te voet en maakte omwegen waarbij ik regelmatig de weg verloor en zo met halve dagen vertraging op het werk kwam. Soms gebeurde het dat ik niet kwam opdagen. Als sanctie stelden ze me in dienst als gevangenisbewaker.
Al tijdens mijn eerste werkdag werd ik uitgedaagd door een gevangene. Ik liep door een werkplaats waar ze vrij rondliepen. Iemand versperde mij de weg met een langwerpig metalen voorwerp. Toen ik berispend reageerde werd hij agressief en kon een medebewaker gelukkig nog de gemoederen bedaren. ‘Je moet begripvol op hun gedrag anticiperen’ vertelde hij mij.
Beleefd vroeg ik aan de gevangene wat hij met het metalen voorwerp van plan was.
‘Dit is een zaagblad. Hiermee ga ik het versleten zaagblad vervangen’ antwoordde hij vriendelijk.
We gingen helemaal achteraan waar een grote lintzaag stond. Het rook er naar olie en metaal.
Terwijl de gevangene het zaagblad monteerde hoorde ik de baby schreien. Het was een opluchting. Nu kon ik hem meenemen en alles goed maken bij de vriendin.
Dan zette de gevangene de lintzaag in werking. Knarsend kwam het logge gevaarte in beweging en werd de rotatie opgedreven. In korte tijd draaide het met een hels lawaai op volle toeren.
Plots liep iedereen in paniek weg. Daverend bleef de machine maar sneller en sneller draaien. Ik wist niet hoe ik ze moest stoppen.
In het nauw gedreven liep ik door het atelier op zoek naar de baby en zag ik hoe het zaagblad zich van de machine losrukte en vlijmscherp in razende snelheid door het atelier slingerde. Het kwam mijn richting uit. Net toen het mijn keel dreigde over te snijden werd het donker en was alles stil.
donderdag 24 januari 2008
Middag droog en wind. Het moet zo een zeven graden zijn. Net een zeevruchtencoctail met kaasbeschuit gegeten. Ik zit in een schuilhok voor natuurliefhebbers bestemd, min of meer beschermd tegen de wind, te schrijven.
Al sinds vanmorgen ben ik onderweg. Door dit buitenleven in gure wind geraakt een lichaam verkild en worden ogen glazig. Het landschap is groen, bruin en grijs. De dagen gaan lengen.
Niemand die hier voorbij komt. Een veldweg tussen weiden met modderige drinktroggen. De stad hier vandaan ruist.
Net voor de lente begint zullen molshopen verschijnen en gaat het zachter waaien. Ook het vuur hoeft dan minder gestookt in korter wordende avonden. De merel verkent zijn gebied. Ik voel het aankomen. Steeds meer kan ik ’s avonds in maanlicht aan de tuinbank zitten. En zijbijmij, ik zie de lente in haar ogen verschijnen.
En in tweeduizendenvijf…
Ik heb gedroomd over een veerboot met vrouwen. Het lijkt of het nog nacht is buiten. Gisteren heeft het de ganse dag hard gevroren. Het huis geraakt moeilijk verwarmd. Ik neem de vrijdagskrant mee. Eerst nog tanden poetsen. Tandpasta vinden. De tube is leeg geperst. Geen tandpasta vergeten als we naar de GB gaan en ook geen glansmiddel voor de afwas.
We schrijven het nooit op. Zo komt het dat we dingen vergeten. In plaats van een boodschappenlijst bij te houden denken we dat we het niet zullen vergeten. En toch vergeten: tandpasta, glansmiddel en scheermesjes.
Later begint de sneeuw te smelten in het bos. Hij druipt van de takken in mijn nek. We slaan een modderig bospad in. Daar ga ik niet door, zegt ze.
Mijn paté met kerstmis was heerlijk en mijn zus had lekker gekookt.
De bliksem beweegt zich voort met een snelheid van driehonderdduizend kilometer per seconde. Ons leven gaat iets trager maar de gebouwen, wegen en nog wat, blijven bestaan als we er niet meer zijn. Ik bedoel maar, verspil geen seconde van dit leven als het je dierbaar is want het is zo voorbij. Te snel om alles te begrijpen.
Dag vriend. Uw e-mailadres is letterlijk in het bierkaartje verwaterd door een regenbui net voor ik verleden jaar ‘s morgens thuis kwam. Ik doe een gok om het correct te spellen al zal dit bericht u wellicht nooit bereiken. In dat geval zal het als een spreuk in een wijnfles op de internetzee blijven dobberen en zal ik de enige zijn die het kan weten. Toch probeer ik enkele zinnen te lispelen. Geen wereldfilosofie of verzonnen waarheden maar iets over halfweg tussen Leuven en Duisburg. Halverwege omdat net op dat moment de volle maan in mijn gezichtsveld door de wolken breekt en de hemel in het oosten begint op te klaren tussen nacht en ochtend. Ik denk aan hier en nu, een fragment uit de toekomst dat al sluimerde toen we nog op de schoolbanken naar spannende avonturen van Jan Zonder Vrees luisterden. Was het niet die meester Volders die zo'n boeiende verteller was?
Weet ge, het heeft me ontzettend goed gedaan iemand zoals u eens te ontmoeten want soms voel ik me als overschot van een op de klippen verpletterd schip. Het komt misschien door het verlangen naar onmogelijke schoonheid of naar een zweem van solidariteit dat ik niet zie in mijn straat.
Maar beste, nu in tweeduizendennegen bestaat ge al bijna een jaar niet meer. Ik kon het mij niet laten dit te schrijven.
Vrijdag 25 januari 2008
Links een betonplakken afsluiting. Rechts coniferen hagen. Het is pikkedonker hier. Ik krijg het benauwd.
In het voorzicht is een lichte vlek. De bewoonde wereld.
Voor het eerst schrijf ik buiten in onverlicht donker. Mijn hand beweegt. Mijn vingers worden gevoelig. Een zintuig verdwenen. Ik schrijf in het donker. Mijn hand beweegt lichtwoorden uit mijn geest.
Dinsdag 29 januari 2008
Pa, ge zijt toch niet langs de verkeersweg naar hier gekomen?
Neen, ik heb de hellewegen genomen langs de diepe straat.
Het konijn is halfgaar. Dan is hij weer verdwenen.
Asejee vous dans la froidir de cette soirée.
Ta geulle, jankt ze tegen mijn hond. Ik heb liefdesverdriet. Ik ben het beu om afgewezen te worden. Je suis seul.
Mijn woorden dringen niet tot haar door, zegt ze nog voor ze verder gaat.
Het konijn is te gaar. Alleen het bot blijft over in het casserol. Het vlees is met de saus verzooid.
Vrijdag 1 februari 2008
Een indianenritueel. Ze wikkelden hun doden in dierenhuiden en zongen droevig, sprakeloos.
Afstandig keek ik ernaar.
Dan kwam het doodsgelaat van een oude vrouw opnieuw tot leven. Ze propeerde mij met haar lijkgeur te omhelzen.
Ze willen mij levend begraven, fluisterde ze.
Vervreemd stond ik daar. De stront gleed stinkend over de aarde.
Dan begon alles te beven en viel mijn huis in de tuin van mijn vader in duigen.
Trek het u niet aan zei hij. Morgen beginnen we opnieuw.
In de storm van gisterenavond heb ik mijn muts verloren. Het waaide zo hard dat ik met mijn fiets te voet verder moest.
Nu ben ik op zoek naar mijn muts. Er huppelt een jogger als een hinde voorbij. Gelukkig is het minder gaan waaien.
Zaterdagnacht 2 februari 2008
Hoe kan iemand, gevangen in haar ogen als een verdwaald dier nog ontkennen niet bedwelmd te zijn door haar vrouwelijke geur als ze zwijgzaam aan de rand naar het water staart. Wie dan nog aarzelt in gedachten of twijfelt moet een treuzelaar zijn.
In dit land van vloekende rotsen juicht hij zichzelf het beste toe. Met zonlicht en schaduwen verbonden herhaalt hij verblind de tijd, biddend aan een stoffig altaar in zangerig duivengekir. Ze broeden en sterven hier zomaar de middag voorbij terwijl een kind achteloos
in vaders hand knijpt.
De laatste zonsopgang. Niemand weet wat daarna gebeurt.
Hij wil een schreeuw schrijven. Lawaai maken met woorden. Een methode vinden om hem te schrijven in een visueel geluid zoals het licht voor een blinde die nooit het licht heeft gezien. Hij wil hem hoorbaar maken. Uiteindelijk schreeuwt hij nu heel hard en blijft het aan de verbeelding over om hem te horen.
driedroom
Ik lag met haar in een bed waarvan de lakens besmeurd waren met olie en vet. We maakten ruzie over wiens schuld dat was. Het bed stond onder een afdak op een publieke plaats. Van op een terras wenkte mij een collega die ik dertig jaar niet meer ontmoet had. Mijn kleren hingen op de stoel naast hem. Halfnaakt liep ik ernaar toe en trok haastig mijn kleren aan terwijl de omstanders verbaasd toekeken.
“Ik heb iets voor u besteld” zei hij. Het verbaasde mij dat hij Nederlands sprak.
Kort daarna kronkelden roetwolken door een heldere lucht. Ze verspreidden zich vliegensvlug en lieten een zwavelgeur na. Iemand leende mij een wit paard waarmee ik langs heuvels stormde, de roetwolken ontwijkend. In een dorp kon ik het paard niet doen stoppen. Het had geen teugels aan. Plots gleed het uit en kwamen we ten val. Toen ik recht stond liep het paard naar de inkomhal van een hotel en begon daar te vechten met een ijsbeer. Een bloedig gevecht dat lang duurde. Uiteindelijk werd het paard verscheurd.
“Haast u voor de bedelstok en wordt schaapherder in de bergen! “ schreeuwde de hotelier. Later ontmoette ik mijn nicht en nonkel als personages uit de late jaren zestig. Ik herbeleefde de begrafenis van mijn grootvader, ook al was ik toen nog heel jong.
Terwijl de mensen langs de binnenkoer in een plechtige tristesse naar binnen gingen om de overledene een laatste groet te brengen, hoorde ik mijn grootmoeder ontroostbaar huilen.
Ik had het lijk ook gezien en was geschrokken van dat wit vertrokken gelaat met ingezakte oogleden. Ik voelde zo de dood in die kamer. Het rook er naar Keuls water.
Plots begon ik neerwaarts te kantelen en hoorde ik achter mijn rug een geluid dat op een aanraking leek.
Nu liggen we als onbekenden afzijdig als slangen in een mysterie aan elkaar gekleefd. Als ik haar kus zegt ze: zo heb ik niemand gekend. Beneden is er een groot feest aan de gang. De genodigden zijn bekenden. De kinderen slapen buiten met een roofdier dat ik meegebracht heb. Overspelig zit mijn vader in het vroege uur nog aan een glas cognac te nippen terwijl hij zegt: overdrijven we nu niet?
In feite kunnen we mekaar niet verstaan in onze dovemansoren.
Ik mis iemand die niet gekomen is.
Dan is plots het feest gedaan, slapen de bekenden en komt er vuur uit de hemel. Ik ga met de kinderen ondergronds.
Papillon
voor een keer heb ik voorgenomen niets te beschrijven
en voor me uit te kijken
tot ik een potlood in een speerpunt slijp
de insecten zijn met het tegenlicht verdwenen
avond valt met uitdeinende vogelzang
uiteindelijk zal mensenlawaai
nog voor het nacht is verdwijnen
ook het struikgewas en bomen gaan zwijgen
er is geen wind
zal de mot straks rond het kaarslicht verschijnen
zodat ik onvermijdelijk toekijk
hoe ze haar perkamenten vleugels verbrandt
of zal ik gaan slapen
en in dromen verder leven
neen,
uiteindelijk steek ik de kaarsen aan
en doe mijn gehoorapparaten uit
nu ben ik doof
er is geen wind
de vogels slapen nu
het is stil
niks beweegt
spiegel
Chaotisch is dit. Alle afval ligt verspreid in de tuin. Het hemelwater stroomt door het dak. Ik verpulver het gebinte in mijn vingers. Nu ook draagmuren kantelen in de storm verlaat ik dit pand niet.
Ik heb een woonst beloofd. Beneden zitten twee knechten en een vogelverkoper met twee kanaries. Een ervan kan niet zingen maar heeft bonte veren.
Reinig ik een vogelkooi en laat de kanarie vliegen.
De knechten werken. Zijbijmij zit op het dak en duikt. Het laken is nat. Ik ben nat. Halfdonker, het is nog maar tien voor vijf. Naakt sta ik voor de spiegel en schrik van mezelf.
Het gaat beter met mijn keel, en dat na amper drie capsules antibiotica. De dokter had pas voor morgen beterschap verwacht.
7h15: met een boterham, een ei en een tas koffie op een bord sluip ik naar boven, doe het licht in de slaapkamer aan en roep enthousiast: “Verrassing, ontbijt aan bed!”.
Het laken kronkelt. Met dichtgeknepen ogen kreunt ze: “Oh neen. Doe dat licht uit”.
Ik had het kunnen weten. Voor haar is het nog een uur te vroeg. Bovendien heeft ze vannacht slecht geslapen. Dat komt door de nieuwe werkomstandigheden.
10h: ik poets mijn tanden en was me grondig. Me scheren doe ik niet. Niet vergeten om straks de sifon in de badkamer te ontstoppen. Eerst de keuken opruimen en de vuilbak leeg maken.
12h: aan de krantenwinkel is de Brusselse filmschool druk bezig met de voorbereiding van een opname voor een kortspeelfilm. Ze hebben enorme lichtreflectoren geplaatst rond een grijze luxewagen waarin vier kerels in maatpak met zonnebril zitten. Verder gebeurt er niets. Ik heb een krant gekocht.
Je komt er goed voor.
“Vind je dat?” antwoordt ze ontroostbaar.
Als ze naar de wagen stapt kijk ik haar na vanuit de deuropening. Ze is te gevoelig geworden voor absurditeiten. Mensen met praatjes, een lange arm en een vingertje is niets voor haar.
15h: niksnutten onder een wolkenloze hemel. Een mooier cadeau kan je niet krijgen. Doodbloeden in verveling zal ik niet doen. Ik heb nog een sifon te ontstoppen. Dat ga ik nu meteen doen.
17h: straks braad ik een haantje met gestoofd witloof. Eerst nog wat turen naar het avondlicht. Zo kom ik voor het eerst op eigen kracht te weten dat wind en water geen geluid maken. Het is hun aanraking met de dingen die we horen. De man van de pastorij zet de vuilniszakken buiten.
18h: als ze thuis komt rolt ze buiten een sigaret. Ik ga de saus bijkruiden.
Is er genoeg? Jean zou graag mee eten. Ze heft het deksel van het boordevol kasserol als ze dat vraagt.
Ja, meer dan genoeg. We eten om halfacht.
Wil jij straks ook nog een stuk taart? Ze twijfelt voor een kleine portie maar.
Nu het begint te waaien gaat ze binnen. Ze is verkouden. De hond heeft de keukendeur open geduwd. Ik gooide zonet een afgekookt vleesbeen naar buiten en wil weten hoe ze mijn gift gaat verorberen. Het is donker geworden. De oranje pleinverlichting kaatst over een deel van de tuin en de binnenkoer. Echt donker is het hier niet. Ik kan ‘s nacht mijn teksten lezen en schrijven. Soms mis ik het donker.
Ze heeft het bot kaal gevreten en het restant bewaard voor later. Daarna voel ik me honds.
Ouderhuis
Het ouderhuis werd verkocht en staat nu leeg. Op de bank achteraan in de tuin zitten ze getweeën gevangen in een onbewogen blik. Het is de laatste dag, tevens de eerste bezitteloze dag. Nu moeten ze weg. Te laat om opnieuw te beginnen, te vroeg om een einde.
Nog voor de nieuwe eigenaars komen, verken ik de ruimten waarin ik opgegroeid ben. Voor het eerst zie ik leegte in dit huis. Mijn inscripties in de dwarsbalk op zolder zijn nog duidelijk zichtbaar. Ik had er een plaats voor mij alleen waar ik me kon terugtrekken in geborgenheid.
Ik voel en riek het nog. De slaapkamer die ik met mijn broer deelde, hun slaapkamer die steeds netjes was, de woonkamer die gek genoeg nu door haar leegte kleiner lijkt, het waskot met de waterput… Een voor een bezoek ik de lege ruimten en schraap er de herinneringen weg. Ik bewaar ze in het breekbaarste van mezelf als troost voor die twee op de bank achteraan in de tuin.
Hij heeft haar hand in de zijne gevouwen alsof hij bang is dat ze zou wegkantelen. Die sterke werkmanshand is onveranderd gebleven. Ze kijken elkaar niet aan. Ze kijken mij niet aan. Te broos voor aanspreekbaarheid.
Kom, het is tijd om te gaan. De weg is nog lang. Pas dan raken onze ogen elkaar. Wij drie als enig overgeblevenen uit een onstuimig leven, nu als een gebroken spiegel in niemandsland.
Zaterdag 8 maart 2008
Niets is verzonnen. Toch ben ik niet wat anderen denken dat ik ben. Een geheim verzwegen. De dag begint in mist. De hemel is nog zwart. Het waait nat. Mijn schedel jeukt onderhuidse pijn. Dit is mijn laatste onwerkbare dag.
Een tovenares met toverkracht slaat woedend gloeiende woorden op een aambeeld. Ze is de winter beu.
Deze vooravond heeft iets zomerachtigs. Is het het licht dat langer shijnt, het leven dat opnieuw uit de grond stulpt, het dorre dat begint te verdwijnen of kijk ik maar?
Jij hield mij wakker in paniek met blauw flitslicht in de kamer. Ik hield een baby zonder ledematen in mijn armen. Het hoofd lachte de wereld toe.
Ze strijkt een kledingstuk dat ze meteen zal aantrekken. Ze vraagt om de was te drogen. Op de slaapkamer staat een rek. Doe ik zo meteen. Dan gaat ze weg.
Vandaag schipper ik tussen wat ik zou willen en wat ik hoor te doen: mezelf onwaarschijnlijk overtreffen en halve waarheden tot de verbeelding sublimeren. Er druipt onverwacht een speekselgeut uit mijn mond.
Kijk naar die ouwe stoel in de struiken die reikt naar afwezige tijden. Zie het uitgedroogde wijnglas van gisteren rood aangeslagen staan. Het zijn getuigen in langzaam verderf.
Deze dag veegt het brood van tafel. Niet verplicht denk ik aan Kamiel. Ik houd me taai, had hij gezegd.
Ik ga proberen mijn leven te beteren want het is niet alleen van mezelf. Soms verliezen we een spel, valt zomaar een vogel in volle vlucht uit de lucht en gaan dingen verkeerd. Soms gaat alles kapot en zeggen we neen. Dan lezen we een boek tot de bladzijden loodzwaar in slaap bedwelmen.
Tien voor negen. Ze is net vertrokken als ik beneden kom. Ik ruim het huis, vul het afwasmachien, kuis het gasvuur, dweil de vloer, klop het tapijt en de kussens uit, cireer de eettafel en maak nu stoofvlees klaar.
De zon schijnt sinds vanmorgen. Het huis ruikt naar kruidig stoofsel van laurier en tijm. De temperatuur is zacht. Het nageslacht eet vanavond mee. Ik ga zelfgemaakte frieten bij het stoofsel serveren. Niet vergeten om naar C. te bellen.
C.?
Hé, gij zijt het. Ik dacht u ook te bellen.
Is dat Cubaans optreden vanavond?
Ja.
We kunnen niet komen.
Dat is jammer. Zeg, ik ga afleggen want ik sta hier in ’t stad in een pashokje.
Even in het kasserol roeren en wat trappist bijgieten. Dan ga ik aan de buitentafel in witlicht met insecten zitten. Er ligt een goudgroen kussen op de tafel. Het is het zonlicht dat het groen een goudkleur geeft. De paasbloem die twee weken geleden verplant werd staat nog recht. Iemand in de buurt maait het gras. Een herkenbaar zomers zaterdaggeluid. Het is nog geen zomer.
Achteraan in de hof staat een meer dan honderdjarige Taxusboom en een houten kruis met een christusfiguur eraan genageld. Recht tegenover is de pastorie. Tussen het kruis en de pastorie loopt een smalle kasseiweg.
Ik proef van de saus. De stoofpot mag van het vuur. Nu kunnen de kruiden nog twee uur in het stoofvlees trekken.
Ze is blij als ze ’s avonds thuis komt en haar zonen en schoondochter ziet. Het eten is klaar. Tafelen in gepalaver. De muren luisteren mee.
De volgende ochtend sta ik als eerste op. Het is half negen. Wind en motregen. Geroosterd brood met kaas en hesp. Sterke koffie. Ik drink een tweede grote jat met veel suiker en melk.
“Je moet eens naar de kapper gaan” zegt ze, wanneer ze een half uur later erbij komt zitten. Ze wil vandaag ergens naartoe. Desnoods gaat ze alleen weg. Ik aarzel, bedenk, wankel in gedachten en…”Waarheen zullen we gaan?”
Naar een museum?
Te saai.
De markt?
Er is nog eten genoeg. Laten we een nieuwe regenton kopen.
Oh ja. Een houten regenton. Maak je klaar en kam je haar. Ze straalt.
Ik rijd. Ze kijkt verbaasd. Het gaspedaal staat rechts. Anavent, we zijn vertrokken met dertig kilometer per uur. Het moet nog wennen. Op de hoofdbaan wordt de snelheid stoutmoedig naar vijfenzestig gedreven en op de autostrade halen we een duizelingwekkende snelheid van honderd kilometer per uur. Nog een wegomleiding, wat verkeerslichten, zien dat niets omver gereden wordt…kijk, een tuincentrum!
Waar is de parking?
Aan de overkant. We zijn er net niet voorbij.
Opgelucht volg ik haar langs de automatisch opengaande deur.
Namiddag: we zijn terug, doch zonder regenton. Het moest een houten zijn.
De jongste zoon doet aikido in de tuin. Het gaspedaal staat nu weer op nul. Op de tafel ligt het paradijs: een half uitgelezen boek, een ongelezen krant en wat eigen schriftuur om te verbeteren.
Zal ik wat houtklompen klieven en het vuur aansteken?
Doe dat.
dinsdag 18 maart 2008
Passagiersboot vaart roekeloos op rivier en botst tegen een hindernis. De boot maakt water. Net voor hij zinkt kunnen we overstappen op een andere boot. De kapitein is een vriendelijke vrouw met lichte baardgroei. Op het benedendek open ik een deur en zie een zestal zwakzinnigen TV kijken. Ik ben er niet welkom. Een bemanningslid kan net voorkomen dat een van hen me brutaal met een broodmes te lijf gaat. We worden aan wal gezet in een park waar een luidruchtige taxi ons oppikt en naar een begrafenis van een naast familielid brengt. Ik ben verantwoordelijk voor de kist. Er wordt van mij verwacht dat het lijk er per ongeluk niet uitvalt. De uitvaartmis heeft plaats in een kathedraal. Ik trek net zoals vele aanwezigen mijn schoenen uit. De schoenen liggen in de sacristie door elkaar.
De onderpastoor komt eraan. Bestel in het vervolg de mis bij mij, zegt hij. Dan krijg je een betere service, worden schoenen netjes bij elkaar gehouden en is er een discobar voor bij de koffie.
De vrouw van de koster heeft twee vinnige pijphonden meegebracht en vraagt of ik ze voor korte tijd wil bijhouden. Doe ik wel. Ik neem ze mee in de kathedraal waar wierookmist de aanwezigen doet vervagen. Dan pas merk ik dat de pijphonden niet aan de leiband zijn. Luid blaffend hebben ze zich bij de kist geschaard waardoor de gewelven beginnen te mompelen.
Ik tol naar beneden, word wakker en hoor geluiden alsof het een aanraking is. Het is nog maar drie uur in de morgen. Ik droom verder.
Ik ga met mijn ouders en broer op reis met een groot schip. Op het benedendek zitten marktkramers hun waar te verkopen. De meesten zijn Arabieren.
Hoewel het me door mijn ouders verboden werd, waag ik me tussen de kooplieden die me meteen aanklampen.
Ach ja, aanklampen is een groot woord. Het lijkt hier een gewoonte te zijn dat mensen massaal tegen elkaar roepen en mekaar aanraken.
Er wordt gekookt, geproefd en gezongen. Ik koop vier grote gekookte oesterzwammen. Ik hoor vertellen dat sommigen mij vijandig gezind zijn. Vooral de Afrikanen die op het middendek vertoeven zijn hier niet welkom omdat ze arm en primitief zijn. Voor mij word een uitzondering gemaakt. Wij zitten op het bovendek. Het is daar muisstil omdat iedereen in aparte kamers zit.
Wanneer ik terug wil keren naar het bovendek kan ik het niet nalaten langs het middendek te gaan alwaar ik door een Afrikaan beroofd word van mijn oesterzwammen. Die keert echter op zijn stappen terug en toont spijt over zijn daad.
Ga mee naar beneden. Ik zal tonen waar ik die zwammen gekocht heb.
Schoorvoetend gaat hij mee. Tot zijn opluchting lijkt niemand zich tegen hem te keren. Integendeel, er wordt hem thee en fruit aangeboden. Vanaf dat moment wordt er een bestand gesloten.
Op het bovendek wil niemand hiervan iets weten. Zelf ben ik daar niet meer welkom. Alleen mijn vader mag ik nog bezoeken. Die vraagt me voortdurend of ze mij niet beroven.
De Afrikaan heeft me een kortere weg naar het benedendek getoond. In het begin was het moeilijk omdat we langs ijzeren staven en steenblokken moesten klimmen, maar ook dat werd een gewoonte.
Soms breken er rellen uit die bloedig kunnen zijn, maar telkens kan ik bemiddelen.
Mijn vader wordt gekweld door angst en heeft verdriet omdat de mensen op het bovendek mij verstoten. Bovendien heeft mijn broer een raad opgericht die moet toezien opdat niemand naar boven komt. Mijn vader vreest dat het ooit tot een fatale confrontatie zou komen tussen mijn broer en ik. Mijn moeder zou dat nooit te boven komen.
Ik voel me hiervoor schuldig maar kan het me niet laten om telkens met de Afrikaan naar benden te klimmen, meestal om geschillen tussen kleine gemeenschappen bij te praten. Dat gaat gewoonlijk over een vrouw, want die zijn hier nauwelijks aanwezig. Soms gaat het over handelswaar. Het temperament van die mensen drijft hen zover dat ze ervoor zouden willen doden.
Ik zoek naar een engel, en zo word ik verliefd op een van de weinige vrouwen tussen de Arabieren.
Ik kijk in haar ogen als die me bij toeval raken. Meer vrouwelijkheid heb ik nooit gezien.
Dan komt het schip aan wal en wordt er afscheid genomen.
Ik neem de bus. De chauffeur, die in feite fietst, valt langszij. Het leek of hij al rijdend iets van de grond wou rapen.
Mijn hart gaat het begeven, stamelt hij.
Heeft iemand een telefoon bij de hand? Hij krijgt een hartinfarct!
De reizigers staan rondom te drummen terwijl de chauffeur zich aan me vastklampt.
Volhouden, schreeuw ik. Ze komen U halen.
Uit zijn mond stulpt een groenachtige vreselijk stinkende brij die over mijn hemdsmouwen druipt. Uiteindelijk sterft hij nog voor de hulpdiensten komen. Er was geen houden meer aan.
Ik word opnieuw wakker. Het is nog maar twintig voor vijf. Ik heb nog tijd genoeg om verder te dromen.
We huren een huis voor een week. De keldertrap is bezaaid met op maat gezaagde boomstammen. Af en toe komen kennissen op bezoek. We hebben een hond en een kat. De hond loopt voortdurend weg langs een overweg en de kat zit onder de builen.
In het huis is een ruimte waar de muren vol hangen met kleine brandende kaarsen die ik telkens moet doven als we weggaan. Terwijl ik dat doe mors ik met tabak en wijn op de dure meubels en stroomt er water over de vloer. Telkens zegt ze voor we vertrekken: pas toch op, we gaan een schadevergoeding moeten betalen aan de eigenaar.
Ik voel ouderdom en verval. Als we naar buiten gaan lijkt het alsof iemand op me staat te wachten.
Ineens, in klaarlichte dag, vliegt er een straaljager pijlsnel in het rond. Hij maakt vervaarlijke bochten met een hels lawaai en begint lager te vliegen tot hij dichtbij neerstort.
We zijn net niet geraakt maar ik zie de bommen dichtbij dampen.
Nadat de hulpdiensten de twee vliegeniers opborgen, vertellen ze dat het ongeluk te wijten was aan overmatig gebruik van cannabis. Voor de derde keer word ik wakker en sta op.
Mijn zoon zegt dat onze samenleving rotzooi is en dat hij leeft om zich voort te planten, en ik zeg: je hebt gelijk. Overleef in deze strontbedorven cultuur met een visie, bekijk het tafereel maar probeer in godsnaam geen wereldverbeteraar te zijn want dat doet pijn tot het einde.
Hij is nu een volwassen mens. Hij weet precies wat hij wil. Dat denkt hij. Hij vertelt me dat de tijd sneller gaat wanneer men geen afwisseling heeft in het leven.
Ik zeg: je hebt gelijk.
Hij zegt dat beweging positief is en ik zeg: ja, je hebt gelijk.
Hij heeft zijn haar laten knippen om betere kansen. Hij wil het maken op zijn manier. Zijn droom is om boswachter te zijn. En ik zeg: dat is een prachtig beroep.
Wat vieren we vandaag?
Daglicht vol vogels. En volle maan. Daarvoor moet het donker zijn.
donderdag 20 maart 2008
Ik hou van steen. Stenen bewaren in hun binnenste een geheim. Ze vertellen een oeroud verhaal over erosie en hun ontstaan. Een heel klein beetje begraaf ik mezelf erin.
Als kind droomde ik vaak hoe ik naar de diepste krochten in de aarde afdaalde. Zou ik er de hel ontmoeten of juist niet?
Vandaag scheen de zon, stormde regen en hagel.
Het nieuwe fietslicht schijnt in het donker een ander licht, modder in het midden van een veldweg en rechts een berm. Ik rijd er tussen door. Windvlagen striemen. De terugkeer lijkt oneindig ver.
Het begint te sneeuwen. Hij blijft liggen op het gebladerte, het houtachtige. Stenen verdragen het niet. Ik weet niet waarom.
Verwelkomd met een hete kom soep, eens mijn ijzig gezicht ontdooid, ben ik thuis.
In deze voorjaarsdagen rijpt verlangen stil alsof het binnenkort de laatste lente wordt.
Ook de zomertafel is bedolven onder sneeuw.
Terwijl de berk zijn laatste wintertakken verliest blijft de maan verscholen.
Nog voor de nacht, spoelt ijskoude regen alles weg. Zo gaat dat. Ik heb een sneeuwlandschap gezien.
Hier, …elders schreeuwt de wereld een lied. Verliefd ben ik voor de vierde keer.
zaterdag 19 april 2008
Ze was rustig onderweg. Ze slenterde zelfs. Regelmatig bleef ze staan om geuren op te snuiven. Mijn ouwe hond. Deze dag is fris in tegenwind, heeft witte lucht en schittert licht. Ik ga de kroonlijst schilderen. De keuken is opgeruimd. Even neusbloeden.
Het schuurpapier schort de nerven zacht. Het schuurt glad.
Papa, ik ga naar de bakker. Wil jij ook een broodje?
Neen, ik heb al gegeten.
De hond staat voor het hek. Haar rughaar kuift omhoog. Hoe vermagerd ze ook is, nu ziet ze er als een krachtpatser uit.
Ik schuur verder. Daarna schilderen, ook al motregent het zacht. De ladder op. De verfborstel is minder glad. Vanavond maak ik een gestoofde kippenbil met ajuin en wortel klaar.
Doe nu het gereedschap weg en poets de grond. De dag is zo voorbij.
Zie hoe die hommel weg kruipt over de betonstenen. Hij is doordrenkt met water. Als hij voor het donker niet opdroogt is hij verloren. Ik zal hem op een schotel lokken en in huis te drogen leggen. Dan kan hij morgen zijn tocht verder zetten… of ik stamp hem dood. Als mens kan ik hierover beslissen. Toch niet. Hij is vanzelf gestorven.
|