CURRICULUM VITAE
ik hoor, voel haar hart bewegen
en glijd de bevrijding tegemoetvanaf nu ga ik een mens worden,
word ik door de wereld opgesloktuit het water
heb ik afscheid genomen
van wat ik me niet meer herinneren kan
september 1954
Ik ben geboren op een bovenkamer in een doodlopende straat vlakbij het station. Naar verluidt was de huisdokter een kettingroker. Midden in de jaren zestig vond mijn vader dat het tijd werd dat ik een stiel zou leren. Houtgeur, slijpsteen, scherpe beitels, beenderenlijm, spanvijzen en vooral die houten werkbank bekoorden mij. Het was in mei 68.
Ik stapte stiekem mee in studentenbetogingen zonder te begrijpen waartegen ze precies revolteerden. Het was me om de spanning en de waterkanonnen te doen.
Na mijn opleiding had ik mijn gereedschap gemaakt. Twee schaven, beitels, een houten hamer en een gereedschapskist. De laatste schooldag kwam ik met onderscheiding meer ziek dan dronken naar huis. Het was op een zwoele zomeravond. Ze zaten in onze straat allemaal buiten toen ik uit de Vinkenstraat strompelde. Ik hoor mijn moeder nog zeggen: ’t is niks, hij heeft zijn diploma behaald, hopelijk zonder herexamens. Aline krijste lachend dat ik er brede schouders van gekregen had. Dat had ze al gezegd toe ik mijn plechtige communie deed.
Ik begon te schrijven.
Op dertig april 2006 keek ik naar de uitbundigheid van mijn hond, zag ik hoe ze zich wentelde in de aarde. Vanonder mijn paraplu schreef ik wat ik zag in gedachten. Daarna schreef ik het op een blad papier, de regendruppels ontwijkend. Als zilver parels lagen ze verspreid op dit blad waar de inkt verwatert als mijn pen ze raakt.
Ze fietsen sneller dan ik. Ze lopen sneller de trappen op en af en nog van alles wat ze doen. Zelfs de tijd doet het sneller dan voordien. Zo sta ik ‘s avonds als een nietsnut nog koppig te fluisteren tegen mezelf: het gaat zo vluchtig snel.
Waarom groeit (alles) naar boven en niet naar onder, waarom wordt (alles) groter en verkleint het niet. Zou het iets te maken hebben met de wil om zwaartekracht te overwinnen? Wat voelt een zwaluw die naar Afrika vliegt?
Vooraleer ik binnen ga kijk ik naar de sterrenhemel. In al die tijd is daarboven niets veranderd. Het is een geruststelling, een houvast.
Ik herinner me dat ik met mijn broer achter onze ouders liep wanneer we ‘s avonds na een familiefeest terug naar huis gingen. We keken naar de sterren in een gitzwarte hemel en probeerden ze allemaal te tellen. Af en toe bleef mijn vader staan en wees hij naar de grote en de kleine beer. Dan liep hij weer verder langs het voetpad naast de kasseiweg met moeder, zij aan zij.
Bij elke lantaarnpaal zagen we hoe onze schaduw in het oranje lichtschijnsel bewoog, terugkeerde en opnieuw verdween. Mijn broer en ik keken er zwijgzaam naar. We vroegen ons af vanwaar die schaduw kwam.
Nu ik opnieuw in die sterrenhemel kijk denk ik aan de wandelingen in het bos, hoe onze kinderen schaterlachend wild langs elkaar liepen. Ik kan die kinderhand nog zo in mijn handpalm voelen.
Aan de ‘Zeven sterren’ bleven we staan. Daar liggen drie gebroken stenen die in elkaar passen en een ronde schijf vormen van drie meter op één. Men zegt dat een boer die brokstukken tijdens het ploegen van zijn veld gevonden heeft. Ze hebben ze met de ossenkar naar deze plaats gebracht. Het zouden restanten van een meteoor zijn maar het kon evengoed een altaar geweest zijn. Ik zie opnieuw hoe zij die stenen opklommen, kraaiend een kreet slaakten van: ik sta op de top . Ik heb hun verteld: dat is een stukje van een ster.
We gingen verder, bleven staan, gingen verder, bleven staan in een zonnestraal. Er lagen kastanjes op de weg. Gek dat niemand die wou.
oktober 2004
Jij zit kaasraklet te eten in deze ochtend, zingt ze terwijl ze langs de wenteltrap fladdert.
Ja, dat smaakt.
Er is geen toiletpapier meer.
Ik stop haar een paar servetjes toe die dienen voor een beleefd diner. Groen zijn die. Dan gaat ze terug naar boven.
Ik ga weg.
Ik draag een lederen jas. Een oude jas met littekens. De rechtermouw is op drie plaatsen hersteld en aan de onderkant heeft de schoenmaker een nieuwe lap genaaid over een opgelopen scheur tijdens een nachtelijke tocht. De bladeren vallen als sneeuw uit de bomen. Veel is verdord. Later kom ik besluiteloos terug, in een niet te beschrijven leegte. Achtergrondgeluiden verdwijnen.
Ver weg wordt nog een straatspel gespeeld voor het slapen gaan, en blaffende honden, ze horen erbij.
Zelf heb ik in de duisternis een kaars aangestoken. Ze geeft voldoende schrijflicht zolang de wind niet komt aanzetten.
Schrijven in dansend licht met schaduwen op papier. Niets is zo toevallig en wanordelijk. De mot maakt zich klaar voor een nachtelijk avontuur. Kamikaze op zoek naar licht zomaar omdat het onweerstaanbaar is. Daarna komt de droom als een bloot lijf.
Nu schuiven onverwacht zwarte turbulente wolken over daken, loeit de wind. De sterren aan de hemel bewegen snel in flitsende explosies. Na de storm fiets ik naar de straat waar ik opgegroeid ben. Er is licht beneden in het ouderhuis. Ik zie mijn moeder in kamerjas ronddwalen. Verder dan de voortuin kom ik niet. Ik ben om een of andere reden bang om met haar geconfronteerd te worden, ook al weet ik dat ze ongerust is omdat ik al twee dagen weggebleven ben.
Dan word ik wakker. De droomnevel trekt langzaam weg.
fietser met korte rok 2004
De nachten worden lang. Binnenkort zal de zonsopgang onderweg verdwijnen. Seizoenen kennen geen stilstand.
Aan de campus fietsen studenten nonchalant tegendraads. Ze giechelen en kwetteren zonder handen aan het stuur. Toen gebeurde waarvan ik dacht dat het me nooit zou overkomen. Een frontale klap in schemerlicht. Ik botste tegen een fietser met korte rok en kniekousen aan. De kou beet tussen haar benen. Ik ruik nog zo dat ochtendparfum dichtbij. Schreeuwend, wenend lag ze langszij. Ik voelde me schuldig ook al was het niet mijn schuld. Als een gek graaide ik haar schriften van de weg en probeerde haar te vertellen dat het een stom toeval was, dat dit nu eenmaal kan gebeuren.
Aan het water verlies ik mijn menselijkheid wanneer ik naar de eenden kijk. Verder aan de kant zit een kater. Zijn snorharen zijn bedauwd. Wanneer ik dichterbij kom sluipt hij weg. Ik vergeet haast de reden waarom ik hier ben. Verder, evenwijdig met het pad is een treinspoor en een brug. Een brug waaronder ik als het regent mijn handen droog en een sigaret draai. Dan sta ik te staren naar de grijze lucht, de brug, de spoorweg, de rivier, naar rimpels van regen op het water met uitdijende cirkels die botsen tegen de kant.
Ik heb altijd plezier gehad om met iets onvoltooid bezig te zijn, maar nu blijft er niet zoveel tijd meer over. Meer en meer denk ik aan onze sterfelijkheid. Vreemd genoeg bedroeft mij dat niet. Wat mij nieuwsgierig maakt is of er iets onthullend zal zijn. Of zal het zijn zoals voor onze geboorte: ...niets.
Aan het kanaal doet een reiger een mislukte poging om op te stijgen uit het water. In een walm van brouwsel loopt mijn weg verder langs de Dijle waar men in middeleeuwse tijden Margriet ingegooid heeft nadat ze verkracht en gesmoord werd. Het lijk dreef stroomopwaarts.
Ik ga rusten aan het meer, kijken hoe de zilverschijn op het water met het daglicht verdwijnt.
In het centrum van de stad heien machines palen in de grond. De bouwwerf is als een voetbalveld verlicht terwijl bouwvakkers met rubberen laarzen zwaarbeladen door het slijk ploeteren. Later naar de avond toe, bij mijn terugkeer naar huis, neem ik twaalf bakstenen mee. Boeren blijven maar doorrazen met hun machines over modderwegen en met die felle wind van vrijdagnacht liggen afgewaaide takken verspreidt.
Wintermaan, ijskoude lucht. Mijn adem verdampt.
hoe zou het zijn om in het heelal te zijn
met een waanzinnige snelheid die je niet eens voelt
geen zwaartekracht meer
naar het blauw van de aarde kijken
en die duik door de dampkring dan
hoe zou het zijn?
terugkeer naar die blauwe kluit in de ruimte
kom hier en zie niks blauw
tenzij
ja gij
ik plak bladgoud om je heen
eer u aan zeven goden
nu
kom hier
niks is blauw
laten we door de dampkring duiken
hoe zou dat zijn?
begraafplaats
Inea negra, de onzichtbare grens tussen zijn en niet zijn.
Cesar Alberto Torres, ochtendgloren, zei in zijn zoektocht naar gelijkgezinden, dat een sacraal voorwerp aan zijn omgeving onttrekken het evenwicht verstoort.
Een gitan kuste mij als verwelkoming op mijn wangen. Ik voelde een scherp voorwerp in mijn hals. Op dat ogenblik wist ik dat ik aan het dromen was. Ik stapte te vroeg uit een autobus en ging met een verlammend gevoel te voet verder door een wirwar van bedrijvigheid. Het koste me moeite om een weg over te steken...
Gekliefd door te weinig slaap word ik 's morgens wakker. Om precies te zijn: ze porde me meermaals in mijn zij. Dat deed ze op een zachte manier.
De eerste keer dacht ik dat ik midden in de nacht aan het snurken was. Helaas bleek dat een illusie te zijn toen ik naar de klok keek. Toch klapten mijn ogen opnieuw dicht.
Toen ze mij de tweede keer aanstootte besefte ik dat het menens was. Nog vijf minuten verder slapen, dacht ik dan. Opnieuw vielen mijn ogen loodzwaar dicht.
De derde keer werd een ultimatum. Ik zou me niet scheren en mijn tanden maar kortstondig poetsen. Zo had ik nog tien minuten respijt.
De vierde keer dwong ik mijn lichaam uit de slaap en zat ik op de zijkant van het ledikant, mijn hoofd steunend tussen nog slappe handen. Zelfs zittend viel ik opnieuw in slaap.
Het noodgedwongen rechtop gaan staan was als een onevenwicht tussen hemel en aarde. Het was alsof ik verstrengeld geraakte in mijn pyjama. Mijn ogen waren nog aan het duister gewend. Ik keek naar haar, hoe ze daar met gekruiste armen onder haar hoofd lag verder te slapen.
Nu ga ik wankelend langs de wenteltrap beneden, zet een kan water op het vuur, schenk mezelf een tas koffie in en rook buiten een eerste sigaret. De vrijdag begint. Morgen slaap ik uit.
Door nog verlaten straten in stilte de vroegte klieven.
De wind, je voelt hem rond je kaken gaan maar ziet hem niet. Als een spook doet hij de dingen bewegen. Het is geneveld. De raven vliegen er door. Terwijl snot en slijm uit mijn neus en keel druipen zie ik hun vliegende gedaante vanuit mijn eigen beweging. Halverwege kan ik het mij niet laten stil te staan om te kijken naar het allermooiste dat hoogbejaarde kunstenaars al duizend jaar proberen te vereeuwigen: pril ochtendlicht dat vertederend over sidderende grashalmen kruipt.
De opkomende zon heeft een tijdelijk knoopsgat in het wolkendek gevonden. Zolang die schoonheid me blijft verbazen stroomt een vreemd geluksgevoel door mijn aders. Ik zal bij zonsondergang terug keren in uitstervend licht.
Overdag ga ik over afgewaaide bladeren die bomen kalen. De speelpleinen zijn verlaten. Meer en meer vinden de stadsduiven er hun gebied.
Over het park cirkelen meeuwen op zoek naar etensresten. Elke dag komt een bejaarde hun voederen aan de rivier. Het is een wederkerend herfstritueel.
Hij van de rivier is vandaag niet gekomen. Misschien is hij ziek of is hij in zijn slaap ontleefd.
Dan begeef ik mij naar een afgelegen begraafplaats om bijna plechtig naar de inscripties en beeltenissen te kijken van overledenen.
In dat sereen landschap met zijn stenen zerken rust de nagedachtenis als een heiligdom op een grens naar niemandsland. Ik slenter erdoor als een levende passant, langs zij die mij voorafgingen. Lichamen, vergaan in deze grond.
Ik hoor mijn voetstappen in de kiezel en ga verder zonder een ogenblik stil te staan.
Verderop liggen nog onbekenden waar geen grafzerken staan, maar wit geschilderde kruisen met namen ingegrift. Een plaats perfect onderhouden uit respect voor heldenmensen uit een tragiek van een recent verleden. Geen teken van kruidsleven.
Aan de trappen op een viersteense muur eet ik appelsienen. Een spin maakt een web tussen mijn fietszadel en een dicht bijzijnde struik. Ik vraag me af hoe ze dat doet. Vooral het begin moet moeilijk zijn.
Soms zit ik daar aan rust en stilte bezweken te kijken naar afgestorven bladeren opgehoopt in kieren van een brede stenen drietredentrap.
Er fietst een man voorbij. In zijn fietszak steken chrysanten.
De man fietst opnieuw voorbij. Deze keer zonder chrysanten. Die heeft hij op een grafzerk gelegd. Hij fietst in tegenwind.
zo verblijf ik hier als een ongevleugeld dier
met de gedachte van: ik zou een vogel willen zijn
glijden op de wind
op en neer
tot boven wolken
en de zon zien
zelfs
toevallig sterven in mijn lot
ze bestaan
bij het krieken van de dag en voor zonsondergang
vliegen ze met honderden
met duizenden
weg van hier nu het winter wordt
vrijheid zonder keuze
ik zou een vogel willen zijn
vliegen zoals in dromen
nog beter dan vogels
met traagheid
en mensengedachten
vliegen zonder vleugels
toevallig in een droom
vervallen kerk
Niets is ooit een laatste keer. Ze pitste een duivelshaartje weg terwijl ze met haar ogen vertelde over onzekerheden. Ik kon ook de waarheid niet weten en vertelde iets over ouderdom. We gingen in een vervallen kerk waar iemand zich nog de communiebank herinnerde, geknield naast drie verbruinde bloedvlekken op het arduinen plaveisel. Voor het eerst zag ze een interieur van een klokkentoren. We liepen over de gewelven en op de wenteltrap vroeg ik om de spinnenwebben te laten en niets aan te raken.
Het heeft iets devoties, een verkommerde kerk met duiven. Hun gekir reikt tot in de gewelven. Hier hoor je het geluid van een zangerige vlucht. Een plaats van broeden en sterven. De karkassen liggen in eigen mest op wat overblijft van de marmeren vloer. Aan de onderste ornamenten van de zuilen kan je zien dat er nog een dieper gelegen middeleeuwse vloer moet zijn.
Ik ben vanmorgen door de mist hier naartoe gefietst. Het breekt de chaos in mijn kop. Deze plaats is zoals een reis, een droom.
Op het middaguur heb ik vislever gekocht. Het smaakt zacht naar de zee. Nu ga ik voor een stoffig altaar bidden. Niet omdat het Pasen is, maar zomaar omdat ik er zin in heb. Kniel voor dit vervallen altaar en bid in het duivengekir. Mijn gebed is tot mezelf gericht. Ik smeek dat ik mijn leven zal beteren, meer geven dan nemen....nog een laatste blik, de heiligen lijken tot leven te komen. Ik vertrek en buiten schijnt de zon, leeft het leven. Mensen lopen hand in hand.
’s Anderendaags heb ik de inkompoort in het portaal ontgrendeld en open laten staan. Ik klom met een zaklamp naar de klokkentoren. Terug beneden zag ik het silhouet van een vrouw in de deuropening met haar rug naar mij gekeerd. Ze staart naar buiten in het stadsgebeuren. Ze wacht op iemand.
Ik bleef op tien voetstappen staan om haar postuur in me op te nemen. Onbeweeglijk stond ze daar als een schaduw zonder uitgerekte contouren.
Ik dacht nog: ik mag haar niet laten schrikken door geruisloos uit het donker dicht bij haar te komen, tot ze zich plots omdraaide en haar handen in een kreet van verschrikking rond haar borsten sloeg.
Sorry, ik wou je niet laten schrikken.
Geeft niet. Ben jij van hier?
Ja, overdag behoor ik aan de stad. De merels beginnen te fluiten, de winter is zo voorbij. Zullen we dansen?
Net op tijd flapte ik die gedachte er niet uit. Had jij mij vorige week gebeld?
Neen, dat was mijn collega. Die komt zo.
Wat gaan jullie hier precies doen?
We maken een inventaris van wat hierbinnen overgebleven is na al die jaren.
Hoewel ze perfect Nederlands spreekt verraadt haar accent Franstaligheid. Haar spraak klinkt aristocratisch. Ze moet zo rond de veertig zijn. Ik vermoed dat ze een leidende functie heeft. Niet dat ze daarover iets zei, maar dat zie je meteen aan de blik, de manier van voortbewegen, die vriendelijke gedistancieerdheid en gebrek aan tijd die leiders zo herkenbaar maakt. Er verschijnt een glimlach in haar ogen. Ik heb het koud.
Aan het andere eind van de kruisbeuk had ik de deur ook open gelaten. Dat maakte tocht. Ik zal die deur sluiten.
Ik kan hier niet blijven. Bel me als jullie gedaan hebben. Dan kom ik nog even langs.
Ik had nog graag gebleven en haar rondgeleid in deze immense ruimten. Ik wou haar de plaatsen tonen waar het licht een voortdurende strijd aangaat met het duister, waar verlaten stoffige spinnenwebben al jaren in tochtkieren bewegen, het mysterie van leegstand ophelderen, maar daarvoor zou ze een toverspreuk moeten doen die mij van kikker in een prins veranderde. Dat deed ze niet.
Ze belde me net voor het middaguur. Ik kwam later. We hebben mekaar niet meer gezien.
Dagenlang heeft de stem in gedachten geklonken, is de onuitgerekte schaduw op het netvlies gebleven, zijn de ogen nog altijd niet verdwenen, is alles opgeborgen als een pakje sneeuw in een bevroren landschap tot alles smelt.
Nothing fails....ik heb nog niet alles verteld... eerst een schaduw oprapen...
Het was op een vrijdag dat ik langs de Achterstraat ging. Het waaide krachtig en de regen sloeg in mijn gezicht. Ze deed voorzichtig de voordeur open. Je kon nauwelijks zien of het zij of haar dochter was.
Ik heb iets beschreven op een vod papier.
Kom binnen.
Ik blijf niet lang.
Ga zitten en drink iets...koffie of zo?
Heb je niets anders voor het einde van een laatste werkdag in de week?
Eet je straks mee?
Nee, ik blijf niet lang.
Haar oudste dochter vertrekt zaterdagavond naar Zuid Afrika en de jongste zegt dat ze Bert en Stef nog eens wil terug zien. Het is al zolang geleden. Ik stel voor om iets bij mij te komen eten.
We drinken een scheut Cubaanse rhum en sterke koffie. De wind jaagt de regen tegen het vensterglas. Er zit iets zangerigs in, de wind, de regen en die drie vrouwen in dit huis aan de Achterstraat. Terwijl ik een sigaret draai gaat ze in de keuken het eten verwarmen.
Eet je echt niet mee?
Een proevertje en dan ben ik weg.
Ontkurk dan een fles wijn. Ik breng glazen.
Kom ik niet ongelegen?
Neen. Voor een keer dat je komt. Ik heb vanavond niets anders te doen.
Ik bel L om te zeggen dat ik hier blijf.
Ik heb geen telefoon. Neem de gsm maar trek het niet te lang, het is duur. Waarom eet je geen pasta bij de saus?
Omdat ik geen honger heb maar de saus lekker vind.
We eten zwijgzaam. Ik eet zonder gebit. Er ontbreken twee snijtanden Al drie weken. Ik heb geen voltandige mond nodig om hier binnen te komen. We kennen elkaar vijfendertig jaar. Zij was pas vijftien. Nu zit ze hier een nieuw leven op te bouwen. Mekaar vijftien jaar uit het oog verloren, en nu eet ik op een stormachtige vrijdagvooravond tomatensaus met een stuk brood aan tafel bij haar met haar twee dochters. Even maar. Ik blijf niet lang.
Trek je nog een fles wijn af?
Waar is de aftrekker?
Voor uw neus! Wat vind je van de muziek? Het is Ierse muziek.
Zou je niet zeggen.
Heeft het gesmaakt?
Heerlijk.
Nog een tas koffie?
Ja, en een scheut rhum. Drink er ook een. En we roken een sigaret na het eten.
Het regent niet meer. De wind is in slaap gevallen. Misschien is het maar een indruk. Loomheid in de oren.
Hoor je mij K?
Ik heb mijn gehoorapparaten in en hou op met me K te noemen. Je weet dat ik daar een hekel aan heb.
Nog een koffie?
Neen. Nog een scheut Cubaanse rhum.
K, we worden zat.
Hou op met me K te noemen!
Ik vind die naam mooi. Je voorouders waren wellicht Kelten.
Onze voorouders waren gelijk. Geloof jij in de schepping?
Hou op met dat gefilosofeer. Dan begin je te fluisteren. Ik hoor je liever schreeuwen. Knor desnoods als een varken maar filosofeer niet tegen mij.
Laten we dansen.
Op afstand dan. Ik wil niet dat je me aanraakt. Laten we eerst nog iets drinken.
En dan dansen we als indianen.
De hond blaft. Hij-zij blaft. De kat, zo verwend dat monster! Ze pist in de bloembakken. Echt, echt waar. Het is woestijnachtig.
Ik ga plassen.
Ge komt nog terug?
Wil jij ondertussen nog een sigaret voor me rollen?
Er zat iets damesachtig in haar stap. Ze kwam terug en zei: ik heb zin om te wenen.
Ween maar. Je hoeft je voor mij niet te schamen. Het is maar een omgekeerde lach. Het zal goed doen.
We zaten aan tafel. Ze weende alsof het een eeuwigheid geleden was.
Ik kuste haar hand als een dame en we deden een belofte aan de eeuwigheid. Zolang de slaap ons niet aanraakt zullen we niet slapen gaan.
Later, veel later in de ochtend heeft ze in de zetel een deken over mij gelegd en heeft ze me onzichtbaar een kus gegeven. Ik had het gevoeld in mijn slaap.
Daarna ben ik te weten gekomen dat een vriend van mij diezelfde avond stierf.
Geen wolk aan de lucht. Nog een kwartier en het zonlicht gaat over het schrijfboek glijden. Dan krijgt mijn pen een schaduw en baadt elk geschreven woord in eindeloos verblindend licht. Het licht heeft zich al over de helft van de tafel verspreid.
Af en toe kijk ik naar haar, hoe ze herfstbladeren samen veegt. Die witgekalkte muur verblindt mijn ogen. We gaan die herschilderen in herfstrood, zegt ze.
Op de rechter bladzijde trekt de schaduw weg. Het gaat van rechts naar links. Ontspannen kijk ik toe zonder het schrijfboek te verplaatsen.
Zij is er nu ook bij gekomen met een glas Sauvignon Blanc en een nieuw boek.
Dikzak. Ouwe trut. Het is de hond die ik aanspreek terwijl ik haar aai.
Nu de penpunt in het witlicht duikt en haar schaduw met letters beweegt, slaan de stoppen door. Het is hier zo stil dat de bloedsomloop hoorbaar wordt.
Door windstilte is het steenstof van gisteren op de laurier blijven liggen. Er wordt geen regen voorspeld. Alleen de zonsondergang is vandaag voorspelbaar.Mechelfiets
We hadden gehoopt nog voor de schemer terug te zijn maar zo was het niet. Ze plukte per ongeluk de voorlamp van haar fiets. Daarna dronken we trappistenbier.
De tafel kantelt af en toe door mijn schuld terwijl we spreken over schoonheid en nog niet gemiste kansen.
Ik hou van steen en weet niks van metaal. Ik doe niets liever dan steenkappen.
Ze had net met een bijna vanzelfsprekendheid de elastiek uit haar haren getrokken en alles in één beweging los geschud. Niet toevallig zitten we aan een ronde tafel in gesprek. Een beetje overspelig in loslippigheid. Goh, wat maakt het uit?
Hoor je die muziek?
Links of rechts?
Rechts. Ik vind het een mooi stuk.
Eerst bleven we zitten tot de lucht roze werd, daarna tot zonsondergang en uiteindelijk is het donker geworden met een beetje kilte in het straatlicht. De tafel wiebelt en het trappistenbier schuimt opnieuw.
Nu, in het weinig licht, herken ik haar nauwelijks uit haar dagelijksheid.
Twee maanden later zag ik haar opnieuw. Ze zat aan de toog in een bruin café dromerig voor zich uit te kijken.
Schenk dat meisje nog een pint.
En?
Meende je dat nu echt?
Wat meende ik?
Dat van dat meisje.
Nee, bij jou merk ik het leeftijdsverschil niet eens. Er hangt een herfstblad in je haar. Mag ik een beetje tabak van je lenen?
Weet je nog toen we op stap gingen met die pater en die lesbische vrouw? Jij moest hem zonodig vragen of hij in God geloofde.
Natuurlijk geloofde hij in God.
Door de muziek leg ik mijn rechteroor rakelings aan haar mond te luisteren. Ik voel de wind van haar spraak terwijl mijn neus in haar haren verstrengeld raakt.
Eet jij graag kip?
Ja, op voorwaarde dat het een Mechelse koekkoek is.
Waarom een Mechelse koekoek?
Omdat die minstens een uitloop van negentig dagen heeft voor ze hem slachten op een kipvriendelijke manier. De verpakking zou ook milieuvriendelijk zijn.
Weet je wat ik mis in deze stad?
Neen.
Een minaret met een zanger erbij. Ik ben dat klokkengelui beu.
Op zeventien december tweeduizend en vijf heb ik het licht uitgedaan om de sneeuwstorm langs het venster beter te kunnen zien. Het verleden welde in me op door naar die opgejaagde sneeuwvlokken te kijken. Ik zou er haast de geschiedenis door herschrijven maar daarvoor zat er te veel chaos in mijn hoofd.
De telefoon rinkelt twee keer. Het is zij die vraagt naar hem. Of hij weg geweest en thuis gekomen is. Ja, zeg ik.
Een kuch, een zucht, een snuffel in de keukenkast.
Om het huis gemakkelijker te verwarmen heb ik een vod tegen de voordeurspleet gelegd en de doorgang in de kelder met een bedsprei dicht gemaakt. Verluchtingsspleten dichten in koude dagen heet dat. Het hout ligt klaar om te verbranden moest het nodig zijn. Het maakt warmte gezelliger. Alleen de wc-bril doet nog billen schrikken.
Vroeger was het anders. Dan werden alleen de benedenplaatsen met een kolenkachel verwarmd en stond de wc buiten, vaak ondergesneeuwd.
s' Ochtends kleefde onze adem in de slaapkamer ijsbloemen aan het vensterglas. Mooi om te zien wanneer het zonlicht erdoor scheen. Die dagen zijn voorbij.
Opwaaiende sneeuw meegesleurd in kronkelende spiralen langs de binnenkoer, rond de openstaande parasol die niet meer dicht gaat. De wind is zichtbaar geworden.
Sneeuwstorm. Ik heb er de hele dag op gewacht. Nu laait hij op, hevig als witte regen, spierwit de lucht doorklievend.
De buitenlucht wenkt, roept, giert, brult. Moeder van alle winters lokt me buiten.
Deze keer heb ik mijn kladboek niet meegenomen. Het zou binnen de kortste tijd verweken, de inkt meteen verwateren. Het zou zinloos zijn. Ik wil gedachteloos de witte zee doorwaden. Zelfs mijn ogen zullen niet beschrijven. Ik zal als een blinde zien.
Dat probeer ik vruchteloos twee uur lang. Eerst met rugwind, dan in ijzige tegenwind tot mijn gedachten van de kou verstijven en mijn sik bevriest.
Het is ondertussen donker geworden. Mijn tabak in mijn bovenzak is ingesneeuwd.
Verlaten straten, joelende sneeuw in straatlicht en een paar idioten die het trottoir voor hun inkom ruimen. Alleen de vier-maal-vier aangedreven bedrijfswagens gorren oneigenlijk snel naar huis.
En ik… ik slenter als een sneeuwman voorovergebogen met een bevroren verhaal in gedachten naar huis.
Eigenaardig dat de straten verlaten zijn, dat de kinderen met hun sleden niet naar buiten komen. In mijn tijd zouden ze nu een sneeuwman maken uit schrik dat het morgen zou dooien. Ze zouden met tientallen de Krekelenberg afglijden, stoeien en groeien tot ‘s nachts en niet bevriezen. Het duurt misschien nog even vooraleer ze weten dat het sneeuwt, of komt het door de media die bijtijds vertelt dat er iemand doodgevroren is?
Het zou me kunnen overkomen: in het donker uitglijden in een greppel en met een gebarsten hoofd of gebroken been hulpeloos blijven liggen. Geen kat die voorbij zou komen. Het verhaal zou ongeschreven zijn.
De volgende ochtend is het opnieuw aan het sneeuwen. Onbegonnen moeite om hierdoor te fietsen. Het kerkplein ligt er verlaten bij. Het is zes uur. De geparkeerde auto’s die anders het dorpsplein ontsieren worden opgeslokt in een uitgestrekte sneeuwbal. Enthousiast ga ik naar de slaapkamer waar zij zich niets vermoedend de voorlaatste keer omdraait onder de lakens.
Het is opnieuw aan het sneeuwen!
Wat zeg je?
Alles is ondergesneeuwd, kijk maar naar het raam boven het bed.
Ze verheft haar hoofd schuin naar het dakvenster, zucht en trekt dan het laken tot net boven haar voorhoofd. Ze heeft nog recht op een uurtje slaperige zaligheid. Je gaat toch niet met de fiets naar het werk?
Ik twijfel, …hoewel
Neem de auto. Iemand zal me naar de luchthaven brengen.
Ze heeft gelijk. Nu ik met de wagen ga blijft er extra tijd over voor een kop koffie en een sigaret.
De rit naar de stad verloopt traag. Het land wordt lamgelegd door vijftien centimeter sneeuw. Wie het zich kan permitteren pleegt onschuldig verzuim op deze laatste werkdag. Het verkeer sukkelt en strandt halverwege. Overmacht krijst overal. In Rusland zouden ze om zo’n interludium giechelen, maar hier, die vrijdag, is het ernst. Wanneer ik ’s avonds thuis kom veeg ik de sneeuw van de terrastafel en leg er een marmeren plaat op zodat het schrijfpapier droog blijft. Het witte stuifsel glinstert in het oranje straatlicht van die enige pilaar vlakbij. Het is vredig hier zo te niksen. Er dwarrelt fris sneeuwvocht uit de hemel dat de inkt doet uitvloeien. Woorden verwateren op den duur. Het wordt tijd om onderdaks te gaan.
Zo zit ik tijdloos over een bladzijde gebogen krabbels te herschrijven. Ze heeft me gebeld. Door het winterweer heeft het luchtverkeer vertraging opgelopen. Teletext blijft in het ongewisse over vlucht FT175 vanuit Rome. Het vliegtuig stond nog aan de grond. Ze zou me terugbellen wanneer ze geland zijn. Mijn gedachten slaan ijsberend op hol. Zou Mozes de staat Israël opgericht hebben? Waarom zijn ronde vormen vrouwelijk? Zal de wieleromloop afgelast worden wegens te guur winterweer? De vragen tollen willekeurig in het rond en breken mijn brein tot de telefoon om kwart na drie bevrijdend rinkelt. Kom me halen, klinkt een vermoeide stem.
We hebben de tijd verzonnen, het nieuwe jaar vervroegd, het hoofd van vriend en vriendin gekust op een zelfgekozen moment. Daarna thuisgekomen licht de hemel op boven deze plek wat ooit een dorp was, knalt de solidariteit onder het wolkendek terwijl de hondenteven janken
alsof de oorlog losgebarsten is.
Ik twijfel vier keer tussen dromen en wakker worden. Er resten nog vijf dagen zaligheid met haar. Het dakvenster is bevroren. Boven mij hangt een spin als een circusartiest aan een onzichtbare levenslijn. Nog hoger heeft ze een web gesponnen. Dat is het eerste waar ik naar kijk. Ik raap mijn kleren van de grond. Die verdomde rug doet weer pijn. Genadeloos opstaan. Straks zal het beter gaan als ik beneden ben. Ik zal een ontbijt klaar maken. Het moet een verrassing zijn. Ontbijt zonder champagne of zo, en ook geen stokbrood. Er is zelfs geen confituur in huis. Wanneer de tafel gedekt is met mooi servies zoals in de beste hotels zet ik koffie op een ouderwetse manier. De dampen zoeken onzichtbaar hun weg naar boven. Ik heb met opzet de kamerdeur open gelaten. Een engel maak je niet wakker met woorden. De koffiegeur haalt haar wel uit haar dromen.
Nog voor melk en suiker op tafel staan komt ze in kamerjas langs de wenteltrap beneden.
Oh, je hebt voor een ontbijt gezorgd! Ik ga eerst plassen.
Ja, en de keuken is ook opgeruimd. De hondenpoep haal ik straks uit het gras.
Ze weet dat dit ochtendritueel een vrijgeleide voor de rest van mijn dag is.
vitrinekast
In de vitrinekast (een ijzeren beglaasde apothekerskast die we jaren geleden op een rommelmarkt gekocht hadden ) liggen drie libellen roerloos met gespreide vleugels op een steen. Het is alsof ze rusten en nog in leven zijn. Ook de mot die drie jaar geleden kamikaze pleegde tegen een gloeilamp boven de tafel, ligt op haar zij in een eeuwige slaap. Ernaast liggen twee muizengeraamten en een gemummificeerde kikker omringd met edelstenen als een laatste beweging verstijfd in de dood. In die kast staan ook prenten van haar te vroeg overleden ouders en een jeugdvriend. Nou ja, sterven doe je altijd te vroeg. Af en toe kijk ik naar die afgestorvenheid. Het gebeurt regelmatig dat ook bezoekers ernaar kijken en me vragen waarom ik die dingen bijhoud. Dat is toch luguber, zeggen ze dan.
Voor mij is het de dood in haar stilte bewaard gebleven in herinneringen.
Die kast gaat nooit open, tenzij bij speciale gelegenheden wanneer kinderogen erin graaien uit nieuwsgierigheid. Dan mogen ze van dichtbij kijken naar wat van het leven overblijft. Voorzichtig raken ze die versteven lichaampjes aan en vragen ze verbaasd: nonkel, waar heb je die gevonden? Dan vertel ik dat het toeval was, dat je nu eenmaal niet moet zoeken en dat alles vanzelf komt als je goed kijkt.
Zij gaat slapen. Ik nog niet. Ik wil beschrijvend de middernachtstreep overschrijden. Ik denk aan het straatbeeld waar mensen alsmaar jonger worden. Een straatbeeld van beweging, soms stilstand op een onmogelijke plaats. Ik ga nog een laatste keer buiten. Van een ding ben ik zeker: de inkt zal uit de inktpot niet verdampen noch erin bevriezen.
Ze wikkelden hun doden in dierenhuiden en zongen droevig. Afstandig keek ik ernaar. Dan kwam het doodsgelaat van een oude vrouw opnieuw tot leven. Ze probeerde mij met haar lijkgeur te omhelzen.
’Ze willen mij levend begraven’, fluisterde ze.
In dit dagrestant schrijf ik gevangen in het donker, ver weg van de lichtvlek van een bewoonde wereld. Mijn hand beweegt een pen in het pikkedonker lichtwoorden uit mijn geest.
Wanneer ik thuis kom toon ik wat ik geschreven heb en geef haar mijn potlood.
Een hitparade wordt gemaakt door lezers en niet tussen ons. De alledaagsheid is niet zo alledaags als het lijkt. Verbondenheid in onrust. Een onkreukbare glimlach in een nacht van vallende sterren hoeft niet. Ik leg vast wat was, is en zal zijn in heimwee van de toekomst. Angsten en dwaasheden verbinden ons intiemer dan ooit tevoren. Ik weet precies wie ik ben, maar nooit wat ik wil. Genotzoeker in kleine dingen. Ja, dat wel, en bij elke bladzijde die ik omdraai voel ik mij goed. Nu is het tijd om de stop op de inktpot te draaien en u als lezer misschien verontwaardigd achter te laten. Daarna omhels ik een boom, of zal ik vollemaan bereklauw noemen?
Verkleumd wakker worden op een bank, in een dierenwereld. Het gaat over, zodra je vertrekt. Voor een straatloper begint de dag vroeg. Later in de ochtend gaan mensen voorbij. Onzichtbaar kijk je ernaar, gehavend. Nergens kan je binnen gaan. In het station...zie je gelijken. Zij spreken niet met elkaar. Dit is overleven. Daarna, op een andere bank, kijk je niet meer naar de mensen. Je denkt aan een verlaten verleden.
Freddy was zo een thuisloze habitué in de straat. Hij verwachtte geen grootse dingen van zichzelf. Elke ochtend zat hij daar, zacht wiebelend met zijn hoofd, zonder op te kijken naar de voorbijgangers. Eigenzinnig overleefde hij buiten.
Of de prediker die zich het apostolaat heeft toegeëigend. Niet op pauselijk nivo. Hij is een straatwerker die op ondenkbare uithoeken van het trottoir met een blik op oneindig het woord Gods verkondigt. Terwijl hij dat onafgebroken doet, zwaait hij met zijn rechterhand, wijsvinger naar de hemel gericht. Ik denk dat het hem weinig kan schelen dat niemand luistert. Zijn ogen richten zich nooit tot een ander. Die wereld is alleen toegankelijk voor hem.
Ik zag hem al eens prediken voor een etalagepop of was het tegen een weerspiegeling in de vitrine? Zou hij zijn spiegelbeeld herkennen?
Steeds gekleed met die onafscheidelijk lange grijze overjas, de fiets in de hand, kruist ons pad zich winter en zomer in dezelfde stad.
Een keer hebben we mekaar aangesproken toen we in een ouderwetse tunnel onder de spoorweg schuilden voor een regenbui. Dan ben ik te weten gekomen dat hij een zesenvijftiger is en de stad al heel lang kent. Die ene keer had ik met die zonderling oogcontact.
Ook de muzikant draagt een te groot verkreukeld pak. Grijzend haar tot net over de oren altijd in de war, net zoals hij, voorovergebogen zigzaggend van het ene naar het andere terras. Zijn hoofd tikt dan van links naar rechts schuin naar beneden. Hij draagt in zijn linkerhand een versleten Spaanse gitaar waarop nog vier snaren staan. Aan elk terras speelt hij tien seconden een melodie die hij alleen begrijpt. Daarna graait hij uit zijn jaszak een kartonnen beker waarmee hij de tafels afschuimt. Ook dat duurt niet langer dan het muziekstuk. Hij is het gewoon dat men niets geeft. Geen stem, geen akkoorden. De mensen willen waar voor hun geld.
Je ziet hem enkel bij zomerweer want binnen mag hij niet musiceren. Op een keer wou ik zijn gitaar stemmen maar hij hield ze krampachtig vast. Hij zwerft hier al jaren rond in het zomerseizoen.
Dan heb je nog de zwijger. Ook hij blikt naar oneindig. Ik schat hem rond de dertig. Te jong weggeblazen uit een gebroken samenleving. Hij stapt met gevoel voor evenwicht en draagt een volgepropte plastieken zak over zijn schouders, meestal rechts. Net zoals de prediker kom je hem alle jaargetijden zowat overal tegen in de stad.
Schimmen, respectabele stadsidioten. Wie zijn ze?De vrouw pookt de stoof. Overschot van het avondmaal pruttelt op een hete plaat. Een van hen heeft de weerwolf gezien. Telkens vertelt hij hetzelfde verhaal. Een ander heeft het over de scharensliep die in het rijpe korenveld huist. De winter heeft hem verjaagd.
Er klopt iets niet, zou mijn grootvader gezegd hebben moest ik hem verteld hebben dat de patatten in zijn bord uit China komen en de Chinezen ons witloof eten, dat we niet meer knielen voor de natuur, dat we zoveel meer kennis vergaard hebben zonder er iets mee te doen, dat we comfortabel leven en er desnoods voor zullen vechten om het in stand te houden. Hij zou het niet begrepen hebben moest ik hem verteld hebben dat we elkaar zomaar voorbij lopen en ervoor zorgen dat er geen hondenpoep blijft liggen, dat je een zebrapad opzoekt om de straat over te steken. Over het weer wordt nog gepraat al gaat dat steevast over wegsmeltende poolkappen en gletsjers.
De zon schijnt en plots begint het te regenen. Een glinsterend watergordijn in zonnestralen op de rand van een wolkbreuk. Luttele minuten later overtrekt het en gutst de regen als een waterval op de binnenkoer. Ik sta ernaar te kijken vanuit de deuropening tot het al even onverwacht opklaart en het water verdampt in de zon. Het is een zeldzaam teken. Ik word daar gelukkig van.Ach zo, schrijf ik in mijn moedertaal. Ik verdun de mast van de parasol met raspend schuurpapier totdat hij open gaat. De klokken luiden. Binnen ruikt het naar soep. Proef eens. We dansen daarna kousloos met sandalen aan. De kans is groot dat we beiden oud worden zonder verloren tijd te moeten inhalen.
Drie februari tweeduizend en zes, namiddag tegen het avonduur. Woorden weten alles wanneer de stop op de inktpot gaat. De schrijvelaar heeft zijn taak volbracht. Ik dacht dat het een simpele avond zou worden maar dat was niet zo. Het gaat nog harder vriezen.
De ochtend erna is de omgeving ontdooid. Voorlopig geen vodden meer aan deurkieren, geen vorstbril tegen tranende ogen, handschoenen uit. De boenwas is op. Ik fiets langs het Zoniënwoud naar de Hoogstraat in Brussel om een nieuwe pot. Het verkeer teert de longen.
Langs de chique avenue Louise fiets ik Brussel in. Van hieruit gaat het naar de Marollen. Langs het Zuid strand ik in Anderlecht in stegen waar het zwerfvuil zich opgestapeld heeft. Er is een kapperszaak. Voor de vitrine hangt een poster van Jacques Dutrong en Jonny Halliday. Ertussenin een blad papier met handschrift beschreven: cinq euro la coup. Het zit er stampensvol. Haren worden hier geknipt zonder onderscheid van gestalte, ouderdom of afkomst. Iedereen is er gelijk. De tondeuse wordt met de hand bediend. Als kind ondervond ik dat het soms pijnlijk kan zijn.
In het café op de hoek, chez Sharif, zitten ouderlingen getooid in lichtbruine wollen kleren broederlijk thee te drinken. Hun ogen zijn helder, hun lippen spreken welgemeend. Die Arabische taal heeft iets heftigs en zangerigs. Marokkanen en Algerijnen zullen me hier niet omver rijden. De Afrikanen wonen aan het Zuid. Daar zijn de reisbureaus die je voor een appel en een ei met een minibusje naar verre oorden brengen. Moslims, zatlappen, schooiers, brabbelaars met een pruik op hun kop. Hier hoeft men zich voor niets te schamen.
Op de terugweg aan de rivier onder de spoorwegbrug zijn pilaren met graffiti beschilderd. Een rood hartje met een pijl doorkliefd en daarnaast de namen van Gert en Fien. Het wordt tijd voor een dronk uit de trog. Wat bent u mooi, lieg ik veel later tegen het oprukkende donker.
Vanmorgen onderweg.
keek ik naar dampende mest
en nu….
is er veel verkeer op de brug
met graffiti op haar peilers.Hoogspanningsmasten grijpen verbonden.
in een wolkenloze hemel
zonlicht schijnt
vingerschaduw op dit blad .
Aan een oorlogsbunker blijf ik staan.
en kijk naar de voorbijrazende trein op een verhoogde berm. . .
de pisbloemen moeten nog bloeien.Toch blijft de rivier afwaarts vloeien
zwerven katers langs de kant.
Gisteren was het pensenkermis bij Wodek. Wodek is een Pool, kan uitzonderlijk goed walsen en schenkt met vaste hand roze Wodka in een glas tot aan de rand. Aan tafel omringen mij twee vrouwen. Links iemand die ouder is dan ze lijkt te zijn, rechts een die wat van koken weet. We praten over spruitjes, witloof en Chinese kool. Links zegt dat ik vermagerd ben.
Je bent zo stil?
Ik geniet.
Wie het hoorde lacht min of meer uitbundig.
Ik leun tegen links en schater tegen rechts. Vlak voor mij zit zij die de weg gevonden heeft. Met haar zal ik terug keren. Naast haar zit een man. Op tafel ligt zijn pijp te wachten voor na het eten. Een milde man met verstandige gedachten.
Vertel me iets over dat boek.
Nee, vanavond heb ik geen zin.
Hij schrijft een script. Ik vermoed dat ik, behalve zijn vrouw, de enige ben die het weet.
In de tuin achteraan liggen gevonden voorwerpen met karakter. De muur is per ongeluk met kaarsvet besmeurd. Mijn hond duikt in de vijver. Hiermee verstoort hij de winterslaap van de vissen. Ik aanhoor met schuldgevoelen het beklag van mijn gastheer.
’Uw hond heeft in zijn duik een paar grote keien naar de bodem meegesleurd. Doe uw zwembroek aan en haal ze eruit’.
Ze droomde in mijn droom. Ik wou haar wakker maken maar dat lukte niet. Ik moest zien om zelf niet wakker te worden want ik mocht haar dromend in mijn droom niet achterlaten. Ik had het gevoel af en toe te sterven en haar nooit meer terug te zien. Toen ik opstond was ik opgelucht haar in haar zaligheid te zien uitslapen. Die dagelijkse werkelijkheid stelde me gerust.
Ik zit op een terras recht tegenover het station te kijken naar mensen, niet alleen naar zij die binnen en buiten gaan maar ook naar een voorlopige stilstand van wachtenden, naar hoe iemand leunend tegen een muur een sigaret uit haar handtas plukt en ongeduldig lurkend voortdurend andere poses aanneemt. Er komt een Afrikaan naar me toe. Tussen zijn vingers houd hij nonchalant een uitgedoofde sigaar gekneld. Tot mijn verbazing vraagt hij in perfect plat Antwerps of het me niet stoort als hij deze enige onbezette tafel met mij mag delen. Met een zwaaiende handbeweging zeg ik: ‘Zet u neer’. Hij heeft vriendelijke ogen en is vergezeld van een blanke dame die het zonlicht in haar gelaat verdient ook al is ze duidelijk twintig jaar ouder dan hij. Ze heeft zo een rustige blik waarin een oneindige glimlach gevangen zit.
Er loopt een blinde over het voetpad heen en weer zwaaiend met een witte stok. Hij ziet de schoonheid niet die ik zie en ik heb zijn ogen in het donker niet, een alles overschrijdend vergezicht begrensd door obstakels. Het verbaast me hoe vaardig hij door deze chaos klieft. Moest het licht plots verdwijnen zou hij als een flierefluiter door een hulpeloze stad gaan. Ik had al eens een blinde man van op een plein naar het station geleid. Ik had zijn arm vastgehouden en hij stond erop voor me uit te gaan. Het hele traject hadden we gezwegen en op het perron bedankte hij mij. De mensen zorgen goed voor mij, had hij gezegd.
Midon, die kort na zijn geboorte blind werd, zei: ik weet hoe de wereld eruit ziet, alleen ziet die er anders uit voor jullie.
vrijdag 24 januari 2006
Moe getergd door regen, wind en voorbijrazend verkeer kom ik thuis. Onderweg had ik aan van alles gedacht en telkens als ik meende: dit mag ik niet vergeten, vergat ik mijn verstand.
In alle hoffelijkheid ga ik als een dame plassen. Het is de eerste keer dat ik dat doe. Niemand heeft me ertoe verplicht.
De straatverlichting doet het niet meer. Het lichtschijnsel van binnenhuis werpt scherpe contouren over de koer. De nacht is zoals hij is, schitteren sterren meer dan ooit.
De wanhoop verschijnt in haar ogen wanneer ze zegt: we zouden zo graag een knus huisje en een kindje willen. Hoe beginnen we daaraan?
Hij glimlacht en laat haar verder aan het woord. Iemand moet het verhaal vertellen. Het verhaal over onzekerheden, onmacht en verlangen.
‘Eet en drink, verdien uw brood, ga op reis en geniet van het leven. We mogen de geneugte geen uitstel gunnen’.
Veel meer kan ik niet zeggen. Mijn woorden kunnen aan dat pruilmondje niets veranderen.
Ach ja, neem een eitje. Wil iemand een tas koffie?
Liever chocomelk of limonade.
Laten we een vuur aansteken en er omheen dansen, met blote voeten op de grond stampen, met dampende adem onzin erkennen alsof er geen voor- of nadeel zou bestaan. Alom een nachtelijk vuur in deze tijd.
Zoekend naar woorden en zinnen
schrijf ik gevangen in het donker
ver weg van de lichtvlek
van een bewoonde wereld
lichtwoorden uit mijn geest.
Het is nog niet klaar. Ze slapen nog. Ik denk dat het halfzes moet zijn. Het regent niet, er is geen tegenwind en mijn handen hebben het niet koud.
Een fiets met een zadel, een slaapzak, drie onderbroeken en kousen voor onderweg. Ik fiets tot het landschap onherkenbaar wordt. In de eerste stad sta ik stil en kijk naar studenten die in nachtroes door straten slenteren.
De dageraad begint, zie hem zonder gehoor. De bakkers zijn nog dicht. Over het kanaal vliegt een reiger sneller dan ik.
In het water verschijnt het beeld van een mooie oude vrouw. Ik stop niet. Ik rijd verder de tweede stad voorbij. De weg is nog lang. Ook in de derde stad houd ik geen halt. Ik fiets verder langs de haven.
Het landschap verandert in rivieren en steenbakkerijen. Hier hebben ze nog veldovensteen gemaakt. De arbeidershuizen zijn nog bewoond, historisch bewaard gebleven. In dit dorp van Boomse steen koop ik stokbrood, paté en drank.
Rij de goeie richting uit, zegt de engel op mijn schouder. Ik toon je de weg.
In het avondrood ben ik in de buurt waar ik vandaag wilde zijn. Het is me gelukt om ongeschonden dichtbij een onbekende te geraken. Het wordt laat dwalen, zoeken in straten. De tijd wordt plots minuten en seconden, al weet ik niet hoe laat het is. Ik zie het aan het donker dat zwarter wordt, de mensen die verdwijnen uit de straten. Net als in helse dromen lijkt het of ik een hamerslag in de maagstreek krijg. Ik kom te laat.
En dan plotseling dient zich het spookbeeld van het toeval aan. Door het vensterglas schijnt een vage roze gloed.
Tikketikketik-tiktik…
Ben jij het? Ik had je niet meer verwacht.
Ze is anders dan ik me voorgesteld had. Ik ben anders dan het beeld in haar gedachten.
In een leefkamer waar de roerloze wanordelijke atmosfeer lichtelijk roze is getint door gedempt licht veeg ik de tafel vrij voor twee glazen wijn. Zij maakt de asbak leeg.
onverzonden brief
Piemonte, donderdag 12 juni 2008
Beste,
Laat ik dit schrijven beginnen in de meest eenvoudige vorm: ‘Hoe gaat het met U?’ en om mijn vraag concreter te stellen: ‘Hoe gaat het met de gezondheid?’
Zelf verblijf ik momenteel in Piemonte, wat letterlijk ‘aan de voet van de bergen’ betekent.
Ik zal deze brief pas bij mijn thuiskomst versturen omdat ik het huisnummer van uw woonplaats vergeten ben.
Waarom schrijf ik deze brief vraagt U en ik zich af.
‘Zomaar’ zou een oneerlijk antwoord zijn. Elke dag schrijf ik op dezelfde plaats een vijftal regels.
Gisterenavond bij het omkleden had ze voor de spiegel gestaan. Die spiegels zijn zo confronterend. Nu ligt ze gekruld onder de lakens. Voorzichtig vang ik langs het gordijn een glimp van het buitenlicht. Daarna schuif ik het gordijn weer dicht om haar niet wakker te maken.
Ik ga buiten. Van op een grasheuvel zie ik wijnstronken en schrik wanneer een vlieg dicht voorbij mijn oor raast. Is het het geluid van de wind die in de bomen blaast of het geraas van de benedenstad dat ik hoor?
De dag herleeft.
Scarnafigi 13h
Luister hoe de mussen ’t sjilpen, speels kwinkelen in het gloeiend middaglicht. Glijdende zwaluwschaduwen over het asfalt. Op het terras verschuift licht de tijd
tot een oude man met zwarte mouwen het dorpsplein op fietst en zijn polshorloge gelijk zet met de klok. Voor mezelf bestel ik een glas bier en voor haar witte wijn. Wanneer de winkel hiernaast opnieuw de deuren opent koop ik een hoed van stro.
Vanmorgen had ze in Verzuolo water gekocht voor onderweg. Voorbij ‘Bar Centro’ moesten we schuin linksaf naar Manta om dan verder te gaan naar Saluzzo. Daar hadden we in een buitengalerij cappuccino gedronken en naar passanten gekeken. De tafel wiebelde.
‘Leun niet tegen de tafel, anders gutst het melkschuim uit de tas’ had ik haar gezegd.
AvondIk schat de tijd aan de hand van zeventien handgeschreven regels. Dan moet het nu 19h45 zijn. Het regent niet lang. Wind waait zacht en de drie bomen waaronder ik zit voorkomen voorlopig regendruppels op dit blad papier.
Gisterenavond had ik nog naar verre bliksems gekeken die wolken schichtig deden oplichten. Deze plaats zou U aanstaan, beste schoolkameraad.
Vorige nacht ben ik in een droom Guido tegen gekomen. Vijfendertig jaar geleden hadden we elkaar voor het laatst ontmoet. Sindsdien is Guido blijven groeien en draagt hij een trapladder met zich mee. Het is een hulpmiddel voor oogcontact als je met hem praat. Vooraleer ik de trapladder op klom omarmden we mekaar en kwam iemand haastig vertellen dat mijn woonst door een onweer was vernield.
Venasca, 14 juni 2008 koffieterras.Ze bladert in ‘de helaasheid der dingen’ terwijl ik notities in mijn dagboek maak en veel zin heb in grapa. ‘Love milk, fruit, chocolate and grapa’.
Mensen komen en gaan, net zoals die Italiaan aan de tafel naast ons, die kuchend aan een door teer verbruinde sigaret lurkt, of die vier motards die met veel tumult aan het benzinestation stopten en nog kinderen bleken te zijn toen ze hun helm uit deden. Is dit leven niet als een snel kolkende rivier, waarin het schuim door obstakels een uitdrukking is van moed? Misschien is het wel een langdurige heildronk op wat ons te wachten staat.
Nog voor mijn thuiskomst heb ik uw heengaan vernomen, beste zielsgenoot. Zinloos om deze brief nog te versturen. Het zou U verheugd hebben te weten dat ik niet bedroefd ben. Ge hebt de moed gehad te leven zoals gij het zelf wilde.
Groet.
kostuum
In de kleerkast hangt een kostuum. Mijn kostuum voor speciale aangelegenheden. Vandaag zal ik het dragen ter uwe nagedachtenis. Ik zal U groeten, proper gekleed en geschoren. Zo hebt ge mij nooit gezien.
Ik was een half uur te vroeg en ging op een nabijgelegen terras ontbijten. Daarna kwam ik net als de burgemeester tien minuten te laat. Uw collega’s hebben U geëerd en uw gedichten voorgelezen.
Na mijn groet heb ik uw vader aangesproken in dat prachtig Sterrebeeks dialect.
De wind probeert nu uw nagedachtenis weg te blazen maar koppig hou ik uw beeltenis recht. ‘Niets is onschuldig onder de mensen’ had ge mij verteld.
Terwijl ze nu uw lichaam verbranden, keuter ik met een lucifer in een jeukend oor.
‘Daar kan je oorkanker van krijgen’ zegt een wijsneus gemeend.
Van deugd ook, denk ik bij mezelf.
Nu de zeebezen rijpen, pluk ik ze als een aap uit de struiken. Ze smaken zuurzoet.
Het struikgewas ritselt of is het de buitentafel die kreunt?
Met het wild de straat oversteken . Misschien rijden ze me wel omver, maar het zal nooit mijn schuld zijn .
"Overstekend wild".... de titel van een van je eerste boeken die ik nooit tot het einde las.
Zaterdag 16 augustus 2008
Ik had in een bos, grenzend aan een kasteel, een boom gerooid. Omdat dit in de illegaliteit gebeurde besloot ik om, wanner het donker werd, de stam in stukken te zagen en met de stootkar naar huis te brengen. Rond middernacht was de klus geklaard en duwde ik langs een bospad mijn kar voor me uit. Ik werd verrast door een groep bedevaarders die dezelfde weg volgden.
's Anderendaags werd ik op het kasteel ontboden. Tot mijn verbazing mocht ik aanschuiven aan een rijkelijk buffet. Er werd me zelfs verzocht om plaats te nemen naast de kasteelvrouw. Ze vroeg me of ik mijn schrijfgerief meegebracht had. Het was de bedoeling dat ik het feest zou beschrijven voor haar overleden minnaar. Ik dronk van mijn inktpot en liep weg.
Het was bijzonder moeilijk om de uitgang te vinden. Een doolhof van lege ruimtes en brede stenen trappen met hier en daar verdwenen treden. Een dame zonder gelaat opende een deur die uitgaf op een marktplein. Ik herkende deze plaats. Er stonden grote luidsprekers waaruit gedichten klonken. Ik vroeg aan een toeschouwer waar de dichter was. Die staat achter het stadhuis. Daar zag ik Herman aan de microfoon. 'Ik wil mijn publiek niet zien'.
Herman was aan een pauze toe. Ik had een fles Cognac meegebracht.
Ook een slok of ben je nog steeds af van de drank?
Daarop graaide Herman de fles uit mijn handen en dronk ze in een teug leeg. Dan zeeg hij neer. Ik riep door de microfoon dat de voorstelling afgelopen was.
Net toen ik me uit de voeten wou maken liep ik de burgemeester tegen het lijf. 'Dit zullen we maandag bespreken' zei hij streng.
Zaterdag 30 augustus 2008
In deze ochtend pikken zeven raven nog gauw vergeten graankorrels uit omgewoelde grond tot de zon plots een schaduw over de aarde schuift, hanen ophouden met kraaien en hondenteven beginnen te janken in het vale lichtrestant.Nu de dagen korten hebben mieren het huis verlaten en kruipen de slakken bij dageraad over de stenen vloer. Elke ochtend zet ik ze zorgvuldig een voor een opnieuw in de tuin. We eten pens met appelmoes. Zoon komt thuis. Hond kucht.
Zal ik een fles ‘Pineau Des Charantes' ontkurken?
Ze vertelt over een vent. Zoon eet nog een pens. Ondertussen proef ik het gif van een dronken bij in mijn glas. Nadien nog de ladder op.
Zou je niet beter het strijkijzer herstellen?
Als het regent. Zie deze tafel zo besmeurd met bloed, wijn en etensresten, nonchalant gepatineerd.
Ze heeft een avondkleed aan en zit vlakbij. De chirurg komt in een luxewagen voorbij. Zijn keffer blaft. Deur op een kier. Niemand heeft haast.
Zaterdag 13 september 2008.
In het dorp waar ik opgegroeid ben zou een trein komen die de mensen ergens heen bracht. Ik verkoos echter om met een mountainbike te gaan. In het begin verliep de tocht moeizaam. De straat leek wel op een gerimpeld tafelkleed dat voortdurend verschoof. In het halfdonker reden tractoren heen en weer.
Toen ik aan een hypodroom arriveerde kwam het daglicht op. Gilbert Aché stond me op te wachten en had tickets mee. Wordt dit een paardenkoers? Nee, ze gaan hier voetbal spelen.
Door het feit dat ik hier niet op een paard kon wedden besloot ik om te gaan fietsen. Om bij mijn mountainbike te geraken moest ik de lift nemen.
Eens beneden begon iemand mijn oud fototoestel uit elkaar te halen.
Wees niet ongerust, ik heb hier verstand van.
Toen hij het terug in elkaar had gezet begon het toestel met een vrouwelijke stem te lachen en riep: ‘Ik ben opnieuw nieuw! Waarom heb jij dit niet eerder gedaan?’.
‘Wat doe jij hier. Waarom zat je niet op de trein?’ vroeg vuurvrouw die op een tabouret naast mij kwam zitten.
Ik ben met de fiets gekomen en neem nu de trein.
We vertrokken tezamen. In het station verloren we elkaar uit het oog. Ik besloot dan maar willekeurig op een trein te stappen en wisselde in elk station tot ik mijn geboortedorp herkende. Ik stapte af en kwam in de struiken terecht. Er waren spoorarbeiders aan het werk die me aanmaanden de berm te verlaten. Ik vroeg aan één van hen of mijn grootmoeder nog leefde waarna ik een met steengruis bedekte helling af liep naar het grootoudershuis.
Op de stoep zei iemand die me nog herkende dat mijn grootmoeder naar de bakker was. In afwachting at ik alle rijpe aardbeien uit de tuin en besefte te laat dat ze hiervoor boos zou zijn omdat ik er geen bruine suiker op deed.
Toen ze niet opdaagde ging ik te voet naar huis. Aan de voordeur zei mijn zoon:’ Vuurvrouw is ongerust geworden en is op zoek naar jou’.
dinsdag 2 december 2008.
Aan de koelkast vraagt hij wie de garnaalkroketten opgegeten heeft. Ik vorige nacht. Hij mompelt een franstalige vloek.
Die teef veroudert sneller dan ik. Ze is halfblind, ik halfdoof. Als we weg gaan botst ze tegen een obstakel. We slenteren aan een leiband…beiden aan een uiteinde. Ik leid de weg, zij houdt mij in evenwicht.
Het is kil rond de graven aan het kerkgebouw. Niemand op straat. De valken vliegen boven het wolkendek. Dichtbij is een plein, een vijver met vissen zonder reigers en een neuspeuteraar.
Nu, in een tijdspanne later ligt ze met uitgestrekte poten en half dichtgeknepen ogen op de stenen vloer. Ik weet dat het daar tocht. Zij voelt het niet. Ze vervaagt in een hondsslaap.
maandag 29 december 2008.
We wachten op het daglicht. Marcos is zo gelukkig en beschonken dat hij mij op het voorhoofd kust.
Er komt iemand met een beladen muilezel uit het gebergte. Het pad is zo smal dat de man achter de muilezel loopt. Bergopwaarts houdt hij de staart vast.
9h: Ik ga inkopen doen voor het ontbijt. Het dorp in de nevel is verlaten. Wanneer ik terug kom zitten ze aan tafel. De melk die ik mee gebracht heb blijkt slagroom te zijn en het spuitwater smaakt naar ezelpis.
14h: Marcos, kijk niet achterom. Achter u zit een beeldschone vrouw.
Aartslelijk. Net alsof ze pas bij de tandarts is geweest, zegt vuurvrouw. Ze eet zelfs met haar vingers.
Nu draait Marcos zich discreet om, steekt een wijsvinger in zijn mond en begint te schaterlachen.
Ik kan het niet verhelpen, ze blijft gevangen in mijn gluren. Wanneer ze tenslotte opstaat ziet ze er jongensachtig uit.
16h: Kijk, appelsienbomen.
Blijf er af. Dat zijn sierappelsienen!
Nu nog is haar verschijning niet vervaagd. Marcos slaapt in de zetel. Buiten is het stil, of neen, er kraait een haan. Ik had hem vanmorgen ook gehoord. De klok luidt vijf keer.
Ga je mee naar het kasteel? Het is maar een korte stijle klim. Aan de schietgaten blijven we staan en voel ik de krijgers stormlopen onder pijlenregens en pek. Beneden is een begraafplaats met plastieken bloemen zonder herfstbladeren. Ze hebben hun doden in gemetste schachten opgebaard bij gebrek aan aarde. De dorpsbewoners komen eraan.
Net voor het donker is zijn we thuis. We hebben sprokkelhout gevonden en een brood gekocht. De dames denken dat ze zweetgeur verspreiden. Ze doen een andere blouse aan.
20h30: Er roept een uil vanuit het gebergte. De houtkachel verwarmt het huis.
Ik zit buiten onder een spaarlamp te schrijven. Zij legt haar hand op mijn schouder. De hemel is mooi. De poezen zwerven rond. Vanop het hoogst gelegen terras kijken we naar de valleien. Het is donker, maar de bijna volle maan werpt al schaduwen op de grond. Woensdag zal ze volwassen zijn. Nu zou ik een vallende ster willen zien.
Dan kruipt vliegensvlug een dier ter grootte van een rat over de koer. Door het maanschijnsel hebben we het gezien. Terwijl we in dit gebergte ons geluk degusteren beginnen honden te huilen en roept ze: helaba.
Dan zegt ze: ik vind dat gehuil zo triest.
woensdag 31 december 2008.
Er kropen schorpioenen rond en een slang had zich rond mijn pols gekronkeld. Ik hoorde mijn petekind schreeuwen.
Ik heb slecht geslapen.
Scheer U, barbaar! Hij heeft zich ook geschoren.
Het scheermes schraapt.
De nacht is voorbij. Dit wordt weer complete anarchie. Druipnat wordt de tafel gedekt met eieren en confituur.
We schenken onszelf een druppel uit. Buiten ruikt het naar houtvuur, en binnen naar het kieken dat in de oven staat. Frieten maken we morgen klaar.
Oh, breng je mij een asbak?
Hebben we nog een vierde fles whisky?
Ja, ik denk het wel.
Dan drink ik de derde fles verder leeg. Het is feest, schrijft de schaduw van mijn pen.
Schrijft men b... met een korte of een lange ij?
Met een lange ij, antwoordt hij.
Hij staart in het landschap. Op die manier heb ik hem nooit gezien.
Ik denk: hij kijkt naar het onzichtbare. Hij breekt iets in zichzelf. Ik zal het hem niet vragen. Misschien zal hij het ooit vertellen.
‘s Avonds is de mist opnieuw in het dorp…zijn de wolken binnen gedrongen, klam maar niet koud. Het knalt in het gebergte.
Ik roep: de honden huilen niet.
Ze lacht de laatste nacht van dit jaar.
donderdag 29 januari 2009
Wat u niet ziet is hoe mijn rechterhand deze woorden schrijft. Wat u niet weet gaat over een oude vriend. Hij zit gevangen in iets dat hij niet begrijpt. Hij schaterlacht en soms is hij lastig. Hij is op een andere manier zichzelf. Ik was bang om hem te ontmoeten. Toen we in zijn kamer kwamen was hij er niet. Het was halfvier en volgens de verpleegster zou hij na de therapie, die tot vijftien uur duurde, al terug moeten zijn.
Eerst ijsbeerden we benieuwd, dan in de gang tot we besloten naar hem op zoek te gaan. Hij herkende me niet meteen toen hij in een rolstoel uit de lift kwam gereden.
Kunt ge opstaan en u voort bewegen?
Hij greep mijn hand en we deden tien passen. Dan liet ik hem los en zag hoe hulpeloos hij was.
Ik luisterde naar de onzin die hij vertelde bij de champagne.
Eet u geen indigestie met die pralines…we trekken streepjes op de muur.
We schaterlachten.
Kom, we gaan op café.
Toen ik hem zijn jas aandeed sloeg hij woorden neer alsof het op een aambeeld was: ’ Ge stinkt naar de tabak’. Voor hem geldt een resterend rookverbod.
Eens buiten kwam een jonge verpleegster aangelopen die zei dat het verboden was om zonder toestemming van de balie met een patiënt het pand te verlaten.
Geef dan toestemming… stoven we verder.
Ik heb veel lieven gehad…glunderde hij.
In het café deed iedereen zijn best om ons met een rolstoel binnen te laten.
Heb je gehoord wat ik zei?
Neen.
In het vervolg nemen we een vliegenmepper mee’.
Kort daarna nam ik afscheid van hem en zei hij: ‘allee, het feest begint pas, maar toch merci’. Ze brengen hem wel terug. Het is voorbij…alsof het nooit anders is geweest.
woensdag 25 februari 2009
Mijn haren en wimpers zijn te lang.
Doe ik gehoorapparaten in?
Neen, dat hoeft niet. Wij praten toch niet met elkaar.
Dan doe ik mijn ogen dicht en voel haar schaar en vingers in mijn haar. Zalig is dat. Af en toe bekijk ik haar in de spiegel. Haar buikje is verdikt en haar tepels drukken door haar blouse. Zou ze zwanger zijn? Ik durf het niet te vragen en sluit opnieuw mijn ogen.
Op de terugweg trekken ze voren in de berm opdat zigeuners er niet zouden kamperen. Een ouderling verdeelt de mest over het land. Noch de vleugelslag van een kraai of het spurten van een vogeldier gaan dit vermijden. Zangzindig ruik ik aan mijn duim.
Hoe-hoe kirt een duif. We zouden haast het beestige vergeten.
donderdag 12 maart 2009
Op een bank eet een bejaarde vrouw een pakje friet. Het hameren van de timmerman weergalmt door de winkelstraat en ook de hoge hakken van chique dames tikken in het gezoem van optrekkende scooters. Zie wat een mooie vrouw. Ik kijk naar haar benen. Het kind naast haar kraait iets onverstaanbaars. Aan het einde van de laan pieken torens met geleerdenbeelden kitsch-kitsch-kitsch. Iemand schreeuwt dat ik voorrang moet verlenen aan het zebrapad. Stom van mij, die onoplettendheid. Waar gaan al die mensen naartoe?
Ik ga zitten en kijk naar de stadsduiven zonder hoogtevrees. Als ze tippelen sjokken ze met hun kop. Mijn bank is nat. Niemand komt erop.
Aan een bruin café zet een twintiger terrastafels buiten. Wanneer ze zich bukt zie ik de welvingen van haar rug naar haar dijen gaan. Binnen speelt een man scrabbel aan de toog. Hij drinkt thee. Het is bewolkt vandaag. Op de terugweg beukt de wind in mijn ogen. Het lijkt of de zon gaat schijnen, maar nee, het motregent nu. Toch zwermen muggen in een zwak tegenlicht. Hoe houden ze hun vleugels droog?
Als ik thuis kom kus ik haar in de hals. De piloten vliegen als jonge vaders beurtelings over het huis en het muizenlijkje op de keermuur ligt te vergaan. Het is te lang bewaard gebleven in de vrieskou van de winter. Als in de lente haar geraamte overblijft leg ik het in mijn glazen kast.
Vanavond doe ik niets meer dan dansen aan de waterton, kijken naar mezelf in een waterspiegel en een nieuw woord bakelierend verzinnen. Vanavond maak ik er een rotzooi van, schrijf ik een zinloze vierde zin in een vijfde refrein. De zesde gaat op in rook. In de zevende verliezen we onszelf. Met de achtste zet zij ver van mij een kop thee en met de negende proost ik als een roofdier bij de frigodeur. Ja ik doe mee zegt een derde. Bij een duizendste doen we onze ogen dicht in een eindeloze slaap.
Met brandende ogen van duivelinnenvuur dichtte de dichter, gifslangen in het kielzog werend, een laatste keer: ’t kan geen kwaad, de wereld staat niet in brand. Vogels, met roet bedekt, zwegen voor het gedrocht dat zich over de horizon boog met zwavel en chagrijn.
zondag 22 maart 2009
Ik was op zoek naar je in een andere wereld. Telkens als je verscheen glipte je weer weg. Er wonen maar weinig mensen daar. De man met het paard, de stier, en er is een kamelendorp. Ze kennen mekaar al heel lang. Als vreemdeling moet je op je hoede zijn. Het paard beschermt je tegen de aanstormende stier.
Ze gaan in de file om een broodje staan. Zal ik naar de bakker gaan en voor een ontbijt zorgen? Eerst wakker worden.
In het dorp wordt weeral iemand begraven. Het is tien uur. De hond blaft. Ze heeft opnieuw een knobbel op haar kop. Vorige keer had ik eraan zitten prutsen. Dacht aan een teek maar het was een gezwel. Gelukkig heeft ze het overleefd.
Wachttijd bij de bakker. Bij de beenhouwer staan ze zelfs op het voetpad. De hond zal het vandaag dan maar met droogvoeding moeten doen. Wanneer ik het leeggoed weg doe zie ik mijn zoon op straat skaten als een kind van drie-entwintig.
Je kan het niet zien , maar ik heb twee inktpotten op tafel staan. Afwisselend schrijf ik met blauw en zwart, trek potloodlijnen waartussen de woorden moeten komen. Het is de schaduw van mijn pen die schrijft. Telkens als ik ze in de inktpot sop zie ik de groeven in mijn hand en gezwollen aders door de inspanning om schoon schrift. Wanneer de inkt opgedroogd is gom ik de lijnen weg.
Oei, de parasol doet de tafel bewegen. De zinnen wiebelen. Ze heeft taartjes meegebracht.
Eten we dat buiten op?
Ja, doe dat schrijfgerief weg. We maken er een koffietafel van.
De hond zet haar staart omhoog, laat een wind en begint te bedelen.
vrijdag 27 maart 2009
Welkom in de leegte, laat ons iets eenvoudig doen. Kluitenland schuift onder mijn tweewieler voorbij. Het zadel is krom.
De deuren van een warenhuis gaan open. Mensen staan in de rij / als / ik wil de eerste zijn. Aan het voetbalstadion moet de inwendige orde nageleefd worden. Ik plas tegen een boom. Misschien wordt dit een goed kortverhaal. Mijn tenen krijgen kou. Ik ga nu verder en schrijf de toekomst later op.
Op het speelplein roepen kinderen en aan een vitrine is een aankondiging geplakt. Iemand wil een pachthof tot woning en kantoor verbouwen. Neem een andere weg, een onbekende weg. Een weg van twijgen en knoppen kijken, verdwalen in een holleweg met onbewoonde konijnenholen waarin mijn zwaarden begraven zijn.
Nu gaat het bergop. Zet een zonnebril op tegen de wind, om grijsheid te verbergen. Een boer pompt koeiendrek in een beek net voor het bos. Lang geleden dat ik hier nog geweest ben. Toen waren mijn oren nog niet zo slecht. Ik ga op zoek naar de plaats waar ik met haar gespijbeld heb van school. Ze was amper zestien. We hadden een stokbrood, kaas en limonade mee. Verscholen onder een den hebben we mekaar de hele dag gekust. Ik had nog nooit borstjes gezien. De regen voelden we niet eens.
Het dennenhars en haar geur zijn in mijn geheugen gebleven. Ik ken de weg.
Eerst die varens door langs een onzichtbaar pad. Dan de open plaats waar het dennenbos begint. In het midden staat nog die grote den. Ook de jongen en het meisje liggen eronder nog te kussen.
Ik ga zitten, spijbel deze keer alleen en neurie ‘meera’ voor me uit.
Verdorie toch, ik wil opnieuw beginnen en maak er nog vijftienduizend dagen van.
Een heel eind verder, op een onverharde weg, komt een vrouw veel jonger dan ik met een hond voorbij. Haar haren zijn pikzwart. Ze moet zo rond de dertig zijn. Ik kijk haar aan. Ze bekijkt me wantrouwig. Ze versnelt haar pas en roept ‘kikkie’ tegen de hond.
Ik blijf staan, met een potlood en nog wat ongeschrevenheid, zie dovenetels en herinner me plots die ochtend...ook al belemmerden hoge vieze gevels het zicht, de witte bloementuil in het onafgemaaide gras.
Het is vijf voor acht, tijd om verder te gaan, iets te doen voor zonsondergang.De bamboe beweegt. Waar slapen de muggen als het donker wordt, hoelang blijft het leven in een pas afgezaagde tak? Zullen we het aan onze kinderen vragen misschien.
De dag verdwijnt langzamer dan hij begonnen is. Gisteren zag ik in het vuur hoe vlammen een houten rots omarmden tot hij gloeiend brak, verzwolgen werd en verdween in as.
De stilte maakt lawaai. Ik hoor het bloed door mijn aders stromen; lichaam leeft.
Recht voor mij zit een vrouw met halflang grijs haar die niet fotograferen wou. Klein en wild doet ze haar verhaal. Ik luister ernaar. Van een maansteen scharrel ik een gedicht en lees het voor. Ik ben niet verbaasd wanneer ze schaterlacht: hij is weer aan het huilen. Waarom noemt ze mijn voornaam niet?
Nonkel Rik
Het enige instrument dat nonkel Rik fatsoenlijk kan bespelen is de mondharmonica. Hij had die als kind voor zijn verjaardag gekregen en was er meteen gek op. Hij leerde het helemaal alleen en had hem altijd op zak.
In zijn pubertijd begon hij de meisjes ermee te imponeren, zo dacht hij toch. Hij was immers zeer verlegen en wanneer ze in zijn buurt waren ging hij zogezegd onachtzaam ver genoeg verwijderd zijn deuntje spelen in de hoop hun aandacht te trekken tot iemand zei: "Kijk, de Flurk is weer bezig".
Toch kon hij het zich niet laten om, naarmate de jaren verstreken, een bluesharp te kopen. Ook die had hij in vier toonaarden op zak.
Telkens als hij naar een freepodium ging stond hij achteraan in de zaal verborgen achter een pilaar schielijk mee te spelen. Zonder dat hij het wist morrelde hij aan de grenzen van het gangbare, deed hij het niet meer in een poging om iemand een plezier te doen, maar alleen nog voor zichzelf.
Zo is het altijd verder gegaan met nonkel Rik. Hij durfde niet maar kon het zich niet laten.
Hij is nog niks veranderd. Hij doet het nog altijd, ook al wordt hij stilaan doof en haalt hij niet meer de hoogste tonen met die tandprothese.
Binnenhuis spelen gaat niet omdat de hond dan begint te huilen en buiten gaan de buren meeluisteren.
Hij heeft dan maar in een oud pand een kamer gehuurd met een tafel en een stoel. Aan de wand hangt een kruisbeeld zonder Christusmens. Ongelovig als een vos spreekt hij nog altijd met zijn eigen God.
Van de leeggezopen kratten maakt hij poppen tot leven, danst met hen en speelt zonder vingers de tango voor geliefden.
Dan gaat de flessenvrouw weg en bedenkt hij een nieuw refrein: rikketikketik / ik ben Rik / in deze kamer is het chique / gaat straks / alles in de fik.
Vanaf 17 april 2009 tot…
Elke ochtend op hetzelfde uur opent hij in Calçade de St. André zijn versleten vensterraam, lokt hij zeven duiven met een bord rijst. Het is zijn dagelijks ochtendritueel. De zon schijnt over Lissabon en de zwaluwen vliegen hoog. De douanier op de luchthaven had haar handen bevuild aan mijn inktpot toen ze in mijn handbagage graaide en net voor de landing hing het vliegtuig te scheef. Meteen dronken we uitbundig een aperitief. We mogen hier roken als Turken. Laten we iets gaan eten. Heeft iemand honger?
We volgen de tramsporen stijl bergop. Het is zaterdag achttien april tweeduizend en negen. Wie gaat als eerste naar het toilet?
Vollemaan en vuurvrouw gaan voorop. Marcos en ik volgen…dromen. Wij letten niet op de weg.
Ik kijk naar de kleurrijke gevels en de was die hangt te drogen. Ben de fotograaf, soms ijsberend in winkelstegen. Ze fladderen als vlinders in en uit. Meisjes worden ze dan.
Katvis en fado bij gedempt licht. Ze zingt haar ogen dicht. De gitarist is bejaard.
’s Anderendaags is het schandalig vroeg. Ik ben langs de trap naar buiten de mist ingeslopen. De bakker is nog dicht. De bar ernaast is open. Ik drink twee push-cafés en ga dan bergaf naar het centrum van de stad. Daar blijkt de wereld overal hetzelfde te zijn. Mensen gaan naar hun werk, een paar gezondheidsfreaks die joggen, een vrouw met een kinderkoets, een slenterende nietsnut en ik op een bank als toeschouwer, toerist van het ogenblik.
Zouden ze nog slapen? Ik had een briefje op de tafel achtergelaten. “Ben broodjes gaan halen”. Straks sleuren ze me onmisbaar mee. Het is tijd om terug te gaan.
Bergop koop ik brood en vier bananen. De bananen zijn voor Marcos.
Als ik terug ben wordt de tafel gedekt.
Hoe laat is het?
Weet ik niet.
Ze trekken hun zomerkleren aan. Ik zoek naar schaduw.
Kijk eens hoe mooi die oorbellen zijn.
’s Zondags is het hier druk. We moeten zien dat we Marcos niet verliezen tussen het volk. Laten we onze dorst lessen waar Colombus vertrokken is. Daarna eten we een patéke in La Confeitaria de Bélem.
Later aan een magnifiek klooster ontdoe ik in de wachtrij vier nonnen van hun kazuifel en trek hen gewone kleren aan.
Orphelus en Ohren
Die bruine streep in mijn aikidobroek is een kruising van wind en zweet, zegt hij. Dan neemt hij zijn stok en gaat hij weg zoals ik dat deed. Net zoals vlinders fladderen, motten klapperen, sjokt de mus. In de buik van mijn moeder heb ik voeten gekregen voor de begane grond.
Ma, waarom heb je mij geen vleugels geschonken?
Die afgeknaagde bomen, dansend gras, de wind in men oren...het lijkt allemaal zo onecht te zijn. Als een steen duik ik naar beneden. Net voor ik te pletter sla, blaast een storm mij boven wolken in het ijle. Orphelus en Ohren, nog onbekende goden, kijken me aan in het blauwe licht. Ze staan aan de afgrond van het bodemloze.
Hier maak je een allerlaatste keuze, zeggen ze streng.
Ik durf niet...ben bang voor het eindeloze.
Het wordt een moeilijke dag om met zwaartekracht te leven. Het enige wat ik vandaag foutloos doe is een bedelaar een geldstuk schenken. Hij kijkt me aan en zegt merci. De Dijle is buiten haar oevers getreden. Haar water is nu bruin. Toch blijven de betonmolens draaien.
Ik stamp een handpalm peperkorrels fijn voor in de groentesoep.
Waarom schrijf je niet over gisterenavond?
Omdat gisterenavond zo goed was en ik geen zin heb om dat nu te beschrijven. Ik heb gedroomd over jou. Je had me een grasveld en een paard met een ziek veulen verkocht voor een appel en een ei. De bloemen in het grasveld bleven van jou. Toen het veulen beter werd en de bloemen op at, kwam je naar me toe en zei je dat je het spijtig van die bloemen vond.
Heb je gegeten vandaag?
Ja, 's middags gerookte vis met brood. Daarna nog een laatste werfbezoek. Het bleef droog. Ik hoefde geen jas.
Zij eet pasta met tomatensaus. Ik wil er patat en vlees bij met rauwe look. De gloeilamp boven de eettafel is stuk. Eten in het halfdonker...begin ik te zeuren over energiebesparing en politiek.
Hou op, ik heb geen zin om hierover verder te praten.
Ze heeft gelijk. Het is lente. We hebben vogeljongen. We hadden het gemerkt nog voor de regentijd dat iemand bezig was een nest te maken. Daarna werd het stil in een onzichtbaar broedmoment. We waren vergeten dat ze daar zat om nieuw leven. Uit het nest klampen nu jongen zich vast aan de klimop, proberen ze hoger te komen. De moeder vliegt heen en weer, voedert van bek in bek. Van dichtbij, zien we hoe leven onbevreesd werelden verkent. Hoe kan iemand dan nog spreken over de banaliteit van het leven? Laten we met liefde straks slapen gaan. Eerst de prik van een pepervinger in mijn neus met koud water blussen.
Zonheet 2009
De klokken luiden een ritueel.
Waar is de zonnecrème?
In de zon is het snikheet. Doornen snoeien. Het bloed loopt langs de rimpels van mijn hand.
Je gaat nog afzien in Cuba. Kom mee aan tafel.
Er zit een indrukwekkend insect op het blad. Ze heeft voelsprieten en twee maal drie hoge pootjes. Wat eet ze, hoe drinkt ze, voelt ze genot als ze nieuw leven in zich draagt?
Mijn wereld staat stil, de aarde beweegt. Zal ik een klaproos voor je bewaren in mijn verhaal?
Ja.
Vergeef mij voor wat ik ben dat ik niet zou mogen zijn, om mijn scheefhangende kaders aan de muren, het ongemaaide gras en de giftige bessen waarvan ik eet, mijn eigenzinnigheid als ik zit te turen in afwezigheid.
Het is je vergeven. Er is geen reden voor.
Het begint te waaien terwijl het licht in de hemel blijft. Ik heb de asbak en een glas wijn over het papier gezet en de stop op de inktpot gedraaid. Niets vliegt weg van deze tafel.
De berk buigt. Het riet vingert om zich heen. Alles beweegt. s’ Avonds maken we met sprokkelhout en druivelaarstronken een vreugdevuur . De vrienden zijn op tijd, de kinderen vanzelfsprekend te laat.
Je mag dat niet smeren. Je moet dat met plakken erop gooien.
Hij zoekt naar het evenwicht tussen het broodje en het beleg.
Mag ik effe op je gitaar spelen?
Doe maar. Ze is niet gestemd.
De poes hangt aan mijn arm.
Hij heeft geen klauwtjes. Ik zie het. Schrijf jij maar het verhaal dat ik nu vertel. Aiko noemt hij.
Ben in een nieuw schrift begonnen. Wat vind je ervan?
Chaotisch.
Ja, we zijn allemaal chaoten.
Vuurvrouw glimlacht en gooit dennenappels op het vuur. Raar. Het is bijna elf uur en buiten roept een kraai. De hond drinkt uit de waterton. En ik huil omdat ik er zin in heb.
Dinsdag 23 juni 2009
Bij het opkomen van de zon, wanneer vreemde vogels ontwaken, heb ik mij aan de tafel der heidenen gezet. Hoor, hij zingt maar één keer ’s ochtends in het warme licht van de hoogste boomtoppen, een refrein.
Kom erbij aan deze ronde tafel. Ik zal je ogen strelen op het ritme van licht en schaduw, en nooit vergeten wie je was.
's Avonds laat vraagt een dronken vrouw met een leugen een muntstuk om eten voor de volgende dag. Ik zeg: ik geloof je niet en geef haar gul een aalmoes voor de volgende fles verderf.
Jij zit een boek te lezen in een vreemde kamer en wenkt: ‘kom, kom bij mij’.
Soms, heel uitzonderlijk dan, bij voorkeur om halfvijf ‘s ochtends, jaag je mij de stuipen op het lijf met een enkele blik, een lichaamstaal zonder een woord te zeggen. Was het de printer of mijn ochtendhoest die je tot boven hoorde en je te vroeg wakker maakten?
Zwijgend slenteren we mekaar voorbij. Jij in ondergoed naar de keuken waar je voor jezelf een kop koffie zet, ik naar buiten.
En dan daarna aan de wenteltrap zeg je met die ontwapenende blik van jou: "Sorry, het was een verkeerde ochtend".
krullenkoren naast een overweg
vloekt als er een trein passeert
de woonwagen aan de overkant
met waterkieren
wordt onbewoonbaar verklaardschrobbe-schure-trim
eerst het dak
dan een paard
en een nieuw verkeersreglement
Echte zatlappen vind je op café waar het bier nog betaalbaar geschonken wordt. Rookruimte en een biljarttafel middenin. Kettingrokende senioren met naar achter gekamde kalende grijze haren. De gitannes van de jaren zeventig. Pure rock-’n-roll. Er klinkt geen muziek. De tafels zijn volzet. Toch wordt op de banken nog opgeschoven als er iemand binnen komt. Waar geen plaats is wordt plaats gemaakt.
De patron, klein van gestalte met een scheve rug, serveert. Zijn vrouw tapt het bier. Een ding is zeker: er wordt professioneel geschonken.
Iedereen kent hier iedereen. Gepensioneerde loodgieters, schrijnwerkers, magazijniers en huismoeders zonder pensioen. Geen dronkaards aan de toog, ook al vloeit het bier hier overvloedig. Die komen pas later na hun roes.
Op de houten muurbank zit een dame bijna op mijn schoot. Ik schuif een asbak dichterbij wanneer ze een sigaret opsteekt.
Twee dagen later…
Dag oor.
Wat zeg je?
Dat het een gezellige avond wordt.
Ik doe dat ook graag.
Hoezo, wat?
Koken.
Dag oor.
Soms ontstaat dan de indruk van een close gesprek.
Er zijn vier pittabroodjes blijven haperen in de broodrooster. Zwart, steenhard verbrande lucht. Keukendeur blijft dicht.
Wat doe jij van beroep, vraag ik aan iemand die dicht bij mij zit.
Ik ben preventieadviseur. Herken je me niet?
Ja, van op een trouwfeest. We hebben toen nog lang gefilosofeerd over de zin van het leven terwijl we de vaat deden.
En wat doe jij van beroep?
Ik ben toezichter.
Wat is dat?
Toezicht houden op kubussen. Een kubiekemeter is een vlak van één meter op één maal de dikte van één meter, en een vierkante meter is een kubus van één kubieke meter gedeeld door zijn dikte van één meter. Rekenkundig deel je het volume door de dikte waarmee het berekend werd. Zo simpel is dat. En als je het volume van een kromme vinger wil weten, dan dompel je die in een beker gevuld met één liter water en meet je het water dat uit de beker loopt.
Ze lacht alsof ik een grap vertel. Daarna scharrelt ze een nieuw pakje sigaretten uit haar handtas. Ik geef haar vuur.
Hoe lang kennen jullie elkaar?
Ik heb haar leren kennen toen ze vijftien was.
Hoe doen jullie dat?
Toeval.
Gewoon wachten op het toeval?
Niet op wachten, het gebeurt vanzelf. Met een beetje geluk valt het mee.
Ze zei: eens als je kinderen hebt moet je verantwoordelijkheid nemen tot het einde.
Het einde is mijn fiets.
Zwangerige maan, vannacht gaan de sterren in de hemel.
Ik had het je nog zo gezegd:dat wil ik niet.
Laten we wat troost gooien op een pad,rusten verwegverwegverweg,nog zogezegdzogezegdzogezegd.
Ze hoeven niet bang te zijn voor elkaar. Het is maar een gevaarlijke woordenwereld. Eeuwige vriendschap wordt hier niet gezworen, tenzij op de maan.
Als het past schenken we nog een regel. Onvermijdelijk gaan de schrijver//schrijfster ooit zwijgen. Leggen ze hun dromen naast elkaar. Kopen ze een knuffel voor.Je beweert te wandelen tussen twee pilaren van leven en dood. Ontroostbaar//afkeer naar verkorte dagen. 't Is de herfst die kaalt, wat voorbij is in bevroren rottende dagen.
Zelfs al zouden die je nog een kind willen schenken, ga je nog in een winterslaap.
En ik...loop als nazaat van de zomer mijn verbeelding voorbij, fluister haar schoonheid van verderfelijke dagen in.
Mij kan het niks schelen, de donkerte van een nieuw seizoen.
Raven lopen niet.
Elke ochtend beitel ik in een wereld voortdurend in de schemer een gedicht van steen. Het is voor een onbekende die het altijd leest. Eens onderweg hoor ik er niet meer bij.
Het hemelwater stroomt door het dak. Ik verpulver het gebinte tussen mijn vingers. Nu ook draagmuren kantelen in de storm, verlaat ik dit pand.
Beneden zitten twee knechten en een vogelverkoper met kanaries. Een ervan kan niet zingen maar heeft bonte veren. Ik laat de kanaries vliegen.
Het laken is nat. Ik ben nat. Naakt ga ik voor de spiegel staan en schrik van mezelf.
Door mijn gesnurk heeft ze slecht geslapen.Maandag moeten we niet gaan werken, dan is het wapenstilstand.
Nee, Allerheiligen!
Er ligt een zakdoek, tabak en een aansteker op de buitentafel. Zal ik mijn grootvader toch maar op de heidenenplaats gaan begroeten? Vanavond eten we konijn.
Het begint hard te waaien. Alles zwiert en tiert. De tafel kraakt erotisch. Spijtig dat de bliksem niet komt.
s’ Avonds lijkt het zo oneindig stil daarboven. Een vallende ster. Het gaat te snel om nog een wens te doen. Ik blijf wel achter, diegene die het licht uitdoet.
Zaterdag 28 november 2009
Gisterennacht toen ik buiten was hoorde ik zijn moeder schreeuwen aan de haag. Vrouwen weten alles maar deze vrouw wist niks meer en wou zo snel mogelijk dood. Dat raakte me zo dat ik niet naar haar toe kon gaan. Het stormde. Misschien was dat beter zo.
Sombere dag. Echt klaar wordt het niet. Alsof het licht sterft voor het geboren wordt, zei een medemens. Ik pers limoensap en doe er rietsuiker bij.
Doodsklokken op het middaguur. Dan ben ik geschoren, zijn mijn tanden gepoetst en doe ik mijn grijs kostuum aan met zwarte sokken om mee in de stoet te gaan. Gek dat er gisteren ook iemand geboren werd. De witte overblijvende roos klampt zich nog hardnekkiger vast in deze kille dagen. Indien woorden troosten en we de pijn onder elkaar verdelen zal het beter gaan.
Het is tijd om ernaar toe te gaan. Eerst een glas wijn.
‘Papa, ga eerst naar het toilet’ zegt mijn zoon.Er is geen plaats meer in de kerk. We blijven buiten staan. De pastoor heeft er luidsprekers neergezet. Grafdelvers in fluor kleren hebben al een put gegraven. Ik krijg het koud. Wat doet een ander nu?. Tranen hun ogen? Eten ze straks een hamburger of konijn? Hoe zit het in de steden, metro’s en stations? Het is al zo lang geleden. Deze dag is om te zwerven, naar hoeren kijken...geschoren. Waarom zou ik schuilen als ik van regen en bliksem hou. Wordt die jas van koeleder dubbel zo zwaar. Als ik niet meer terugkom, weet dan dat ik maar verdwaalde uit nieuwsgierigheid.
Ze slaapt of doet alsof om me gerust te stellen.
En dan tokketok op de deur. De man doet zijn werk. We
kijken toe hoe het leven wil overleven.
Het is nu tijd voor een slok elexier met zilverkorrels.
Ondertussen zal de wesp niet prikken, hebben de vogels geen honger meer en tolt de aarde een nieuw seizoen voorbij.
8 februari 2004 ciberbrief
Dag Kamiel. Uw e-mailadres is letterlijk in het bierkaartje verwaterd door een regenbui net voor ik vanmorgen thuis kwam. Ik doe een gok om het correct te spellen al zal dit bericht u wellicht nooit bereiken. In dat geval zal het als een spreuk in een wijnfles op de internetzee blijven dobberen en zal ik de enige zijn die het kan weten. Toch probeer ik enkele mooie zinnen te lispelen, geen wereldfilosofie of verzonnen waarheden maar iets over halfweg tussen Leuven en Duisburg. Halverwege omdat net op dat moment de volle maan in mijn gezichtsveld door de wolken breekt en de hemel in het oosten begint op te klaren tussen nacht en ochtend. Ik denk aan het toeval, niet om wat hier gebeurt maar om uitgerekend op dit moment door dit veld te fietsen. Ik denk aan hier en nu, een fragment uit de toekomst dat al sluimerde toen we nog op de schoolbanken naar spannende avonturen van Jan Zonder Vrees luisterden. Was het niet die meester Volders die zo'n boeiende verteller was?
Sta me toe Kamiel dat ik over een verleden spreek, over onaangeroerd gebleven herinneringen bewaard in meer dan een half mensenleven vol frapatsen, contentement en wat verdriet, door onze toevallige ontmoeting opgegraven uit ongeploegde grond.Wel Eddie, mij heeft dat ook deugd gedaan. En hoe vreemd toch om in jou een onverwachte zielsverwant te vinden, ik bedoel iemand die met een beetje afstand naar de wereld kan kijken, die er de rare schoonheid van inziet en die niet alleen voor zijn ego staat. Soms denk ik dat spiritualiteit met de godsdienst verdwenen is en dat alleen het gewin nog lijkt te tellen in deze door en door gecommercialiseerde wereld. En dan ontmoet ik – ja, het Toeval zij geprezen – nog een mens die van poëzie houdt.
Eigenaardig ook dat we elkaar zo vluchtig gekend hebben in onze kinderjaren. Ik ben blij dat het je voor de wind gaat en dat je een draai aan je leven hebt weten te geven die je gelukkig maakt, dat straalt van je af. Ik ben een kamergeleerde met diepe wallen onder mijn ogen en jij bent zo’n blozend gezonde kerel dat ik er bijna jaloers op werd.
Ja, ook ik wou boswachter worden, maar omdat ik dienst weigerde en dus met geen wapens mocht omgaan moest ik die droom uit mijn hoofd zetten.
Weet je nog dat Luc Pauwels spinnen verzamelde?
Dat Mieke, de veel te vroeg gestorven zus van Luc Simons, in een popgroepje zong?
Herinner je nog dat ons klasje in hoongelach losbarstte toen Xavier Rijs meende dat hij een boerenkar had zien voorttrekken door twee varkens? Terwijl ‘wij van het dorp’ natuurlijk wisten dat het om twee ossen ging die door de straten sjokten.
En Vital, die zich eens voorstelde als Winnendael van Vital. De snottebel die niet zelden aan zijn neus hing te bengelen.
Zie, nu ben ik het die over het verleden gaat leuteren. Ik heb daar geen heimwee naar, maar af en toe is het prettig om in verbijstering achterom te kijken. (Vroeger, toen mijn moeder nog kind was en Sterrebeek nog helemaal een boerendorp, kende ze een liedje waarin op alfabetische wijze praktisch alle inwoners van het dorp voorkwamen, te beginnen met Aché.)
Ja, het schort de mensen aan solidariteit. Er moet maar eens een ramp komen, denk ik soms, dan leren ze weer samenwerken. Maar die ramp is er al: het is de haat die door het Blok wordt gevoed en die veel mensen doet vergeten dat we hier nog altijd in één van de rijkste streken van de wereld leven. Er is hier nog armoede, dat weet ik, en ook daar moet wat aan gedaan worden. Maar goed, nu begin ik te zeuren.
Het ga je goed, Eddie, met jou en de jouwen. En als je nog herinneringen op cyberpapier wilt gooien, doe maar. Ik kan daar tegen.
Alle hartelijks.
feest
Geachte mevrouw,
Geachte heer,U nam onlangs deel aan de jacht naar het ultieme provinciegedicht. De buit telde 252 gedichten van 137 deelnemers. Uit deze vangst werden 14 gedichten van 10 schrijvers gekozen.
Jammer genoeg werd uw gedicht niet geselecteerd.
Oe/ha/nomo kita/adjhoula, adjhoula.
Het is feest. Een mix van nieuwe en oude vrienden. Ook onbekenden. Geen sms-duimen of iPodvingers hier, behalve Gilbert. Die heeft van de porno op zijn harde schijf een laptopnek en een muispols overgehouden. Zijn vrouw weet er niets van.
Françoise heb ik twintig jaar niet meer gezien. Herman heeft een aluminium plaat van het Atomium gekocht. Voor hem heeft het een sentimentele waarde.
Ik begrijp u, zeg ik. Toen ik klein was ging ik te voet van Sterrebeek naar Nossegem. Halfweg was een heuvel vanwaar je, als het schitterend weer was, het Atomium kon zien.
Hebt gij het echt niet koud in dat T-shirt hier buiten in de frissigheid?
Neen, eigenlijk niet.
Er komt iemand buiten die zegt: gij, gij zijt nen toffe gast. Het is Wodec, de Pool. Hij vertelt met veel gebaren dat zijn land helemaal plat gebombardeerd werd. Geen enkel monument was overeind gebleven. Hij zegt dat hun geschiedenis tastbaar blijft in verduurde holtes van kogelgaten in de bouwsels die overbleven. Hij toont een muntstuk, vandaag gevonden bij de graafwerken. Het is Belgisch.
Ik heb mijn gehoorapparaten niet in, mijn bril vergeten en heb geen gebit in mijn mond omdat het er voortdurend uitvalt. Liplezend hier en daar meeluisteren. Zoveel mensen tezamen in een keer. Ik loop ertussen en blijf soms staan.
Toefietof/shofalamie. Deze woorden zijn van mij.
Wie wil een toetje met paté? Ik heb hem zelf gemaakt. Proef ervan, er is genoeg.De dag erna wasemt de ochtend in mijn gezicht. De consumptie ligt nog te rotten in mijn maag.
Scheldekaai
Antwerpen, scheldekaai nummer twaalf. De zon staat nog laag wanneer ik wakker wordt van het ochtendgeraas. Het is het geluid van een stad. Mijn spieren zijn klam. Hoe ben ik vannacht op deze bank zo dicht bij het water verzeild geraakt, vraag ik me af. Er is nog overschot in de fles. Nog tachtigduizendmeter te gaan.
Stinkend als een dier sta ik recht in het zonlicht dat mijn ogen verblindt. De omgeving draaft in alledagelijksheid. Met een landkaart in mijn hoofd kijk ik opnieuw in de zon. In het oosten kan ik in de woestijn terecht en in het noorden bij de eskimoos. In het zuiden ben ik thuis.
Are joe smoking?
Wablieft?
Rook je?
Neen, lieg ik.
Niet meer dus? Ze moet het gezien hebben aan mijn nicotinevinger.
Wanneer ik aanstalten maak om verder te gaan komt ze dichterbij.
Heb je een sigaret voor mij?
Neen.
Ze loopt op blote voeten. Ik zie een glimp van schoonheid in haar getekend gelaat. Ik vertrek, zij blijft.
Ik had haar mijn sokken en sandalen kunnen geven en wat tabak voor een halve dag, maar ik deed het niet.
Spijt komt achteraf.
lentefoezel
‘Alleen met een verjaardag mag je iets voorlezen en maak het dan niet te bont’. Mijn vrienden voor het leven moeten van kamelen niet weten. Bij hen kan ik mijn gedachten erbij houden, de redenering volgen.
Net voor ik wilde aanbellen stond ze in de hal. Hoe ze wist dat ik aan de voordeur stond blijft een raadsel tenzij ze toevallig net de trap afkwam. De tafel staat gedekt in de tuin. Daktuin in een stad. Een oase voor gevleugelden.
‘Zie dat je de champagne die ik meegebracht heb nu niet ontkurkt want die heeft achttien kilometer in mijn fietszak gestoken’.
Ondertussen heb ik mijn hemd, schoenen en kousen uitgedaan. De anderen komen een half uur later. We zijn met zeven.
Hmmm...mooi...heerlijk. Wat voel ik me gelukkig, en de zon, en die tafel...moet je zien!
Je haar is zo grijs?
‘Dat komt omdat zijn kop verbrand is door de zon’. Schuin voor mij zit hij te grijnzen. Net zoals ik heeft hij zich geschoren. Twee vrouwen hebben hun haren gekleurd. Met profijtige vingers neem ik een toast.
Ik voel me zo gelukkig, zegt ze opnieuw terwijl ze haar blouse uittrekt. Het is hier zo warm in de zon. We vragen ons af of de zomer nu begonnen is. Het is de schuld van het broeikaseffect.
Niet zeuren. Laten we ervan genieten.
We heffen het glas op...'zijn begrafenis ' schatert hij met een verrimpelde vinger naar mij wijzend. Volgens hem zal ik de eerste van dit gezelschap zijn die zijn toekomst heeft verbruikt. Dood in een wijnglas. Dat wordt dan feest met de beste chocoladetaart en drank in overvloed.
In de straat koersen wielrenners om te winnen. Ze spurten de laatste ronde.
Nummer eenentwintig gaat winnen.
Neen, nummer één.
Eenentwintig klinkt beter. Nummer één maakt geen kans.
Ik heb nummer één gekozen omdat hij zonder zadel fietst. Dat maakt het spannend.
Dan barst hij in lachen uit. Het verwondert de vrouwen niet eens. Ze zijn gewoon dat we in alle ernst met mekaar zwanzen.
Een van hen gaat uit de bol en drukt haar vrouwelijkheid tegen me aan. Niets met honger naar lichaamscontact te maken; ze is gewoon zo als ze aan de foezel zit. Vegetarische Lasagne is haar specialiteit. Ze luistert niet eens als ik iets zeg. Op een keer gromde ze door gemis aan wanordelijkheid in het openbaar haar woede hierover uit. De omstanders waren verbaasd en een van hen zei: 'mevrouw, dit is niet normaal'.
‘Het is fair om zo te zijn en ik kan snotneuzen bekoren met mijn lach’ had ze geantwoord, waarna iedereen zweeg.
Ik gooi een broodkorst weg. Een kraai pikt ze op en vliegt ermee weg in een wijde bocht. Broodkorst op reis.
henna
Het hemd dat ik vanmorgen aangetrokken heb ruikt nog nieuw. Elke dag is nieuw.
Torenspitsen rijzen uit bedolven dorpen. Dan de stad die grenzen inpalmt. De geur van frietkoten, zweet, bier- en tabak. Erdoorheen met ogen die moeilijk het zonlicht verdragen. Het is zo middag. Mijn handen trillen.
Ze vertelt enthousiast over een boek dat ze gelezen heeft en vraagt of ik een sigaret wil draaien. Ik geef haar vuur.
Er is een jonge vrouw schreeuwend vanuit een café op het trottoir gesmakt. Onder invloed van de voorbije nacht slaat ze om zich heen en schreeuwt naar de wereld. Jongens met een hanenkuif proberen haar te bedaren. De omstanders kijken toe en fluisteren zoiets van: “ met onze dochter kan dit niet gebeuren “ .
Dit is geen toneelstuk. Het is echt en speelt zich af in de winterzon tegenover een verbijsterd publiek. Losgeslagen kwellingen.
Ik bedenk: ik ben al ruim de vijftig voorbij en draag nog geen ramp in mij.
Laten we verder gaan vooraleer de kou gaat bijten.
In het geraas bleven zonderlingen zoeken naar het onzichtbare goud in uitgedroogde rivieren. Hun vrouwen keken toe vanuit het heelal, staken 's nachts vreugdevuren aan, werd de liefde in gifbekers geschonken om het verbond te vieren. Bladzijde duizend is zo geschreven.
Waar is de nagelschaar? Ik wil een teennagel knippen.
Heeft hij ze meegenomen? Hij is langs gekomen. Hoor je dat? Er zit een ooievaar op de schouw.
De bewolking neemt toe. Mijn vingers ruiken naar compost.
Vrijdag 2 april 2010
Nog achtentachtig kwartieren.
Het stormt buiten net zoals gisteren. Ik laad de batterijen op van de toestellen om mee te nemen. Zie dat je niets vergeet; potloden, slijper, fijn schuurpapier, kladblok, genoeg tabak en aanstekers. Aan de kinderen heb ik verteld dat, moest ons iets overkomen, onze organen mogen gedoneerd worden behalve de hersenen.
Nog tachtig kwartieren.Bagage is klaar. Daarna eten we de koelkast leeg. Van de overblijvende citroenen en appelsienen maken we een aperitief.
Nog vijf-en-vijftig kwartieren.Opklaringen buiten. Alles staat klaar.
Nog veertig kwartieren.Ik heb naar de laatste zonsondergang gekeken. Nu even googlen naar de weersgesteldheid. Het is dertig graden Celsius ginder.
Nog zesendertig kwartieren.Hoe zal de sterrenhemel ginder zijn? Havana, Vinales, Mogotes, Cayo Levisa, Jaguey Grande, Boca de Guama, Cienfueos, Trinedad...Mogotes.
Ik wacht tot de reservebatterijen opgeladen zijn. Daarna trek ik mijn nachtkleed aan.
Moment nulDe airbus stijgt op. Ik zie de waterdamp uit de motoren joelen. Hier worden duizenden liters kerosine verstookt over de oceaan. Het wolkendek is zo zacht dat je erin wil duiken. Het wordt niet helemaal donker onderweg.
Twee-en-twintig uur plaatselijke tijd ...een eerste sigaret in Habana. Taxi naar Calle Jesus Maria. De moeder opent het traliewerk. Op de binnenkoer slaapt een papegaai.
Vooraleer Marcos slapen gaat toont hij mij waar de wc is en hoe de trap naar boven gaat. Ik blijf nog op de buitenkoer zitten. De Cubaanse vrouw blijft ook. Ze ruimt zwijgzaam op. Ik heb de stegen nog niet in klaarlichte dag gezien.
Op zaterdag drie april 's ochtends kraaide een haan. De papegaai is er nog. Ik ben als eerste opgestaan.
In de vooravond zitten Cubanen op de deurdorpel. We kopen een liter rhum.
's Avonds zit er een kip en een grote zwarte vogel in een kooi. De muzikanten zingen vier stemmen in andere tonen.De papegaai valt. Hij slentert verder over de stenen vloer. Veel is hier illegaal. Ook die taxi, een Dodge met Eliot Ness carrosserie.
Tien voor negen op de grote plaats van de camera obscura staan de tafels buiten. Beeldschone vrouw op hoge hakken danst met slanke man. Niet ver vandaan leunt een andere vrouw tegen een pilaar. Ze is mager en heeft een getaand gelaat. Als een hond die niet mee aan tafel mag kijkt ze naar overschot van vis. Ik heb nu geen aandacht meer voor de dansende vrouw. De arme vrouw gebaart met haar handen dat ze honger heeft. Dan gaat ze onzeker in het donker weg.
Zelfs nu nog spelen kinderen in het schamele licht. De automechanicien is nog aan het werk.
's Nachts komt een broodschrijver mee aan tafel zitten. Zijn vriendin rookt een sigaar.
Miguel praat met een vriend. Zijn vrouw, Anna, brengt sterke koffie.
Bij Casa De Lucillo y Nirma maken ze hun drinkwater in een poreuze uitgeholde steen. Er cirkelen voortdurend gieren over het dorp. In de straat zwerft een zwart varken. De honden lopen los. Ze zijn mager.
Dinsdag in de schemer ligt de maan op haar buik. Het duurt niet lang. De merel heeft hier een omgekeerde staart en loopt als een kip.
Langs paden met rode aarde zakt het paard door zijn poten. De cowboy praat over zijn land dat hij niet mag verlaten. Voor het eerst proef ik van pasgeplukte koffiebonen. Ze smaken zoet. Lucillo vertelt de werkelijkheid van een orkaan. Ananas groeit hier aan een struik en advocados in een boom. In een hut hakt een man de top van een cocosnoot en giet rhum bij het sap.
"Panthalon?"
Aan de overkant bewerken boeren grond met houten ploegen. De vrouwen verkopen fruit. We kijken naar hun donkerbruine lichamen en het witte zand. Ik tel de schelpen naast golven. Er schijnt goudlicht in.Ze besprenkelt hem met zeewater. Hij schaterlacht en pakt haar handen vast. Dan gaat hij naar het dieper tot zijn grijze kop nog net boven de waterspiegel blijft. Zij ligt in het aanspoelend water zeevrouw te worden.
Maandag 12 april 2010
Maffia aan het zuidelijkste punt. Er is nauwelijks schaduw. Het paard kakt in een zak. Dan gaat mijn gehoorapparaat stuk.
Het begint te regenen. Eerst een paar druppels. Daarna stort alles met gedonder uit de hemel. Het duurt maar een half uur. De rhum is goedkoop. Voor een fiets geven ze zeven dagen garantie. Armoede wordt achter muren verborgen. Ik mis mijn fiets.
Dinsdag 13 april 2010
Weeral ben ik in de schemer opgestaan. De vliegen poepen met zes tegelijk op mijn arm. Vuurvrouw denkt dat het maandag is. Halfweg, in een boomhut, stoot Marcos zijn glas om.
Salsa, rhum, heftig bewegende lichamen...Cuba danst en zingt.
Woensdag 14 april 2010
Als je iets koopt moet je afbieden.
Bulshit.
Neen, jij bent bulshit.
Volle maan wordt dominant.
Kom, we gaan weg na het ontbijt. De muzikanten stemmen hun instrumenten. Rond het middaguur een sandwich met kaas en een Bucanero. Ze spelen hier voor het plezier. We slenteren in een ander werelddeel.
Er scheert een gier voorbij. Ze klapperen niet eens met vleugels in hun vlucht.Het is nu heel laat. Heb het laatste verstand weggevaagd. Hier zit ik nu met een stompje van een sigaar tussen wijs en middenvinger verbruikte toekomst te beschrijven. Alleen vuurvrouw weet waarom ik dat doe.
Donderdag 15 april 2010
Buiten schreeuwt opnieuw een varken. De vrouw brengt handdoeken.
Wil jij voor mij een aperitief inschenken?
Als jij beneden glazen haalt.
Het is dertig graden in de schaduw. Ik zag een vrouw met een snor.
Ik denk aan Kamiel. Hij was een reiziger, schreef om het vergetelijke onvergetelijk te maken. Toen ik hem het laatst zag signeerde hij in zijn boek "Eddie is speciaal voor mij met de fiets naar hier gekomen".
Hoe gaat het met U? Hij had me eerder al verteld dat het niet lang meer zou duren. Er stond een lange rij mensen achter mij te wachten met zijn schriftuur in de hand. Ik heb nu geen tijd, zei hij. Dagen daarna is hij ontleefd. Weken heb ik met de raven gerouwd. Hij was nochtans maar een schoolkameraad, even onzeker en onbelangrijk als ik.
De avond valt. Over de oceaan woelt een orkaan hebben jullie mij gezegd. We spoelen het zweet van onze lichamen voor het avondmaal. De gieren zwenken nu. De kerstboom staat nog te flikkeren, zegt ze. Dat was rond één uur 's nachts.
Vrijdag 18 april 2010
Ricardo prefereert dat we hem Richard noemen. Grootvader zit halfblind op een bed. Als ik hem een hand geef houdt hij die langdurig vast. De warmte van een oude man slaat over. China zal vanavond krabscharen koken. Eerst steekt ze buiten de lampen aan. Het gaat donker worden.
's Avonds aan de zijkant van de straat staat een versleten tafel met vier stoelen. Met negen spelen ze heftig een dominospel. Ernaast zit een vrouw in een schommelstoel. De straat zingt onverstaanbaar. Alle deuren staan open en aan de hemel rust de maan omgekeerd op dezelfde plaats.
Vrijdag 7 mei 2010
Raaf // graaf // ravin // gravin.
Willen wijfjes wel broeden voor witte raven?
Ik heb de minst bevolkte toonbank verkozen. Groenten kassa vier. Op de rolband chips, pindanoten, wafels en snoep. Studentenvoer. Ze draagt een rugzak met een halfleeg flesje spuitwater; geen bier. Ze heeft een namaakdiamantje in haar neus, jong sluikhaar en ongeschminkt. Net voor haar beurt gaat er een bericht op de gsm. Haastig glijden haar vingers als een pianist over de toetsen.
Schat, nu niet. Ik ben inkopen aan het doen.
De nagellak is versleten. Aan die slanke vingers geen ring van verbondenheden, of zou het dat neusdiamantje kunnen zijn, gepind in een onvergeten liefde?
Ik durf het haar niet vragen met dat broodje tonijn in mijn handen in afwachting om te betalen.
Dinsdag 11 mei 2010
Vijf- uur- 's ochtends. Uit het houtkot komt een egel. Hij loopt snel door het gras alsof hij dringend boodschappen moet doen.
Om twintig-voor-zeven onderweg komt stilaan het lawaai op gang. Opnieuw heb ik handschoenen en een wintermuts aan. Aan de brug over de rivier kijk ik toe hoe twee mannetjes wild teder een vrouwtjeseend bevruchten. Ze doen het elk om beurt. Na een paar minuten zijn ze voldaan en schudt zij schijnbaar dankbaar haar staart. Daarna vliegen ze samen weg.
De groene kever die ik hier gisteren zag zit nog altijd op de balustrade. Ik raak hem voorzichtig aan om te zien of hij nog leeft. Traag doet hij een paar pasjes vooruit en blijft dan opnieuw roerloos zitten.
Het doet me aan mijn grootvader denken. Die kon ook zo in zijn smidse met een sigaret in de mond onbewogen door het vensterglas dromen tot mijn grootmoeder hem telkens porde om verder te doen. Nochtans is hij nooit failliet gegaan.
Droge frisse dag zonder zomerkleren. De trein die ik nooit neem komt knarsend tot stilstand. Reizigers drummen op het perron. Toch kan iedereen erop, behalve een enkeling met al zijn hebben in een plastiekzak. Hij kijkt niet eens naar het schouwspel om zich heen, alsof het niet bestaat in de wereld. Alleen de straatstenen die leiden naar een schuilplaats tellen. Straks als de drukte luwt gaat hij naar het toilet, wast hij zich beschaamd in de hoop dat niemand hem zal zien.
Betaald parkeren levert steden miljoenen op, Spanje hanteert saneringsmes, er wachten ons harde keuzes, politie verwacht geweld, generaal van roodhemden in hoofd geschoten. Over pedofilie wordt niet meer geschreven. Is het misschien omdat Kortrijk en Brugge belangrijker werden?
Naringa catanga.Het is geen onzin. De dag is floe. In de schaduw van een overvliegende vogel valt een vlinder te pletter. Af en toe prikken doornen mijn handen, klieft het hakmes door het vlees.
Hij bloedt! Ga naar een dokter.
Hoeft niet. Dat geneest vanzelf.
Draag handschoenen en bescherm je tegen de zon.
De zon?
Drie dagen later is het negenentwintig graden Celsius om zestien-uur-vijftien.
Turkoois staat je goed.
Ik heb niet lang gezocht. In de eerste winkel was het al prijs.
Met wat losgekomen haren uit die speld zie je er zo vrolijk nonchalant uit, zeker als de wind er doorheen waait.
Kom, we gaan op een terras mensen kijken. Ik heb dorst.
Gaan we daarna iets eten uit de wind?
Ja, tapas met een glas wijn.
Waarom ben je zo stil?
Het zijn de dingen die ik beleef in dromen. Vorige nacht vluchtte ik weg uit een roerige atmosfeer met een kind in mijn armen langs waterplassen door een veld. Thuis stond een waarzegster me op te wachten. Ik wilde de toekomst niet weten maar ze was zo verrukkelijk mooi, en toen haar man het kind uit mijn armen nam in ruil voor seks met haar werd ik wakker. Het was heftig bloedlicht.
Heftig bloedlicht?
Dat is als de zon laag gaat staan. Dan gooit ze een bloedkruis op tafel.
Zullen we morgen naar het openluchttheater gaan in de stad en overnachten bij de jongste zoon?zal ik je leren
pirouetten tot je de omgeving niet meer ziet
of de holahup en jojo
met een likstok cadeau
gooien we straatklinkers door vitrines
gewoon uit protest
omdat het niet mag
zeg nooit
we leven niet meer
Zondag 27 juni 2010
Het landschap gekliefd, versplinterd in asfalt en beton. De wereld is van iedereen, fluisteren wolken. Ze hebben knoopsgaten voor de zon gelaten...een cadeau.
De stad is leeg. Hier en daar een vrouw met gebronzeerde benen, of een vrachtwagen half over de weg. Nu zie je zwervers er doorheen. Op banken. Nooit vakantie. Altijd alleen.
Vanop de brug kijk ik geamuseerd naar de file op de autostrade en bedenk: ik zal goddeloos vergaan, als een ongelovige, een heiden.Bijna donker over het water.
‘Geef me vuur.’
Waarom vraagt ze dat niet?
We leunen aan de rand van een waterloop. De bloemen drijven stroomafwaarts mee.
Ze inhaleert en blaast de rook naar de hemel.
‘Kan jij kringetjes puffen?’
‘Ik ben moe.’
‘Ik ook.’
Op de terugweg slaan we onze handen in elkaar voor meer evenwicht. Het grind schuurt in mijn sandalen.
De portier aan het casino knikt beleefd.
‘Zullen we ons aan een kansspel wagen? Iets op leven of dood. Misschien worden we stinkend rijk.’
‘Niet op blote voeten. Ik wil naar boven.’
Daar waaien we met huisstijlregels van het hotel de hitte van ons lijf.Op deze wereld geboren in een misverstand. Hoe zal het morgen zijn?
Ook dan zal het weer mis zijn...EN prachtig!
Gisterenavond is de bliksem langs gekomen. Storm deed de bomen spreken. De piloten zijn uit de lucht verdwenen. Nu nog spijkers op het asfalt.
Papa, je hoeft niet buiten te gaan om een wind te laten. Hij blijft toch in je broek hangen.
Ik red een vliegje uit een wijnglas van de verdrinkingsdood. Niet alleen uit medeleven maar ook omdat de wijn er bitter van wordt. Ze kruipt nu lazarus over de haartjes op mijn arm. Een oerwoud voor haar.
Vuurvrouw steekt het licht aan in de avondschemer en kijkt naar mijn grimassen terwijl ik mijn kladwerk schrijf.
Kijk, een mot. Ze heeft papaver meegebracht.
Donderdag 15 juli 2010
Twee vleesbrochettes, een potje tartaar en zigeunersaus.
Inpakken mijnheer?
Ja graag.
Een frietvetvakman.
Op mijn schaduwbank in het park zit een man rond de dertig.
Mag ik erbij?
Ja doe maar, antwoordt hij.
Hij heeft vriendelijke ogen. Zijn haar is met een purperen elastiek in een staart gebonden.
Ik heb honger en geen geld,.
Een brochette met zigeunersaus of tartaar?
Er kruipt iets in mijn flodderbroek. Wanneer ik uit nieuwsgierigheid mijn broekspijp naar boven trek steekt ze mij. Het was een wesp.
De jongeling kan erom lachen. Dan gaat hij weg. Ik had nooit verwacht dat hij dankjewel zou zeggen. Zoiets doet een straatloper niet.
De bank is nu van mij voor een gedesoriënteerde middagrust.
Ik neem de tunnel. Het is de kortste weg. Zo hoef ik niet langs de dampkring te gaan.
'Raw?'
'Ja?'
'Waar is Tek?'
'Die is met vakantie naar de grote maggelaanse wolk, hier 165000 lichtjaren vandaan.'
'Wie houdt dan de vuren aan op de maan?'
'Ik. Hoe gaat het op aarde?'
'Een weerwolf heeft vannacht in de poot van Ludovicus gebeten.'
'Wie is Ludovicus?'
'Mijn kameel. Het is bijna volle maan. Dan wordt hij bronstig en gaan we tezamen op zoek naar indigovrouwen in de woestijn. Met die zere poot gaat het niet lukken. Kan jij de vuren voor een paar dagen doven?'
'Wat zijn dagen?'
'Het omgekeerde van tijdloos'
'Waarom zou ik de vuren doven?'
'Voor mijn kameel. Een paar dagen maar tot zijn poot genezen is.'
Een achtste weekdag.
Het is tijd om te vertrekken. Ik neem een kinderfiets zonder pedalen mee. Een cadeau voor een pasgeborene. Misschien geven ze mij suikerbollen in blauw rood bruin, of een stuk vlees van het geofferd schaap.
Onderweg zijn de pilaren met graffiti beschilderd, blijven loodsen verlaten in het gedaver van een goederentrein. Spookschouwen spugen witte rook terwijl onder de brug twee eenden mekaars veren schikken. Ik moet erdoor zonder kleerscheuren.
Eens in de stad wordt het rustig. Het lijkt wel de dag van hoogzwangere vrouwen. Ik ben er al vier tegengekomen. Je ziet een vreemdsoortig geluk in hun ogen, zo van: ik draag een mensje in mijn buik. Ze zijn onschendbaar in deze drukke wereld.
'Ik wil onbemind ruige seks hebben met jou.'
In slonzig handschrift geschreven op een bloc-note papiertje voor tweederde onder zijn klavier verstopt.
Mooi, moest zoiets thuis gebeuren. Hij heeft net een kop koffie uit de automaat gehaald en verschrikt zich dood.
Wie, wie, wie...is zijn eerste gedachte. Het kan niet anders dan een collega zijn. Een collega op het vierde verdiep? Dit gebouw telt zes etages. Minstens vijftig vrouwen waar hij met zes contact mee heeft. Ze zijn veel jonger dan hem. Het zouden zijn dochters kunnen zijn. Dat is uitgesloten.
Vertwijfeld gaat hij in het toilet voor de spiegel staan. Wie, wie, wie? Vanaf nu zal hij elke vrouw die hij in dit gebouw tegenkomt aandachtig in de ogen kijken.
De poetsvrouw in de lift vindt het vreemd hoe hij haar aankijkt. De vier vrouwen aan de balie vinden het ongewoon dat hij hun een voor een met een smoes aanspreekt.
Plots komt het bij hem op dat het evengoed een man zou kunnen zijn. Huiveringwekkend...een man!
Voor de eerste keer sinds twee jaar gaat hij 's middags naar de refter en schuimt hij alle tafels af, op zoek naar een ongewone blik, tot hij Gustaaf helemaal alleen aan een tafeltje ziet zitten. Gustaaf zijn ogen fonkelen. 'Het was maar een grapje.' lacht hij.
's Anderendaags hoort hij zijn collegas zeggen: 'Hij keek gisteren zo raar...en hij is in de refter geweest.'
Aan de perelaar hangen drie peren. Aan de pruimelaar zesendertig pruimen. Het voetpad tot bij de beenhouwer telt achtentachtig tegels. In de keuken zijn het er achtien paar en achtien onpaar.
Hij telt...telt alles tot een getal. Ook de wenteltrap naar de klokkentoren moet eraan geloven. Zelfs aan de tafel naast het fietspad heeft hij vijf maal twee maal twee is gelijk aan twintig schroeven geteld.
Zijn fietswiel heeft zesendertig spaken en met een pedaalbeweging van driehonderdzestig graden gaat hij éénmetertachtig vooruit.
Zo telt hij de dag, en 's avonds als hij in bed gaat telt hij zijn ademhaling tot het tellen stopt. Alleen de woorden die hij schrijft telt hij niet op. Die maken zijn cijfer één.
31 juli 2010
Ze droomt in mijn droom. Ik probeer haar wakker te maken en moet zien zelf niet wakker te worden want mocht ik haar dromend in mijn droom achterlaten zie ik haar nooit meer terug. Van deze verschrikkelijke gedachte wordt ik wakker en ben opgelucht haar zalig op haar rug met uitgestrekte armen te zien uitslapen. Deze dagelijkse werkelijkheid stelt me gerust.
Ondertussen maait de buurvrouw, vrij van gezel, het gras. Kleinkunst in het leven.
Nick
Niemand mocht weten wat hij zou doen. Toch waren ze vanuit alle werelddelen aan de kliffen tezamen gekomen om Nick te zien.
'Hij is gek geworden. Met één oog blind...en op zijn leeftijd nog zoiets doen.' zegt de meerderheid.
'Hij heeft zijn hele leven gewacht op de juiste thermiek. De sterren hebben hem verteld dat het vandaag zou zijn.' zegt het wijfje.
Nick scheert eerst over het water voor hij klimt. Halfweg schommelt hij heftig bijna overkop. Dat is waar de thermiek begint. Dan gaat hij hoger en hoger tot ze hem niet meer zien. De bergen verdwijnen. Nu is hij alleen. In het ijle bij de goden klapt hij zijn vleugels dicht.
Hij raast...raast...Raast...zijn neigste steenduik, deze keer niet naar een prooi.
Wanneer hij tevoorschijn komt krijsen de arenden: 'Hij haalt het niet!'.
Het wijfje glimlacht gelaten. Nu wordt hij compleet.
Zondag 15 augustus 2010
Namaste.
In een gedicht kruis je de mens. Op een brunch kruis je het kruis. Hier hangt geen kruisbeeld aan de muur. Zelfs een schroevendraaier heeft ze niet in huis.
Haar jurk houdt ze aan met twee blauwgrijze lintjes om haar hals. Zo fragiel. Eigenaardig die onredelijke aandacht van mij. Ik ben vuurman vanavond. Sissend regenvuur met hete dampen.
'Doe niet zo krols.'
'Zeg iets. Doe maar gewoon.'
'Wat?'
'Jij bent erover begonnen.'
'Neen, jij.'
'Niet waar.'
'Verontschuldig u.'
'Ja, ik verontschuldig mij. Ik riek...ruik u zo dichtbij.'
Ze wil een prins op een wit paard. Wanneer ik haar vertel dat er genoeg nomaden met kamelen over deze wereld dwalen moet ze huilen. Het rammelt langs alle kanten.
Maandag 6 september 2010
Julien kwam binnen en ging meteen weg. Katrien is terug uit zwangerschapsverlof. Gustaaf kamt elke ochtend zijn haren in het spiegelglas van een vergaderruimte en ik maak met mijn werfschoenen het vasttapijt vuil. Lang blijf ik hier niet. Postvak-in en dan wegwezen in de buitenlucht.
Voor ik het vergeet moet ik nog naar een fontein op de oude markt. Fietsend door de stad, rond de stad.
Aan de prikkeldraad zwabbert een versleten trui over madelieven. De prediker stapt voorbij. 'Baas in eigen hoofd' zegt hij dan. Het is een wereld van goddelozen.
'En ik ben een heiden'. Hij heeft mij niet verstaan. 'Ik kleed me naakt!' roep ik hem na. Het lijkt wel of ik onzichtbaar ben. Spoken zijn die marginalen en ik een kardinaal.
Ik voel de mobilofoon tegen mijn tepel trillen. Het is Katrien. Of ik om zeventien uur met haar naar de kinderkribbe kan gaan. Ja, natuurlijk, ze betalen mij hiervoor.Wanneer ik voorovergebogen aan een vloerrooster pruts duwt een meisjeskind aan mijn schouder. Ze lijkt iets fantastisch te vertellen maar ik versta haar niet tot...ze draagt vrouwenschoenen met hoge hakken horizontaal tegen de vloer geplooid. Vooraleer ik haar iets kan vertellen sloft ze weer weg. Ik denk dat ze zei: 'Kijk, ik loop op schoenen met hoge hakken van mijn mama'.
Het wordt vooravond. De bewolking neemt toe. Ik bel haar, dat ze op mij nu even niet hoeft te wachten, dat ik later kom. Ze weet echt wel dat ik met nachtvlinders in het fietslicht door de velden heen kan.
Onderweg kijk ik naar de hemel en zie overleden vrienden in mijn fantasie. Niets is vergeten.
Waarom blijven schapen grazen? Omdat IK geen vegetariër ben. En als u mijn woorden niet begrijpt, eet dan mijn lichaam op...saignant.
Raw?
Ja?
Ik ben jarig.
Ik weet het. Tek is onderweg. Hoe gaat het ginder op die blauwe schuit?
Mijn kameel is dood.
Ludovicus?
Ja. Hij was hoogbejaard. Ik had je om een medicijn gevraagd.
Ik ben een ruimtevaarder en geen tovenaar.
Heb je dan echt niks voor het eeuwige leven?
Neen. Daarvoor moet je eerst sterven.
In een steenduik?
Neen, sterven doe je verticaal omhoog. Eens Orphelis voorbij sta je aan de drempel. Dan neem je een duik in het onbekende.
Waarom niet langs de dampkring?
Omdat die alleen maar voor levende wezens bestaat.
Maandag 20 september 2010
Vijf vrouwen rond de zeventig met raspoedels in het park. Net jong genoeg om nog de salsa te leren. Het is maandagvooravond halfzeven. Ze wandelen. De poedels keffen met hun mee. Je ziet het zo: niemand is hier afgeleefd. Kloek doen ze hun rondje. Vanop de bank kijk ik ernaar. Je kan het onnozele zo zien. Geen van hen zal ooit oorlog voeren. De enige schuld die hun treft is dat het hier zo proper is, dat er geen greintje chaos overblijft.
Deze dag voelde ik een onrustige zindering onderhuids. Alles om me heen leek zich als een film af te spelen en ik was de kijker. Het ging zo traag vandaag. Alles in slow-motion, maar het einde van de dag brengt opnieuw rust. Nog een voorlaatste lurk aan een sigaret. Mijn jas steek ik in de fietszak.
De marktkramers vertrekken. Straatvegers ruimen nu de rotzooi op. Daarna plaatsen kermismensen hun kramen. Oh ja, ik wil nog wel eens met een loodjesgeweer naar pluimen schieten.
'Hemme!' schreeuwt ze terwijl ze naar buiten loopt. Hij stapt met een fluorbroek voorbij en kijkt om. Een jonge straatveger, en zij even mooi, geeft hem een kus. Uit hun gebaren lees ik een afspraak voor vanavond af.
poppenkast
Voor mijn veel jongere zusje is het tijd om slapen te gaan. Ik stop haar in bed.
Geef je mij mijn fopspeen?
Neen, je bent al vier.
Ons ma heeft haar collectie tutten een maand geleden weggegooid. Zus werd er te oud voor. Ik had er eentje bewaard voor een noodgeval.
Ze kijkt me zo beteuterd aan dat ik overspelig op de geheime plaats haar voorlaatste exemplaar tevoorschijn haal.
Een lurkje maar.
Gretig steekt ze het rubber ding in haar mond en doet wat ze sinds haar geboorte deed: tutteren.
Zal ik poppenkast voor je spelen?
Ze glundert. Ja, Alibaba en de zeven rovers en daarna roodkapje.
De zeven rovers vind ik niet meer maar roodkapje en de wolf liggen nog in haar speelgoedmand.
Verberg je goed, ik wil alleen de poppen zien, zegt ze.
Omdat ik begin te puberen worden mijn vuisten groter. Ze kunnen nog net het poppenkleedje in.
Ik speel het spel zoals zij het wil. Een lieve wolf die geen geitjes opeet. Op het einde komen suske en wiske tevoorschijn en zingen we tezamen: nu komt er een zwijntje met een lange snuit en het spelletje is uit.
Geef mij nu maar die fopspeen terug. Ik zal ze bewaren voor de volgende keer.
Als jij slaapzand over me heen strooit...beloofd?
Fantasie was toen nog werkelijkheid. Ondertussen is ze de veertig voorbij.
Maandag 4 oktober 2010
Doelloos pruttelen met woorden, op de duur bijeengekit in een zwoersel van weinig betekenis, als een samenraapsel van klanken uit een ongeschreven partituur. Een verhaal dat nergens toe leidt. Het overkomt me steeds meer. Zo was het gisteren gesteld met het onbetekende “ zwoersel “ dat in zeer vroege ochtend aan de ontbijttafel ontstond in het aanschijn van overschot ‘zwossen’ van gebakken spek. Sindsdien spookt het woord regelmatig door mijn hoofd. Het is de logica niet.
7h30: Nafeest. Ik zwerf met oorgesuis langs het kanaal naar Antwerpen zonder aanwijzing van tijd. De veldwachter kijkt toe. Hij vertrouwt me niet. Langs het zonnegordijn vliegen trekvogels weg. Regendruppels. Toch schijnt het licht. De veldwachter krast nu met zijn vier-maal-vier op.
Ouderlingen wuiven naar de tijd. Er ligt kiezel op de weg. Tijd om verder te gaan in dit fragment. Het licht verzwakt. Zal ik het fotograferen? Voor de zoveelste keer een beeld vastleggen en als het geslaagd is hangen we het als decoratie aan een toeschouwersmuur.
Ooit al zwarte ganzen zien vliegen? Ze doen het met hun nek vooruit. Weet je, zwarte ganzen zijn niet zwart. Ze lijken zwart in het tegenlicht. Net zoals hazen overleven ze gevangenschap niet.
Bij een bussel takken schat ik de tijd. Over de brug snellen ze mij voorbij. Vlierbessen zijn nu rijp en netels groeien overal. In deze nietsnutterij beginnen bomen herfstbladeren te tranen. De winter komt zo vlakbij. Ik moet nog handschoenen kopen. Hou je van mij, vraag ik aan mezelf.
Er stapt een mens voorbij. Ondertussen ben ik in een spinnenrag verzeild geraakt. Ze is met haar maaltijd bezig. Bloedzuipen na de ramadan...haar suikerfeest. Ik ga nu verder tot ik een horizon zie. Vooraleer ik dat doe kijk ik naar het weerbarstige kopshout van een omgezaagde boom. Neen, in de jaarringen vermoed ik er geen leeftijd in. Er loopt alweer een mens voorbij. Een vrouw met krukken. Ze komt naast mij zitten op de bank. Ze praat tegen mij. Met mijn wijsvinger naar mijn oren wijzend mompel ik verontschuldigend: 'Ik versta u niet'. Ontgoocheld gaat ze verder. Ik val haast in slaap naar een volgende dag met een voorlopig idee.Op de terugweg lag ze daar. Onzichtbaar. Het verkeer raast over haar heen. Raas...raas maar. Het is overstekend wild.
Dan doe ik iets geks. De auto’s stoppen als ik op de rijbaan ga. Ik neem een foto van een doodgereden konijn. Manueel duurt lang. Ze toeteren. Kan mij niks schelen. Mij rijden ze toch niet dood.
Ik raap op en leg haar neer waar ze hoort te zijn. Moest ik een vrouw zijn was ze een hij.
Babskerk
Ik voel me zo gelukkig met dat zomerweer. Ze zegt het met een zwaaibeweging.
Ik ook. Het maakt iedereen blij, zelfs binnenhuis. Ik heb koffie gezet...als je wil...ik weet dat je graag sterke koffie drinkt.
Heb jij de sleutels van de kerk? Ik ga er straks naartoe.
Wil je dat ik meega?
Hoeft niet.
Ik ga mee. Het is daar bouwvallig.
We gaan te voet. Onderweg toont ze mij een bakkerij waar men de beste taarten bakt en een bloemist waar ze de mooiste bloemen verkopen.
De achterpoort van de kerk staat op een kier. Wat overblijft van de vloer is bedekt met duivenmest en kadavers. Er staan nog beelden. De biecht- en de preekstoel liggen samen met een afgebroken hand van een heilige verspreid over de grond.
We gaan boven. Als ik over de gewelven kruip roept ze: doe dat niet, het is gevaarlijk...maar ik wil de dakgebinten zien.
Terug beneden zitten we onder het stof. Ze veegt haar zwarte rok aan de voorkant af, draait de achterkant naar voren en kuist de achterkant voorwaarts. Daarna draait ze de voorkant weer naar achter en klopt ze de spinnenwebben van mijn rug.
Op de terugweg koopt ze twee taartjes.
Zullen we een terrasje doen, vraag ik.
Mag dat tijdens de werkuren?
Neen.
In de schuit dan. Ik moet plassen.
En ik heb stof in mijn keel.
Maandag 28 oktober 2010
Dromen dat je niet droomt. Dan sta je daar helemaal alleen op de rand waar je niemand tegenkomt. Het klamme zweet van niemandsland veeg je als je opstaat weg met een spons. Je kamt je haar en knipt je verwilderde wenkbrauwen bij. Niet met de deuren slaan, er slaapt nog iemand met een droom in het bed waaruit je kwam. Je overweegt of je pas vertrekt bij dageraad omdat er sterren aan de hemel staan. Je wikt en weegt het begin van de dag...elke dag opnieuw tot je beseft dat het weeral die winter wordt waar je pas uitgestapt bent.
Doorlopend verkeer op de grond en in de lucht. Ook in mij gonst lawaai. Wat doen die mussen nog op tafel? Rond de Romaanse toren vliegen duiven. Mooie duiven, zegt een schooljongen helemaal alleen met een boekentas. Eerst had ik hem niet verstaan. Hij moest het drie keer herhalen. Ik ben te laat, vervolgt hij. Ik ben altijd te laat wou ik nog zeggen maar zoiets vertel je niet aan kinderen. Dan denken ze als die ouwe het mag, mag ik het ook.
In de stad is een nieuwe zwerver aangekomen. We zijn mekaar al een paar keer gepasseerd. Ook hij heeft een fiets. Die van hem is tot op de draad versleten. Toen ons pad voor de vierde keer kruiste keken we met herkenning naar mekaar. Een schichtige goeiedag zonder handdruk ofzo. Woorden zijn soms overbodig. Een blik des te meer.
Kijk, herfstbladeren waaien over mijn schaduw. Doorkild, mijn lichaam trilt, mijn handen beven. Niemand steekt de vuren aan. Ik bel naar vuurvrouw.
Geen zin om vanavond mee uit eten te gaan?
Ja, heel graag maar kom eerst naar huis.
Bij de italiaan gestoofde nier in lookboter voor mij en groentenpasta voor haar. Drie tafels verder zitten studenten heftig te praten. Ze zegt dat het over beleggingen gaat. Morgenvroeg gaat het regenen.
Woensdag 3 november 2010
Ze duwt me, tijd om op te staan. De citytrip van eergisteren en het graven van een kuil rond een boomstronk hebben mijn spieren verstijfd. Zoiets voel je bij het opstaan. Het verdwijnt langzaam.
Een kan water op het gasvuur, koffiefilter op de pot…snuit het snot uit uw neus en de ochtendhoest niet vergeten. Met de eerste zelfgedraaide sigaret wil ik stoppen met roken net zoals ’s avonds met het laatste glas wijn ophouden met drinken.
De wind joelt onder de parasol. Je ziet de windrichting aan de stand van de tafelpoten. Eentje staat behoorlijk scheef. Een scheve wannes in de schemer. Hevige tegenwind en de satellieten voorspellen regen.
Schat, mag ik vandaag je wagen lenen?
Natuurlijk, en noem me niet schat, kreunt ze vanonder het deken.
Het verkeer is mild vandaag. Herfstvakantie. Uit de meeste fonteinen stroomt geen water meer. Maandag vraag ik aan Willy hoe dat komt.Een nieuwe kapster in het kapsalon. Jong ongegeneerd en wat ondeugend kijkt ze me aan in de spiegel wanneer ze iets vertelt. Ik maak haar duidelijk dat ik hardhorig ben.
Ik was met mijn collega een spel aan het spelen om te weten hoe lief of arrogant we zijn.
Heb je dat van internet?
Neen, vanuit een tijdschrift voor vrouwen. Hoe mag het zijn?
Wablieft?
Uw haar (ze maakt met haar wijs- en middelvinger een knipbeweging).
Kort genoeg zodat ik het niet meer moet kammen maar zeker geen bros. En ook geen snit. Het moet doelloos blijven.
Terwijl haar collega voorleest uit het tijdschrift knipt ze vrolijk mijn haar. Ze doet het op zo een geruststellende manier alsof ik niet aanwezig ben. Heimelijk gluur ik af en toe in de spiegel naar haar. Ik wil geen kapster die babbelt.
11 november 2010
Het klaart nauwelijks op.
Warket, je hebt met een ander niets meer te delen. Hou het voor jezelf.
Mag het dan bij een maaltijd zijn, want het is echt. In pyjama met een omelet.
Wapenstilstand slaapt. Eerst film ik de wind. Daarna een regenstorm.
Voor ik eraan begin praat ik tegen hem. Jij gaat eruit.
Niet in het slijk, lacht hij. Het regent en mijn wortels zitten diep.
Dan maak ik een diepe kuil, kap ik je wortels over tot je los komt uit de grond. Daarna laat ik je in de zomer drogen en ga je in de winter in de stoof. Toch grijnst hij alsof hij wil zeggen: zoveel moeite voor een boomstronk op de verkeerde plaats.
Walvis
Ik heb gedroomd. Ik zat helemaal alleen op een onbewoond eiland met vruchten in overvloed. Het enige dat ik miste was een potlood en een stuk papier. Op de duur kerfde ik met een schelp verhaaltjes op de binnenkant van een boomschors en gooide die elke dag in de oceaan. In het begin spoelden ze aan op het strand en las ik opnieuw wat ik gisteren geschreven had maar op een keer bleven mijn boomschorsen weg. Plots was mijn eenzaamheid verdwenen. Eerst dacht ik nog aan een zeemeermin. Natuurlijk bestaan die niet maar zo helemaal alleen op een eiland ga je je eigen ongeloof geloven.
In een nacht met volle maan woedde een verschrikkelijke storm. Er spoelde een stervende walvis aan die zei: 'Ik heb al je verhalen gelezen'.
Daarna ben ik in de golven gegaan en net voor het verdrinken werd ik te vroeg voor een zaterdag wakker in haar schoot. Ik ben een man.
donderdag 16 december 2010
Vanavond is de hemel wit. In de sneeuw trap ik voetsporen zonder retour. Dikke sneeuwvlokken wissen het spoor. Ik wil een sneeuwman zijn met een wortelneus en een lachende steenkoolmond. Kinderen, vergeet de bezem niet en maak me met drie bollen groot genoeg. Als het dooit zal ik de allerlaatste zijn en nog voorjaarsbliksem zien. Schep mijn bestaan met veel plezier ...gewoon een sneeuwman zonder verstand. En de boer, die maakt in de lente met lompen een vogelschrik van mij. Zo kan ik de raven in het dauwlicht zien. Maak geen mensje van mij. Dat wordt alleen maar plankenkoorts. Nog even en het wordt nacht.
De indiaan sprokkelt nu geen hout. Hij gaat met gekruiste benen zitten en wacht...wacht...Waar blijft de blimsem, schreeuwt hij dan. Hij kijkt hoe de mot in het nachtvuur sterft en vraagt vergiffenis aan de maan.
zondag 19 december 2010
Ze lachte om een mislukte sneeuwman. De kater kwam op bezoek. Ze nam hem in haar armen. Hij is een aanleunkat. Vannacht heeft het bij gesneeuwd. Er liggen diamanten in en wijndruppels in verse sneeuw lijken op bloed.
De wegen zijn berijdbaar. Kerkgangers drinken op het dorpsplein warme wijn. Ik kijk er door de zonneblinden naar.Ze zijn er allemaal. Na het aperitief en het voorgerecht wordt kwakkeldekwak versneden. We drinken koffie bij de Russische Charlotte. Is er niks geestesvernauwend voor de dronkaards aan tafel? Er is nog wat calvados in de fles. Ouzo in overvloed en wijn met een fijne neus.
Het is donker geworden. De lichtjes liggen verspreid over de sneeuw. Zullen we er sneeuwlicht van maken vraag ik hem wanneer hij buiten naast mij komt staan.
De feestgangers slaan ons door het vensterglas gade. Ze weten niet wat we doen. Die twee gaan nog een verkoudheid krijgen. We zijn inderdaad te licht gekleed maar in onze bezigheid voelen we de koude niet. We maken sneeuwlicht voor poëten.
Hoe doe je dat?
Door het te bedekken met een dunne laag sneeuw.
Dat kan lang duren. Hij twijfelt.
Kom, we doen het, geef me een schop.
Eenmaalvijf 4 januari 2011
Wanneer de condor hongerig is pakt hij een berggeit met zijn klauwen en laat haar in zijn steenduik te pletter vallen op de kliffen. Van zijn voorouders geleerd. Hij weet niet eens dat hij vleugels heeft.
Hoe ver is het nog?
Een halve fles.
Met drie vrouwen en hem onder een afdak. Zomer in de winter. Hebben we olijfolie mee? Het wordt nieuwjaar in een wolkennacht.
Toen ik hem uit blijdschap omhelsde voelde ik het puntje van zijn tong.
De dag erna is er een regenboog vanuit het gebergte naar het dal. Robert Palmer zingt zijn lied.
Nieuwemaan, vooraleer ik het opschrijf tel ik de klinkers uit uw mond.
Ik hou van bergen, zegt vollemaan. Het is geen grappigheid. Deze roedel is goed.
Ik ga bergop. Hij staart voor zich uit. Vuurvrouw glimlacht.
Nederig knielen mijn ogen in het gebergte naar de zon.
Hoe laat is het?
Halfvier.
De vierde dag van het jaar net voor zonsopgang koffie in sigarettenrook. Veel wordt er dan niet gezegd. In Cordoba tapas met stierenstaart. Op een terras verzwijg ik een beeldmooie vrouw. Net in het donker terug wordt het mij iets te druk. Doe uw gehoorapparaten uit en ga buiten zitten. De hemel staat vol met sterren en in de verte verlicht een stad het dal.
Schoonheid went, wordt opnieuw verlangen als je ze mist. Een lichtschijnsel in het donker. Soms een pokerspel.
De vijfde dag ga ik voor het eerst in de schrijvershoek. Wijn verdrijft de trilling uit mijn hand. Negentien graden in de schaduw. In zwartwitland stijgt de temperatuur nauwelijks boven nul. Ineens denk ik aan de schrijfster die mijn handen wegnam omheen haar ziel. Het onvermijdelijke voorbij.
Nu draai ik een bladzijde om. Ze is nog leeg tot ik haar met grafiet versmoor. Het spinnenrag is bijna geschreven. Vuurvrouw komt bij mij om te zien of ik het overleef.
's Nachts, als iedereen slaapt, gooi ik nog een houtklomp op haar vuur. Wees voorzichtig in de nacht. Het is heksentijd.
dinsdag 11 januari 2011
Vertwijfeld kijkt hij naar de lucht wanneer hij opstaat. De sigarettenpeuken liggen buiten op de grond. Dat komt door de dooi. Alles wat hij in de sneeuw gegooid had komt nu tevoorschijn. Hij staat daar maar, rusteloos. Deze complexe wereld kan hem vandaag gestolen worden.
Kom, we gaan in de woestijn bij de waterdragers met hun witte gewaden.
Echt daglicht is er niet. Kleuren evenmin. Grijze nattigheid. Drassige grond, een paradijs voor kronkelende regenwormen.
Dan gaat hij naar zijn vleugels op zoek. Het zwaard is al gescherpt. De kameel moet van stal.
aan de rand
Tijd dat het verleden vervaagt. Scheer jij over de berg. Ben de code vergeten... hoe alles draait naast versleten asfalt, dat ik minder Ik ben en alles meer een gewaarwording wordt.
Honden kijken net zoals zwijnen niet in de hemel.
Wolven wel.
Als u ooit met koorts in mijn stoffige spinnenwebbenruimte komt, doe dan de deur naar de ondergrond niet open. Daarachter slenteren mensen rond die zwijgen. Ineens veranderen ze in demonen die op je afkomen. Sommigen spuwen scherven, anderen hebben een stekelvacht waarmee ze je bliksemsnel trachten te raken. Ook al schuil je in spleten van rotsen, steeds vinden ze je opnieuw. Als je hun kille adem in je nek voelt moet je zo snel mogelijk het nachtlicht voorbij.
Geenwaanzintweehonderd
De storm breekt, regent schaamhaar nat. Doordrenkt satijn, een beetje god.
Boven in een kamer zit Gilbert op me te wachten om een kansspel te wagen. Ik ben op tijd. Er zijn geen getuigen.
Doe het venster open. Je weet toch dat je hier niet mag roken?
Er valt een vreemde verdroogde vrucht uit de hemel. Wie verliest gaat naar de hel. Nog zesduizend dagen.
maandag 17 januari 2011
Ik vind het vies om als een hond noodgedwongen uit hoogdringendheid buiten te plassen. Ze hadden de toiletdeur maar niet op slot moeten doen. Heiligschennis op een maandagmiddag aan een nonnengraf. Wat maakt het uit? De machines loeien eentonig snoeihout door de maler. Alle wilgen staan nu kaal. Snoeiers gewapend met fluorvesten tegen voorbijrijdend verkeer. Je kan het vanuit de ruimte zien.
Jaak Panneels, geboren in 1885 en overleden in 1965. Hij had mijn grootvader kunnen zijn. Zijn echtgenote was tien jaar jonger en gaf de geest bij mijn geboorte. Het leven is een vergissing van god.
Stapvoets deponeer ik mijn etensresten in een afvalbak. Onder dit grijs wolkendek weet ik niet eens hoe laat het is.
Ga verder, je hebt nog zoveel te doen.
dinsdag 18 januari 2011
Euforie! In een achttiende dag tweeduizend-en-elf op een regendag monochroom hemelwaterdruppels bekijken. Ik wrijf mijn zadel in met walvisvet en vraag aan een dichter of dichten fictie is.
spitaal//spitaals//spitalius... als ze de waan in de vraag begrijpt. Dichters dichten opnieuw. Diep in hun ogen brandt een inwendig vuur.
Ik ga mezelf nu niet vermoeien met spijt. Zal ik een zelfportret maken of prostitueer ik mijn ziel? Wie zijn alleenzijn niet weet te bevolken kan ook niet alleen zijn in een bedrijvige wereld, schreef Baudelaire.
woensdag 19 januari 2011
Ze hebben mij vandaag naar een kinderdagverblijf gestuurd. De dag was nog niet regenachtig.
Peuters kunnen zo lief met verbazing in je ogen kijken. Dan voel ik mij een ouwe sinterklaas met vossenstreken.
Ze stamelen geluiden die ik niet versta, en dan antwoord ik: "heumm, humm ". Het lijkt of ze het begrijpen. Hier heerst nog geen taal.
Eentje ligt op de grond te slapen. Wanneer ik de schuifdeur open doe wordt hij wakker. Ik ben de reus. De reus die met een houten treintje wil spelen, met handen en benen over de vloer wil kruipen.
Ik durf het niet als volwassene met een taak, nog voor de schemer naar huis.
zondag drie januari 2011
Grijze kille dag, ik sla een deken om je heen. De beenhouwer is dicht met vier broodjes bij de bakker. Ik wis mijn gisterengedicht met af en toe een schaterlach. Ondertussen is het zestien uur en een achtste sigaret. De avond kunnen we niet meer verzinnen. Potloodgeschift.
Dinsdag 25 januari 2011
Veldwegen zijn hardvochtig in dit donkere seizoen. Ik trap het spaakwiel voortdurend rond. Luister naar het lied van de winterwind. Het gedijd in langzaam lengende dagen. De regen die waterplassen geselt tot kolkende rivieren wordt het ook stilaan beu.
Zon en maan hebben een pact gesloten. Het wordt lente in maart.Raw?
Ja Tek?
Zin in een glas "Etoile de salles"?
Graag. Heb jij nog iets van Warket gehoord?
Neen. Voor zover ik weet zit hij in de schemer.
Helaba, jullie zijn over mij bezig. De Chinezen kunnen het horen.
Chinezen?
Ja, ik ben er nooit geweest. Ze zien er anders uit dan ik. En nu zwijgen.
Waarom?
Omdat ze hier op aarde zoveel fantasie niet kunnen verdragen. Hoe gaat het in de ruimte?
We zitten in het vagevuur. Nog een lichtjaar of twee en we mogen naar het einde.
En daarna?
Dan keren we terug naar de aarde. Raw wil dan een vogel zijn. Ik het vuur. Jij mag vuurvogel zijn.Raar...nu voel ik een arend in mijn hoofd.
Het kaarslicht danst, verdrinkt nachtvlinders in het glas. Ik raak haar met een handdruk aan liegt de waarheid in een spiegel. In mijn droom zag ik iemand uitbundig dansen op een regenboog met een lied dat in wolken verdween. Daarna leek alles tot ziens.
Het geeft rust om op zondagochtend vroeg op te staan. Verfrist door de slaap buiten gaan en beseffen dat alles om je heen straks wakker wordt; het begin van een dag zien tevoorschijn komen en je daarin laten gaan. Echte plannen hebben we nog niet. Die komen later na de koffie of misschien niet en lanterfanteren we er zomaar doorheen zonder ontbijt, met tijd als enige zekerheid. Of we gaan in de wind door een bos nergens naartoe tot we ons hongerig laven bij onbekenden. Zo zou elke dag moeten zijn.
Pauze, zegt hij.
Kijk, lees en wordt deelgenoot. De kunst om het niet voor de kunst te doen. Alles staat links. Geen diepe zakken en voor de rest discreet versierd. Over die versiering zwaai ik mijn hemdslip uit. Een vrouwenbroek.De inkomhal was gedrapeerd met bordeauxrood fluweel. Op de toog lag een boek waarvan de inhoud mij bekoorde. Ze hadden een decor gemaakt. Achteraan stond een orgel. In het midden van het plafond hing een enorme luchter met gedoofde kaarsen. Toen de voorstelling begon maakten ze het donker. Aan een tafel werd een kaars aangestoken, klom een man als een acrobaat in de luchter en stak hij daar de kaarsen aan.
Uit het publiek werden twee figuranten gekozen. Die zaten aan een tafel. Uit het publiek klonk gelach.
Ik besefte plots hoe die circusartiesten mensen konden vermaken.
Na de voorstelling keek ik opnieuw in het boek. Iemand vroeg of ze het ook mocht zien. Ik had het gevoel dat ik haar al eerder had ontmoet.Aan de overkant laat iemand een wind. Lokgeur voor snuffelaars. Ze schrijft haar verhaal op bierkaartjes. Ik lees niet wat ze schreef. Eerst had ze een kleine foto uitgeknipt en mij wispelturig aangekeken. Verwaarloosde kinderpop met verwilderde blik op de rand van zelfverminking. Ze heeft een verfrommeld kledingstuk aan. Passanten.
VijfuurdertigDe piloot had twee medewerkers met zich mee. Hij stuurde roekeloos het vliegtuig door smalle straten. De vleugels plooiden rond de romp. Soms deed hij een poging om op te stijgen. Als je wil mag je zelf het vliegtuig besturen, zei hij. Ze waren aan het feesten in de cockpit.
De deadline - zes - uur bestaat vandaag niet. Er hangt kilte om me heen. In de keuken tikt de klok.
Welkom in de leegte. Laat ons iets eenvoudig doen. Langdurig een haarspeld bekijken of met de kameel op stap. Iemand suggereerde een cappuccino of zwemmen, maar hier is geen water. Voor een buffet à volonté is het te laat.
Zwijg, lees een krant. Leegte kan je niet beschrijven. Het heeft geen kleur en stinkt niet eens.
Vreemdeling, fluistert iemand door de fiberkabel. Toets-tokke-toets echoot hier. Nu de goden slapen flurk ik een hiernamaalse sigaret. Het kind graait naar vlinders in de papaver met een vlinderstok. Zusje loopt voorop. Ze heeft een gouden kazuifel aan. Het is bloedheet. In de bovenhemel striemen kleurennevels in elkaar. Orphelus lacht. Alles wordt blauw. Ook de ondergrond. De maan barst open.
Hoofdrubriek taal of kletskoek kiezen wordt moeilijk met drie maal vijf miligram fenixomethylpenicilline, Ibuprofen en Dafalgan. Slonzig handschrift oefenen tot de koorts opnieuw stijgt dan maar. Ik ben niet ziek. De dokter heeft zich vergist.
Bedaar nu. Het bot is afgeknaagd. Dop de inkt van de pen en klap deze bladzijde dicht.
Weeral liep ik op versleten sokken naar een belendende ruimte. Tot mijn verbazing zat daar een vriendin die ik lang geleden niet meer gezien had. Ze vroeg of ik karnemelk meegebracht had.
Ik heb de laatste fles leeggedronken, zei ik.
Pas dan zag ik de gaatjes in haar huid waaruit etter sijpelde. Ik wou terug, maar aan de deuropening gaapte een weidse diepte.
vrijdag 25 februari 2011
Brandstofprijs aan de pomp bijna op recordhoogte. Asielmanager trekt aan de alarmbel. Geen teken van leven meer in de Golf van Mexico. Balancerend tussen hoop en angst vieren inwoners van Benghazi hun overwinning op Kadhafi. Hij geeft bin Laden de schuld. Het is smetvrees van de middenklasse hier waar over cultuur, politiek en identiteit gereuteld wordt. Geert mag het weten. A la recherche du temps perdu. Ondertussen Verwent Telenet zijn aandeelhouders. Ik lees dat wielrenners geen oortjes mogen dragen tijdens de omloop. Erger nog, rookverbod op het trottoir. Hallo, mogen we dan nog koptelefoons dragen?
Bob Marley, dat was tenminste nog een vent. Die zocht nooit naar een ander. En toch schieten de krokussen opnieuw uit de grond.
zaterdag 26 februari 2011
Bijna elke ochtend stoot ik mijn hoofd aan een te lage deuropening vooraleer mijn online berichten na te kijken. Alles is stand-by. Ook de schrijfpen blijft nat. Het is immers zaterdag.
Stand-by... klinkt zo slaafs, ja, hoerig zelfs. Net niet uitgeschakeld. Asap is ook zo een uitdrukking vaak gebruikt door commandeurs die zichzelf graag leidinggevende noemen, of "jouw directeur met collegiale groeten".Rimpels in de waterton. Cooper wordt het hier stilaan gewoon ook al loopt hij nog heen en weer van voordeur naar tuin. Soms gaat hij onder de tafel op mijn voeten liggen. Voor alle duidelijkheid is Cooper een hond met lange flaporen en ietwat weemoedige ogen. Voor de rest ruikt hij lekker naar beer. De achterdeur blijft open staan.
Ik log in op een nieuwe weblog. Mijn eigen stijl heb ik al. Nu nog van mijn onbekendheid afgeraken. Oeps, meteen drie populariteitstemmen comme Chez Soi. Ik voel me ongewoon gegeneerd. Vanmorgen had ik mijn allereerste verhaal curriculum vitae geplaatst.
Het regent. Cooper lijkt dat met zijn dreadlocks heerlijk te vinden. Kwistig schuifelt hij door het gras en kijkt me aan zo van: toe nu, maken we een ommetje buiten de tuin?
Maar er is nog die tafel in de kelder die ik uit elkaar moet halen en ik hou helemaal niet van nattigheid tenzij na een feestje groot genoegen overmatig drankgebruik.
Komaan gozer, ik trek mijn laarzen aan. Leer mij hond zijn. Daarna eten we spaghetti.Terwijl vuurvrouw opruimt loop ik als een nietsnut door het huis. Evenveel ga ik in de wind staan in gedachten verzonken. Ik heb zonet een tweede tekst geplaatst. Schrijven is voor mij ook een daad van zelfbevestiging. Ik vraag me af hoe het zou zijn hiervan bevrijd te zijn. Misschien slaat dan de eenzaamheid toe.
Terwijl ik door het glas van de apothekerskast naar gouden ringen van overledenen kijk komt het bij me op dat de vissen nog geen eten kregen vandaag. Ze planten zich razendsnel voort en visvoer is duur.Luie dag. Het enige wat ik doe is niks. Hooguit een kus. Geen loverboyzoen maar een mwoufje in het haar en op haar voorhoofd. Geen geur van een vluchtig parfum maar pure menselijkheid. Het lijkt wel op de zegen van een zondaar maar het is veel lieflijker dan dat. Ze glimlacht. De binnenruimte wordt mij te benauwd. Ik ga buiten zitten in een dove namiddagstaar. Buddha zit er ook tussen de struiken in de wind.
vrijdag 4 maart 2011
Het noorden ligt links van zonsopgang en wanneer ze onder gaat is dat de richting om naar huis te gaan. Dat is het laatste dat ik ooit vergeten zal.
Bijna in de stad heb ik geen zin meer om verder te gaan. Te lang in de zon gekeken, of was het Gerard die ik voor ik vertrok in de krantenwinkel zag? Gerard is zijn hele leven lang zelfstandig stukadoor geweest, en nu heeft hij de kramp in zijn armen gekregen. Hij heeft noodgedwongen gekozen om met een herexamen buschauffeur te worden.
Nu ze kanonnenschepen naar het Suezkanaal sturen ga ik brandhout stapelen. Normaal zou dat gisteren zijn maar het was carnaval. Nooit aan mee gedaan, zelfs niet voor een snoepje. Tezamen zwoegen in het hierzijnmaals met houtsplinters in de vingers. Zij heeft handschoenen aan. Namiddagpijn in de rug. Wedden dat alles in het houtkot kan? Als jij verliest koop je voor mij een glundertaart.
blauwe nevels hebben
geen schijn van kans
in de opkomende dagonthoud jij de zon
en ik de maan
zodat we later
vuurvogels mogen zijn
De winter heeft mij verzwakt. Een wind. Elk ogenblik kan het laatste zijn.
zondag 13 maart 2011
Waar hij overwinterde is mij een raadsel maar hij is terug. Elke ochtend tippelt hij vanuit de schemer naar de koer, kijkt hij mij met zijn gele snavel aan tot ik te dichtbij kom. Dan huppelt hij naar de berk.
Zenuwachtig vliegt hij door de tuin, verdwijnt hij in de haag op zoek naar...Haar heb ik nog niet gezien. Misschien is ze bij een ander of wacht ze tot hij mijn territorium als veilig beschouwt.
Buitenkrijger met wellust voor de neus. Op de buitentafel een glas wijn, tabak en een aansteker. Ik kijk naar het westen. Daar verdwijnt de zon. Het wordt avond. Altijd anders. Het is goed af en toe buiten te gaan. Binnen brandt de houtkachel. Vuur inspireert. Over gloeiende rotsen heb ik al eerder verteld.
Ik lees de woorden en stel mij de mens voor. Een zelf gemaakt beeld dat als een lichtvlek op het netvlies langzaam verdwijnt. Het kon ook ingewikkelder: geen vreemden zijn.
De ochtend was mooi. Ook de terugweg. Het strijklicht komt. Nu wil ik niets meer dan waarnemer zijn.
BOEM!!!
Aardvingers. Het ziet er vriesachtig uit. Wat doen die sterren daar? Nu het zondagavond is maak ik mijn jaszak leeg. Liefdevol aandenken aan Gaston. Bijna vergeten. Wat als ze het gras maaien op de strooiweide? Arme stakker. Net voor ze hem plechtig in de oven schoven leuterde Bram Vermeulen gesubsidieerd zijn testament. De trut naast mij was helemaal nat vanboven. En ik...kon erom lachen ja. Als ik dood ga, huil maar niet, zo van dat soort dingen. Gelukkig was volle- en nieuwe maan erbij en werden we niet uitgenodigd aan de koffietafel. He joe, i'm going down to shoot my old lady.
Het WAS een mooie dag vandaag. Driehondertachtig centimeter grond omgespit zonder een druppel alcohol en maar vijf zelfgedraaide sigaretten. Na de maaltijd MET dessert heb ik mijn lichaam in een heet bad gelegd. Nu ben ik proper en morgen weer vuil met die breekhamers enzo. Vollemaan gaat met vervroegd pensioen, en wist u al, ik niet.
dinsdag 22 maart 2011
Goeiemorgen. Zet u bij aan tafel. Koffie, thee of een glas Courvoisier? Er is nog chocoladetaart met slagroom of wenst u liever een omelet met ham? Het is oorlog hier niet ver vandaan, al valt het niet op in deze lentetuin. Beslissing van een regering in lopende zaken om een bloedbad te vermijden klinkt. Met een antiek jachtgeweer zonder kogels geen afscheid nemen op het slagveld, dat is pas heldhaftig.
In het stadspark kijk ik naar de vrede. Schijnbaar, misschien wordt het boem. Het wordt tijd om verder te gaan We zijn steeds onderweg.
Vind u het moeilijk om een zonsondergang te beschrijven?
Ze stralen witsteen schoon. Sardienenolie aan de schoenen. Nooit zal ik ophouden met wat ik (be)schrijf. Toch komt er een einde aan. Ontleefd. Mijn laatste brabbel. Karig schraap ik de inktkribbels weg.
Halfdonker. Is het de poolster of een vliegtuig die ik zie?
vrijdag 25 maart 2011
Waar is mijn inktvod? Spit...spit...spit. Geen aardwormen in de grond. Een rotte appel voor de merel. Daar is hij verlekkerd op. Het vrouwtje is er nog altijd niet bij. Misschien is ze een vleugel kwijt. Toch maakt hij een nest voor haar, de zonderling. Broeden is moeilijker.
In de winkel bij Adriënne zeggen ze dat het nog te vroeg is om aardappelen te planten. De ijsheiligen moeten nog langsgekomen. Insiders weten het wel. Eigenzinnig doe ik het toch.
Papa, heb jij dat ook? In het weekend voel ik mij gehaast. Alsof de dag tekort schiet aan mijn verlangens. Er is zoveel volk op het dorpsplein. Is er iets te doen?
Ja, er wordt iemand begraven en sta in het vervolg net zoals ik op in de schemer. Dan heb je tijd genoeg. Ik heb het van opa geleerd.
Hij knikt met een glimlach zoals volwassen kinderen dat doen. Dan neemt hij het samoeraizwaard en de krijgsstokken mee.
Zaterdag 2 april 2011
Twee-en-twintig graden. Celsius was een man. Compost. 's Namiddags werk ik verder bij een zoon in de tuin. Zijn vrienden zijn er voor de barbeque. Een vriendelijke groet. Mijn tuinprestatie wordt geapprecieerd.
Filosofen, muzikanten, potentiële zakenmensen en vrouwen met mooie ogen. Ik filosofeer met een van hun kinderen. Hij is vier jaar. Zijn vader is gitarist en gelooft in een god. Elke mens bidt wel eens in het leven. Vandaag kniel ik in de aarde.
Hoe ziet de achterkant van de hemel eruit, vraagt het mensenkind
Die zie je straks als het donker is.
Hij kijkt verbaasd en noemt me opa.
Sterrennacht. Onuitgenodigd zitten we buiten mee aan tafel. Welkom. Zoon en vader gaan unplugged. Ik val bijna van mijn stoel. Wil iemand mijn gehoorapparaten brengen? Ze liggen in de schuif hier zestig meter vandaan.
zaterdag in april 2011
Nog voor het daglicht verdween was het tijd om naar huis te gaan. Ze snellen mij voorbij. Waarom zijn ze zo gehaast? Is het om de eindstreep te doen?
Verbaasd keek ik naar een joggende vrouw met een kinderkoets. Kunnen vogels plassen?
Maak u maar geen zorgen. Ik spaar aardwormen in de grond.
Nieuwe maan heeft een latexjurkje aan en haar lippen rood gestift. Soms ben ik een nymfomane; het is een toffe ellende, lacht ze. Met jou zou ik het nooit doen. Daarvoor ben je teveel vriend.
Voor de ander heb ik nog geen naam bedacht. Tristesse naar de avond toe. Hij kon zo krankzinnig grappig zijn, huilt ze in mijn armen. Ik kus deze vrouw, niet uit hartstocht maar als troost.
Vuurvrouw zit met vriendinnen in de zetel onder een deken. Marcos staat erbij. Niemand het laatste woord. Het maakt de laatste zin nieuwsgierig.
Voorlopig definitief
Woorden kunnen alles. De waarheid spreken, halve waarheden sublimeren of toegestaan liegen. Je kan er dubbelzinnigheden mee maken zodat niemand het nog precies weet. Het houdt het tomeloze in toom. Een sluier om je ogen.
Aan je schaduw zie je hoe laat het is. Zo ontdekte de mens de zonnewijzer. Kan iemand mij vertellen hoe je vuur maakt? Ik zou het graag aanleren zonder lucifers. In ruil leen ik u de bril waardoor ik naar de wereld kijk. Het zal zich afspelen in zone dertig op een bezemsteel. Of laten we visje-stroomopwaarts spelen. Natuurlijk kan dit niet. Alleen woorden kunnen alles.
Iemand buigt over een kind voor een neusje-snuitje. Een lief gebaar op deze overbevolkte aarde. Ook het struikgewas wordt hier waarachtig beschreven. Mijn schaduw wordt driedimensionaal.
maandag 18 april 2011
Koorddansen met een wankel evenwicht. Smak.
Laten we het zomer noemen. De breekhamers maken lawaai. Armschrammen. In deze eelthanden kan geen enkele waarzegster nog de toekomst zien. Naarmate de sloopwerken vorderen moet het gebouw onderstut. Helmdracht is nu verplicht. Beton kraakt niet. Het geeft geen waarschuwing vooraleer het begeeft. Opeens is het plof en worden bezwete lichamen verminkt. Niemand denkt eraan. Dat was vrijdag.
Op zaterdag 16 april verdrijft koffie loomte uit mijn lijf. Nu gaan mijn handen trillen. Nieuwemaan leest aan de buitentafel een boek. Zet u vanavond bij aan tafel. Het aquarium moet weg. De visdragers vragen een kartonnen doos. Breng jij die maar naar boven. Een dweil hebben ze ook nodig.
Bekijk mij niet zo.
Ik heb niets anders te doen.
Met al die tegenslagen blijft ze nog vrolijk ook. Ze inhaleert diep van haar sigaret en zucht. Kan ik iets doen?
Ja, klap de wc-bril naar beneden. Dat vergeet ik altijd.
Stilzwijgen met twee. Zij leest, ik schrijf. Tussendoor lees ik hardop een geschreven zin voor. Dan kijkt ze verborgen geïrriteerd naar mij, zo van...zwijg en laat me verder lezen. Ik zie het wel.
Ze is blij met de naam die ik voor haar uit de hemel heb geplukt. Bijzondere mensen, het duurt een half mensenleven voor je het weet.
En nu plots is het maandagvooravond. Een hink-stap-sprong is dat. Nog een heel eind naar huis. Als iemand de as van mijn lichaam later verstrooit wil ik dat op een zomernacht met veel wind en bliksem. Een heksennacht.
In de arena van intellect vertellen oudere vrouwen hun gelijk.
De gladiator zwijgt...kijkt naar de leeuw.
Quend
17h30: Edoniaa, we reden met open raam. Vanavond chili con carne met rijst. Cooper snuffelt de bermen los.
Door een onhandige beweging valt de inktpot omver. Net genoeg om zeven dagen te schrijven. Wat zich in de huiskamer afspeelt weet ik niet. Cooper blaft.
Maandag 2 mei 200115h30: Vuurbol tussen de bomen. Drie sigaretten met tien blauwe ogen. Wil iedereen uitslapen? Er is zonlicht in de lucht.
Dertien regels geschreven. Tussendoor kijk ik naar de wind in de bomen. Gras staat hier hoog. Mijn ochtendbezigheden maken niemand wakker. Schrijven maakt geen lawaai. Zullen we vanavond binnen eten?
Een einddoel heb ik niet. Alles is een levenslange waarneming.
22h30: Nachtfris. De asbak is vol. Bijna tijd om niet slapen te gaan. Heeft u zin in een sneetje stokbrood met boter en geitenkaas erbij? Van de fruitige wijn is nog een halve fles over. Hier klinkt geen lawaai.
Vandaag klommen zonen in het duingebergte. Dochters bleven achter in het aanspoelende water. Later, in een ondefinieerbaar tijdsbesef had ik mijn hoed opgezet. Morgen kan het evengoed anders zijn. Pas op, de tafel breekt.
Dinsdag 3 mei 2011Zonlicht en ruis in de bomen. Opruimen doe ik niet. Andouillette au canard. Faites dorer pendant 10 minutes à feux doux avec une noix de beurre. Is er iemand in de badkamer?
Neen, de deur is niet op slot. In een werkweek zouden we nu bedrijvig zijn.
“Zie die wolkensluiers om de zon” zegt ze. Er fladdert een koolwitje voorbij. Straks steel ik deze gebeurtenissen en leg ze vast als dienaar van de toekomst.
“Het is bijna te moeilijk” zegt de jongste zoon. Na het eten vertel ik hem over mijn verlangen om een vogel te zijn. “Papa, ik weet het wel”.
Woensdag 4 mei 2011
Croissants ben ik vergeten en de boter is bijna op. Terras in de schaduw. Ik doe mijn gehoorapparaten uit.
22h: Er wordt een cijferspel gespeeld. Te moeilijk voor mij. Ik doe niet mee, maar blijf aan tafel. Serveer rhum en wijn. Af en toe ga ik buiten naar de hemel kijken. Dan hoor ik hun schaterlachen.
Vuurvrouw heeft het spel gewonnen. Het wordt stil. De overblijvers denken na. Er zal altijd een verliezer zijn. De winnaar kijkt mee.
Donderdag 5 mei 20117h: Ik fotografeer hooggras en riet. Ook mijn schaduw.
20h: Sla, pasta, taart…later in het donker een deken om je heen.
Vrijdag 6 mei 2011
10h: Er fietst een F16 voorbij. Hij neemt een bocht. Ik vlieg rechtdoor. Cola bewaren we voor de dochter die geen bloedverwante is.
13h30: Ik voel mij als een roofdier op zoek naar een prooi. Komt het door die droom waarin ik een vrouw verslond toen ze haar lichaam tegen me aandrukte? Daarna kwam de pijn. Roofdieren leven niet lang.
Vuurvrouw knaagt kaas tot aan de korst, zonder mes en vork.
Zaterdag 7 mei 20118h30: De inktpot is bijna leeg. Ik maak haar wakker en vraag waar mijn broeksriem ligt. Had ik beter niet gedaan.
Wat doen we vandaag?
Koffie drinken.Zondag 8 mei 2011
We reden naar huis met open raam. Ik zit terug aan mijn vertrouwde schrijverstafel, buiten ’s ochtendsvroeg. De inktpot is bijgevuld.
Mijn lichaam rust, en ik ga tekeer. Het speelt zich af buiten. Doof met gesloten ogen. Voel de wind. Teveel in mijn kop. Heerlijk om nu naast de bereklauw te rusten. Ik heb mijn best gedaan.
Bij mij werkt het bio. Wanneer ik slaap kom ik in een droomwereld terecht. Of die onecht is kan mij geen moer schelen. Verloren lopen, een lachende kameel...ik vind dat tof.
Een andere beleving, soms ondergronds, of in de lucht. Ooit al gevlogen in een droom?
Zonder vleugels is het adembenemend. Je hoeft er geen inspanning voor te doen. En wanneer het heelal in de mist naar beneden komt met heiligen in luchtbellen...raak ze dan aan, en wordt het stil.
Ondergronds bestaan vuurwoestijnen in mijn dromen. Zelfs de hel is geen nachtmerrie voor mij.
U leest mij. Veel zeg ik niet. Hooguit neem ik u gewild in een poging mee op reis.
Reis
Gisteren was ik met koorts vroeg slapen gegaan en belandde samen met vuurvrouw in een dorp. We waren te voet gekomen. Onderweg had ik mijn zoon op mijn schouders gedragen. Bagage hadden we niet mee. We hadden onderdak gevonden bij een gezin en sliepen boven in een kamer waar een tafel stond. s' Nachts begon mijn zoon luidruchtig te spelen. Er was geen houden aan, zelfs toen de eigenaar op de kamerdeur bonkte en iets onverstaanbaar bromde. Eindelijk, toen mijn grootmoeder uit het hiernamaals in de slaapkamer verscheen werd hij rustig. Ik hoorde mijn vader beneden in vlot Frans met de eigenaar praten. Wat doet die hier, vroeg ik me af. Hij had mijn moeder al meerdere keren verlaten maar in Frankrijk was hij nooit geweest.
De ochtend nadien ging vuurvrouw naar de bakker in het dorp. Mijn zoon en ik maakten ondertussen een groot schilderij dat we beneden in een kamer aan de muur hingen. Toen de dochter van de eigenaar ging plassen gebood ze ons het schilderij meteen van de muur te halen en het behangpapier niet te beschadigen. Tot mijn spijt merkte ik dat mijn zoon het aan de muur had gelijmd. Bovendien had hij ook in zijn bed geplast.
Ik vroeg aan de dochter om bij hem te blijven. Ik wou vuurvrouw in het dorp gaan zoeken. Het was niet haar gewoonte om zo lang weg te blijven.
Eens buiten zag ik op het einde van de straat mijn versleten bromfiets staan waarmee ik nog naar Griekenland was gereden. Ze hadden er de benzinetank afgenomen. Langs een kerk en een voetbalveld kwam ik in het dorp terecht. De mensen verplaatsten zich met kamelen en ezels door de stegen. Het rook er naar mest. Hoe verder ik ging, hoe drukker het werd. Er werd handel gedreven door Afrikanen en Chinezen. Tevergeefs vroeg ik hen of ze geen vrouw hadden gezien met lang zwart haar. Niemand had haar gezien. Ik besloot dan maar terug te keren en liep verloren. Telkens kwam ik op dezelfde hoofdweg terecht die naar de stegen leidde. Wanhopig ging ik op het voetpad zitten tot een kameel me vroeg wat er scheelde. Hij bood me aan me terug te brengen. Hij kende de weg. Dan begon hij te schaterlachen en stoof in galop een helling af tot aan het huis waar we logeerden. Vuurvrouw zat aan de ontbijttafel en vroeg waar ik zo lang gebleven was.
Zaterdag 14 mei 2011
7h: Winddag in opklaringen. Tomaten en komkommers (in verleden tijd kwamkwammers). Die verdomde geluiden om me heen. Vliegtuigen en autogezoem over het asfalt. Toch doe ik mijn gehoorapparaten niet uit, want de merel fluit en een bosduif kirt.
Het heeft geregend vannacht. De slakken hebben malse blaadjes gespaard en keren nu terug naar hun schuilplaats. Ik ga ongewenst kruid wieden.Maandag: Infantiel slipje onder de rok. Net niet kwaadaardig te noemen. Boogschuttersgilde, gesubsidieerd met belastingsgeld. Je weet dat het bestaat.
Duisburg, deelgemeente Tervuren. Snoeikoorts. Geen boomkruin meer te pruimen. De bomen waren zogoed als volgroeid. Ze hebben er stamklompen van gemaakt bij gebrek aan een kapvergunning.14h: Baas in eigen tuin. In de groentenhof ben ik het opperhoofd. Zij voert het commando in de plantentuin. Niet dat ik daarin veel moet doen. Alleen als je de ladder op moet om overwoekerende doornstruiken uit te dunnen, mag ik het doen. Dan toont ze mij eerst kruiden die op onkruid lijken, om te vermijden dat die onder mijn draconische voetstappen zouden verdwijnen.
Bereklauw groeit hier weelderig. Als je hem wild aanraakt wordt elk onbedekt lichaamsdeel rood. Hoe zou het zijn moest je hem opeten? Ik ben nu volwassen genoeg om dat niet te doen.
Een bijna-aanraking, zo intens dat de nieuwsgierigheid ernaar blijft bestaan.
Weeral schrijf ik in het donker. Ik toon mijn handgeschreven woorden om te bekijken, niet om te lezen.
TeefEigenlijk is ze een teef maar ik noem haar hem. Hij blaft.
Het gaat hobbelig vandaag. Middenvinger naar de hemel zonder protest. Hoe zou deze wereld zijn zonder de mens, goddeloos geschreven ... echt.
zondag 29 mei 2011
6h45: Waarom slaap je niet uit?
Omdat ik klaarwakker ben.
Bewolkt, wind en zacht. Ik herstel de pompbak. Het ding staat al weken droog. De sifon komt moeilijk los. Terug in elkaar zetten valt deze keer wel mee.
10h30: In de slaapkamer trekt ze het deken een voorlaatste keer over zich heen. Weldadige zucht. Ik trek mijn zondagskleren aan.
10h45: Bij Adriënne loop ik mijn zoon tegen het lijf. Big smile.
Bij de beenhouwer is geen kat en voor het stokbrood is ook geen wachtrij te zien. Is het misschien crisis vandaag?
Niet aan deze tafel. Ik tel achtenveertig reuzebonen en twee ajuinen. Ook knoflook is erbij. Vier plakken hesp, kaas en vers brood. Schuimwijn is voor straks.
Oei, de zon komt erdoor. De mensen zijn met heer-hemelvaart op reis, wanneer ik vraag waarom de dorpswinkels onderbevolkt zijn.
12h45: Na driehonderdvijftig bladzijden is de pen versleten. Ik pak een nieuwe uit de schuif. Moet nog wennen aan de punt.
Waarom?
Omdat.
Ik zie overal insecten om me heen. Heb zin om met vingers in de aarde te wroeten, straks.
Wil jij ook een proevertje of een gans bord?
Een proeversbord. Het is pikant.
Verslaafd aan het leven. Dat wordt een ontwenningskuur in het vagevuur.
Mag ik even voor jou een passage van vier zinnen die ik net geschreven heb voorlezen?Nu niet. Ik lees een boek. Straks lees ik jouw verhaal.
Laatste bladzijde van het verhaal.
' s Ochtends met een pen tussen de vingers geklemd, begin ik steeds met een weersgesteldheid te beschrijven: bewolkt met opklaringen, droog, zacht en windstil. Daarna schrijf ik een eerste intentie op. Het lichaam zindert in een nasleep van gisteren. Prikkeling in de rechter hersenschors. Links blijft lamlendig.
Heeft u dat ook, een linker en een rechter helft? Je ziet het niet in de spiegel maar je voelt het wel. Sommige mensen hebben een scheef oog. In een gesprek weet ik dan nooit of het links of rechts kijken is. Wanneer ik mijn handpalmen aandachtig bekijk zwaaien de lijnen identiek links naar rechts. Mijn voortplantingslid legt zich naargelang de omstandigheden zowel rechts als links in de broek. Toch nog symmetrie?
Zij leest. Pauze zegt hij. Het is hem niet om aandacht te doen. De storm heeft de lindeboom kaal geblazen. Een zwerfkater bedelt niet. Hij sluipt op een veilige afstand om je heen in afwachting op de buit. Plots hapt hij toe zonder te beseffen dat je het door hebt. Zwarte kater met halve staart overleeft de straat in een schermutseling. Stipt om tien uur stopt de trein. Niemand wil erop. Deze trein gaat verder dan dit land. Een locomotief met één wagon voor mij alleen.
Wanneer ik thuis kom toon ik wat ik geschreven heb en geef ik haar mijn potlood. Een hitparade wordt gemaakt door lezers en niet tussen ons. De alledaagsheid is niet zo alledaags als het lijkt. Verbondenheid in onrust. Een onkreukbare glimlach in een nacht van vallende sterren hoeft niet. Ik leg vast wat was, is en zal zijn in heimwee van de toekomst. Angsten en dwaasheden verbinden ons intiemer dan ooit tevoren. Ik weet precies wie ik ben, maar nooit wat ik wil. Genotzoeker in kleine dingen. Ja, dat wel, en bij elke bladzijde die ik omdraai voel ik mij goed.
Nu is het tijd om de stop op de inktpot te draaien en u als lezer misschien verontwaardigd achter te laten. Daarna omhels ik een boom, of zal ik vollemaan berenklauw noemen?
Tempus futus
Bij de geboorte van onze zonen hebben we hun voornaam bepaald, levenslang.
Vannacht heb ik over twee vrouwen gedroomd. Ze hadden iets gemeen: femmes fatale à passant. Telkens werden we verliefd tot het loslaten een mooie herinnering werd.
Je hoort in dit vagevuur alleen maar vogels. Ik fotografeer zwart-wit wolken in een heldere hemel. Vingerfris. Tempus futus. Drie peren aan de perenboom net zoals vorig jaar. De slakken hebben aan de sla gezeten.
Aan de horizon ligt de stad. Met een lichte keelhoest bij het vertrek motregen op mijn kop. Ochtendspits in de straat. Zweettranen en helder snot.Schrijft men innige deelneming met één of twee hennen?
Met twee ennen.
En is het innig of inneg?
We spreken het inneg uit en schrijven het innig.Katrien?
Ja Eddie?
Met de sleutel die je mij gegeven hebt geraak ik niet binnen.
Heb je het op de twee buitendeuren geprobeerd?
Ja. Ik denk dat ze de sloten vervangen hebben.
Ik zal ernaar informeren. In elk geval is het pas volgende week dat ze de gasklep vervangen.
Ik dacht vandaag.
Dat heb je dan slecht verstaan.Wat zegt postvak-in? Weinig zo te zien. Teamwork, daar draait het om. Mierennest, bijenkorf…zelfs onze tenen zorgen ervoor dat we ons evenwicht behouden.
Aan de administratie vraag ik een nieuwe potloodslijper. Ik ben de enige hier die nog met een potlood schrijft. De anderen doen het digitaal, ook onderweg. De slijper is niet in voorraad en moet besteld.
Gustaaf, kan je mij uw detailopmeting bezorgen?
Neen, iemand heeft het bestand gewist.
De zenuwtrek in zijn mondhoek verraadt ergernis.De kiezel onder mijn voeten halen ze uit rotsen, misschien wel in Vietnam. Raar om over een allochtoon wegdek te gaan. Inheems maaiveld is verdwenen op wandelpaden in het park. Op de terugweg speelt een bruine eekhoorn op mijn pad. Hij schrikt niet, lijkt wel tam.
Cooper heeft wenteltrapvrees. Met hem in mijn rechterarm geklemd, steunend met mijn linkerhand aan de trapleuning, gaan we samen beneden een plasje doen. Hij in de tuin, ik op de pot.
Cooper heeft verlatingsangst. Waar ik ook ga, hij wijkt niet van mijn zij. Ook aan de schrijverstafel buiten in dit ochtenduur verwarmt hij mijn blote voeten.
Cooper heeft zo van die trieste ogen die lijken te vertellen: was ik maar zoals jij.
Cooper inspireert en kan irriterend blaffen. Kom man, we zijn weg. We gaan ergens door het hooggras slenteren. We maken er een hondszondag van.
zaterdag 23 juli 2011
Zondaar in alledagelijksheid. Ik pluk netels, manipuleer chaos in de tuin. Soms slaat een zin als een zweepslag door het hoofd, verdwijnt...maar nooit uit mij. De dag bleef droog. Geen geschuil achter houtstapels. Wilt u een broodje tonijn? Daarna poetsen we onze tanden onder een olijfboom ergens hier voorlopig ver vandaan.
Mijn potlood verkort. Wie schildert nu de wind met hier en daar een spatie blauw? Strikt noodzakelijk is het niet. Bewustzijnsvernauwing kan ook.
Warket, neem er een fruitige rooie bij. Knetter/krispel/pits/spet. Nu zou ik even nog een vrouw willen zijn; als een luipaard klauwen. Voor een ogenblik ruilen. Ik roep de roedel wel bijeen.
Vokaal slaat de tijd bing-boem-bang. De kerkuil schrikt er niet meer van. Hij is doof en blind. Ik vang muizen voor hem. Een duimreuk. Daarna mag de aarde botsen met een komeet. Niemand valt eraf. Nog even en het wordt nacht met daarna een speciale dag. Hoe ver is het nog? Het is pas halfvier.
Radijzen
Ontheemde wereld.
Corruptiezaak deert Bellens niet//EU vreest voor copycats van Noorse aanslagen//inflatie op hoogste peil in drie jaar tijd//hongersnood in Afrika krijgt weinig respons//impasse rond Amerikaanse schuldencrisis//minstens 22 doden bij aanslagen in Afghanistan//elk uur verdwijnt iemand in SyriëHet weer: zwaarbewolkt maar het blijft droog.
Rechtover worden studio’s verhuurd. Verlaten stad. Hier en daar nog studenten met herexamens. In dit ochtendvocht worden terrastafels vertraagd buiten gezet. Een blinde laat zich leiden door een veel jongere vrouw. Hij loopt voorop, tastend met een witte stok. Zij haar hand net boven de plooi van zijn arm geklemd. Vreemd, het is vrijdag en de marktkramers zijn er niet. Ook de deuren van de Sint-Pieterskerk blijven dicht. Bussen heb ik ook nog niet gezien. Zou het kunnen dat iedereen in staking is of is het troebel troef?
Monsieur, je voudrai faire pipi.
Oui- oui, pas de problème.
Fermé?
Non, ouvert.
Leeft Madonna nog en waar zijn de radijzen? Een borstvergroting blijft nog twee weken in de aanbieding. The rain song kleppert. Broodje belegen kaas? Ja, op voorwaarde dat er boter op is.
In dit modern leven blijft de condor krijsen, zie ik nog steeds mierennesten in de grond. Beestachtig. Ik scharrel patatten en zaai er spinazie rond.In de grond van de Sint-Jacobskerk ligt een patersrib.
Papa, rustig blijven. Ik los dit wel op in de loop van volgende week.
Kan het niet nu meteen?
Misschien.
9h: Een-vierde emmer slakken uit de groenten geplukt. Ik gooi ze in een achtergelegen bos. Ze fretten alles op.
Rond halfdrie is het tijd om naar vrienden te gaan. Vuurvrouw heeft citroentaart gemaakt, nieuwemaan suikertaart en die ander kocht iets op de hoek in een chique patisserie. We hebben ook wat lavendel mee. Waar blijft de cava? Zon schijnt onaangekondigd. De namiddag wordt hier geplukt. Altijd te veel. Nieuwemaan gaat wanhopig onbeschaafd door de bocht. Marcos valt op zijn stoel in een diepe slaap. Zo ziet hij er weerloos uit. En dan plots na enige tijd komt hij langs de dampkring terug, knijpt hij in mijn schouder om zijn vriendschap te tonen.
"Dit is mijn familie", krijst nieuwemaan naar haar dertig jaren jongere vriend.
23h: Het is nu tijd om weg te gaan. Thuis bakken we nog een spiegelei en eten we als surplus een haring met mayonaise. Daarna de slaap. Tijd gaat niet meer te vroeg. Neig, elk moment verandert constant, en als ik eerlijk toegeef...daar gaat het om.
Vrijdag 13 augustus 2011
Met vertraging de Borstelstraat in. Er staat een vrachtwagen van Leo Verheyen mortel te spuien.
Kan ik u met iets helpen mijnheer?
Wablieft?
Kan-ik-u-met-iets-helpen-mijnheer?
Nee nee, ik ken de weg.
'Geen reklame' staat op de brievenbus. Gaat het wel goed met me? Voor alle zekerheid bekijk ik mezelf in een etalage en zie niets verkeerd. Chocolade! Dat is het. Ik heb vandaag nog geen chocolade gegeten. In de Diestse straat verkopen ze pure fondant. 'Diestse' lispelt op de tong. Ik zet een zonnebril op. Toner heeft weer graffiti gespoten: 'Ik heb kanker'. Ook hij is een schrijver. De vrachtwagens toeteren mijn geslof langs het oranje licht. Treuzelaar in de dag. Ik bel naar vollemaan.
Mag ik op de terugweg langs komen?
Ja graag maar niet te laat. Marcos heeft morgen de vroege.
Ik vertrek nu. Nog voor het donker is doe ik tokke-tokke-tok. Tot sebiet.
Dakloos plas ik een vrijheidsgevoel over de grond.
23h: Het is tijd om naar huis te gaan, zegt ze.
Nog één keer. De rest zien we later wel. Kijk naar mijn troebel handschrift want het is verbonden onderweg.
Neen, het is zattemanspraat vandaag.
De maan schijnt de wolken door. Ergens in het veld val ik laatnacht in slaap. Het spijt me te doen wat ik niet laten kan. Mijn middelvinger gaat NOOIT omhoog.
Zondag 7 augustus 2011
Oost-Vlaamse grootgrondbezitters, veehandelaars, preikwekers. Lelijke villa’s aan de straatkant met achteraan betonnen hangars afgedekt met golfplaten. Hier wordt veel geld versjachert. Het land van Bart zonder frietkoten. Ik trap twee slakken plat.
Schrijvers en fotografen zijn voyeurs met een alibi, schrijft Stephan Vanfleteren in de morgen. Een beroep met het recht en genoegen om anderen te bekijken overal en altijd. Of zoals Ann De Craemer in haar column schreef: degenen die me zeggen dat ze schrijver willen worden, kan ik nooit serieus nemen. Geef mij dan maar de mensen die schrijver zijn zonder dat ze het zelf beseffen.
Nieuw dagboek. Het vorige begon op zaterdag 30 oktober 2010, in potloodschrift naar het winteruur. De aanleunkater was op visite. Om tien uur begon het te regenen. Nu, bijna een jaar later, zit ik nog altijd aan deze buitentafel te schrijven in een kladschrift met hetzelfde formaat. Alleen de kaft heeft een andere kleur: zwartbruin.11h: Namaste is de naam van een Nepalees restaurant waar we gaan eten. De wind waait het kladboek open.
13h: Ik parkeer de wagen daar waar het niet mag. Als ze ons betrappen een boete die we niet betalen. De Nepalees is dicht. De Spanjaard dan, op het terras in een smalle winkelstraat. Bij vierjarige tafelwijn het vlees van de rank knagen met vettige vingers. Van de wijn mag ik als eerste proeven. Goedgekeurd.
Papa, heb je al ooit geweigerd?
Neen, nooit. De wijn was altijd goed.18h: Zomervliegen maken een wijnglas bitter. Er komt een donkergrijze wolkenmassa op ons af. Dichters worden er online weemoedig van. Waarom wil men steeds die blakende zon in saaie windstilte?
Ik heb geen god nodig om de natuur te verklaren. Het regent pijpenstelen. Welkom in de Sahara. Uitdijende kringen in waterplassen, dansende boomkruinen, verschrompelde bereklauw, druipende druivelaar…wat een schoonheid. Hoezo depressie? Kijk naar de regenglans op een courget, een overlopende waterton. Alles is drinkbaar hier.
Zal ik een broodje ham in de oven zetten?
Niemand heeft honger. We doen het voor de gezelligheid.
Lang niets meer van Vera gehoord. Vera schrijft op een blog. Net zoals ik is ze niet meer van de jongsten. Ik begin haar kortverhalen te missen of is ze een hij? Maakt niet uit. Eigenaardig dat sommige schrijvers zich op de duur aan mekaar in afstandelijkheid gaan hechten. Woorden onthaasten niet. Duurzaamheid van het geschrevene.
Zijn de broodjes al klaar? De bakgeur zwalpt naar buiten.21h: Gestrande wolkenhemel. Onzichtbaar langzaam zoeken ze een weg. Mijn vingers heb ik onder controle. Nachtvlinders straks.
Zondag 14 augustus 2011
Ik heb gedroomd dat ze me pestten op het werk. In een warenhuis klom ik in een kleerkast. Mijn werkgever vroeg waarom ik niet op het werk was. Ik heb een ladder nodig, antwoordde ik. Je bent een dag te vroeg met verlof.
Ontbijt met gebarentaal.
“We moeten onze vrijheid beschermen, niet onze veiligheid. De prijs voor de vrijheid kan nooit zijn die vrijheid aan banden te leggen”. (Anthony Grayking, schrijver en filosoof).
Voor ik aan iets begin zeg ik het luidop. Ik ga naar het toilet, ik ga mijn tanden poetsen, ik ga naar de bakker…zelfs vanop de wenteltrap zeg ik: ik ga slapen. Ook tussen nacht en schemer fluister ik half in slaap: ik ga beneden plassen. Is het de onzekerheid om de weg niet meer terug te vinden in wat ik ga doen, eenmaal bezig? Van mijn vader wist je het nooit. Die zweeg en zei pas achteraf wat hij deed.
Zonder zwaluwen gaat deze zomer nooit voorbij. Ik ga zwaluwen zoeken, zeg ik tegen u. Teveel nesten bleven onbewoond. Ook herinner ik mij waar en wanneer onze oudste zoon werd verwekt: buiten op een plaats waar het licht ’s nachts niet onderging. Geen enkele handeling was onecht. Toen waren we het nog gewoon om tegen onszelf te praten. Jonge kunstenaars met weinig goesting om eindeloos te observeren.
We hebben op deze korte afstand toch tijd genoeg.
De wind blaast storm onder de zon. Af en toe een korte stop. Zij zoekt de weg. Ik volg. Alleen op een berg blijven we staan, onderweg naar de eindstreep waar alles begon.
Bonjour sejour
5h30: Ik kijk haar aan terwijl het daglicht langzaam de nacht verdrijft. Oneindig voor een mensenleven staat ze daar. Door de oermens aanbeden. Geliefd bij weerwolven en vampieren. Bezongen door poëten en verliefden. In al die tijd is haar pokkig gelaat onveranderd gebleven. Zelfs wanneer dit tijdperk fossileert zal ze een verschrompelde aarde beschijnen.
Wat doen we vandaag?
Pruimen plukken. We maken er confituur van.
Dan trek ik versleten kleren aan. Bonjour sejour.10h: Belgisch kampioenschap tijdrijden. De eindstreep ligt voor de deur. Bruin glimmende gebalsemde in fluorlingerie. De renners warmen zich op met vederlichte fietsen. Zal ik gaan kijken vooraleer ik de ladder tegen de pruimelaar zet? Het samenhorigheidsgevoel van een coureurfestival bestuderen. Even maar tot de drukte mij begint te vervelen.
13h: Ze sjorren ze als pas afgeschoten pijlen voorbij. Dit zijn professionals. Straatkoersen deed ik in mijn jeugd op een schamele fiets. Je kunt de littekens nog zien. Spierkracht, uithoudingsvermogen, behendig controle houden...ik zie het bij deze coureurs opnieuw. Lang kan ik er niet naar kijken. Die hamburgertenten, het volk erom heen doen mij panikeren in een "ze kijken naar mij" gevoel.
16h: Ik knip de romantiek van een doornstruik tot compost. Voorlaatste handeling in deze dag. Straks eindigt het omgekeerd zoals het begonnen is: van licht naar donker.
Zaterdag 20 augustus 2011
Goedemorgen Augustinus. Ik heb in een baldadig moment gisterennacht mijn tabak en zonnebril vergeten. Vandaag knip ik speciaal voor u fragmenten uit mijn leven. U zal deze woorden nooit lezen in dit vergankelijk bestaan. Net zoals gij doe ik niet alsof. Daarvoor is deze oase in het heelal te mooi. Weet u, er zitten vrienden van mij in het niks waar ze niets van begrijpen. Mijn kameel is door een verslaving overleden en Tek heeft ondertussen de vuren gedoofd op de maan. Onderweg knijp ik leemgrond door mijn handen. Augustinus, je begrijpt augustus wel.
La perle des encres, noire administrative. Monsieur Herbin, gepassioneerd door pennen en inkt. Un beau noir inaltérable.
Leegte opschrijven. Ik ben er zuinig mee. Eigenaardig toch, die handbeweging. Meer schilder dan schrijver.Rond achtuurdertig is ze blij met twee Afrikaanse potten als verjaardagscadeau. Achtentwintig. Een vriend van hem herstelt een uitgewaaide deur. Een ander komt even niksen. Ik voel me zo blij met die jongvolwassenen die ik zag opgroeien.
17h30: Je ogen zijn verbrand.
Dat komt door de zon. Mijn lichaam gloeit. Het doet geen pijn.20h: Een achtenzeventig jarige man spreekt Russisch tegen mij. Zijn zoon vertaalt.
Ik zet kaarsen buiten en braad een stuk vlees halfrauw. Een vriendin drinkt wodka in het geniep. Wanneer ik de wc deur open doe trekt een vrouw verschrikt haar slipje op. Sorry, ik had moeten kloppen op de deur.
Ik ken je door en door, zegt iemand.
Niet waar.
Ik lees je verhalen. Nu hij in het hiernamaals is mis ik hem, zegt de jonge vrouw.
Ik weet het. Ik heb je vader lang gekend. Hij was mijn beste vriend, ook toen hij iedereen buiten gooide. Ik had iets geschreven over hem. Net voor ik het mocht voorlezen ben ik uit het dodenhuis gevlucht. Het spijt me.
Geeft niet. Zij heeft het voorgelezen en je naam vermeld. Ik heb het bewaard.
Stoort het u als ik het in twee minuten begrijp? Goesting in drie seconden kijken. Kom, je zit werkelijk naast mij.
Rond middernacht krijg ik een ingeving en vraag een potlood met papier. Nog voor ze het brengen ben ik het alweer vergeten. Ach ja, ik heb mijn best gedaan in goed gedrag.
Dinsdag 23 augustus 2011
Politiek is een rotte wereld, zei ze nog. Vannacht heeft het onoverdreven gedonderd. 's Ochtends kropen slakken over tafel. Ik heb slecht geslapen.
Uren later werd het vreemd donker en beukte een stortregen tegen de deur. Ik wachtte op Katrien, maar Katrien was nog met de burgemeester in gesprek. Ik ga wat noodzakelijke vaststellingen doen in opklaringen nu. De steiger is nog nat tot de derde etage. Witsteen glinstert. Niemand weet wat ik doe, en als ik het niet doe weten ze het allemaal.Eigenaardig deze windstilte. Niets beweegt. Ik ben je tegengekomen vorige nacht in een droom. We deden alsof we mekaar niet kenden. Ga zitten, luister naar je oorgesuis en schrijf alles op. Gedraag je vandaag.
Cooper is eergisteren met vakantie geweest. Ik haal zijn drol uit het gras. Daarna moet de bruidsluier uit het dak. Eerst honger stillen met rundslever. Indianen aten het warm-bloed-rauw nadat de bizon door zijn poten zeeg.
Ladder staat tegen dak. Wind komt er zo aan. Een bloedspin spurt.
Dinsdag 30 augustus 2011
Ik hoor stemmen om me heen. Feestgangers verbrijzelen het vensterglas. Een vrouw met vleugels in feestkledij komt dichtbij. Ze schreeuwt haar naam. Een lispelende roep, ik wist niet dat het bestond. Ik kijk in het donker naar digitale cijfers van een klok. Het is pas halftwee.
Later ruik ik haar parfum. Een expert neemt de schade op. Plots besef ik dat dit geen droom kan zijn. Het hoofdkussen en de adem van vuurvrouw zijn zo dichtbij.
Ineens is het vijf uur, tijd om op te staan. Suikerfeest. Het avontuur prikkelt mij, schrijft een schrijfster. Ik zweer bij alle hemellichamen dat alles tijdelijk is. Ik ga pas met zonsondergang naar huis.
Drievier september 20111
Snikheet. La route de grand cru. Op de heuvels bevinden zich kastelen van wijnboeren. Bourg-de-Thiay. De jonge vrouw ziet er wat simpel gemeen uit. Het spreekt me aan. Eten wordt hier pas opgediend na negentienuurdertig. Eerst een Ricard met een glas wijn nu het verkeer nog zoemt. Nemen we na de maaltijd een dessert en pousse-café erbij?
Zie die kokette meisjes en jongens met gel in het haar. Dronkaards zijn er niet bij. Ondertussen is het donker geworden maar er is nog voldoende straatlicht om te schrijven. Soms zie ik hier uitzonderlijke taferelen om in een nog resterende tijd vast te leggen. Het kind met een roze jurk dat over een voetpad spurt in het oranje schijnsel van straatlicht. Het blijft een uitdaging om wat op het netvlies valt te beschrijven.
Wat reizigers aanspreekt is dat geen enkele dag dezelfde is. Aanvankelijk heb je een plan. Naargelang alles verloopt zijn het omstandigheden die bepalen.
Zo kwamen we in een vergissing op een chaotische snelweg terecht. Claustrofobie is het niet, maar we wilden er zo snel mogelijk af.
Zondag 4 september 2011
8h: Stortregen in de Provence. We drukken het gaspedaal naar de kust. Zouden we dat wel doen? Stel je voor dat de zee overstroomt. Kom, dit wordt een Bourgondische dag in Sausset Les Pins. Kijken naar voorbijgangers. We geven hun een score. Een tengere Afrikaan met prachtige jukbeenderen en mooie ogen, Aziatische vrouw alla femme fatale, trutten en overbejaarde blondines. Naar onszelf kijken we niet.
Ik kijk naar het zilver op de zee. Mijn rechter voet is door een schaafwonde ontstoken. Het kwik daalt naar dertig graden Celsius.
De tandenpoetsbekers hier zijn van glas gemaakt. Raar, er is geen eb en vloed.21h: Bij de golven streelt hij over haar wang. Zij geeft hem een kus. We kijken ernaar als een herinnering. Ooit zal dit meisje een oude vrouw zijn en uiteindelijk sterven. Ook hij zal dit leven niet overleven.
Zie hoe mooi de maan haar licht verspreidt over de zee. Ik had het niet gezien. De zee zwijgt nooit. Ik kijk nu naar het ritme van aanspoelende witschuimgolven. Een geluid aan de rand. Morgen wacht ik op zonsopgang. Zien dat ik haar niet te vroeg uit haar dromen haal.
Maandag 5 september 2011
6h30: Het wateroppervlak wordt zichtbaar tot aan de horizon. Nog tien minuten…wordt het contrast tussen zee en lucht een feit. Meeuwen beginnen dan aan een vlucht. Dan maak ik haar wakker voor een ontbijt. Schitterend licht. Geen werkdag voor ons. Hier fluisteren mistralwinden tot Suze la Rousse. Op een vlak van vijfentwintig vierkantenmeter liggen vier vrouwen en drie mannen in de zon. Hollanders. Ik doe mijn gehoorapparaten uit. Proef van een wijngaarddruif. Daarna laat ik een wind. Suust, er zijn nog andere mensen hier.
Dinsdag 6 september 2011
Ik had het lijk van haar vader uit de kist gehaald en in een beerput gedumpt. Ondertussen drinkt een bejaard koppel zuinig een pint. Jaren later kreeg ze argwaan door de stank en kwam ze het te weten toen ze het deksel optilde. Dat was onconventioneel van mij en toch had ik niets verkeerd gedaan.
Vanuit een wijngaard kijk ik naar de zonsopgang.Voordien wandelde een man met een hond in de schemer voorbij. Gisteren keek ik in een gesprek naar haar borsten half verscholen in een decolleté. Bij haar hoef ik niet te gluren. Onder ons is alles toegestaan. Zoveel fragmenten in deze dag waarvan ik dacht: dit mag ik niet vergeten. Hoe laat het nu is blijft een vermoeden. Het is donker. Ik leg nu mijn pen neer en kijk naar de sterren tot mijn lichaam verkilt.
Woensdag 7 september 2011
Je moet op mij niet wachten. Ben wildfietsen aan het doen. Ik eet wel een croissant onderweg
Ok, maar blijf niet te lang weg. Waar blijf je?
Voorzichtig ga ik voor de eerste keer het zwembad in. Zal ik daarna de tafel dekken?
Et maintenant un double expresso avant le départ. Bon après midi. We kopen twee jeansbroeken in Avignon. Het pashokje bevind zich op het eerste verdiep. Slenteren langs de avenue. Op een binnenplaats een strijkje parfum. Lang geleden niet meer gedaan.
Belgische krant gekocht met enige nieuwsgierigheid. Nog altijd geen regering…enzovoort.
‘l Enfant terrible. U merkt het wel.
Spiraal 1000
Ik zie niets...en u hoeft me niet U te noemen. Nu zou het zichtbaar moeten zijn. Avondgroet. Vreemd, ik heb u maar een keer ontmoet.
Een mensgeworden gedachte. Laat de tijd zichzelf zijn. Ik proost niet meer op duurzaamheid in een heidense gedachte. Indianen overleven allang in reservaten en nomaden vragen om asiel. Alleen gedierte is zichzelf gebleven. We konden evengoed stenen zijn.
Waar ben je? Ik heb de kelderdeur open gelaten. Ondergronds is het windstil. Je bent een groter krijger als ik. Raak beneden de spinnenwebben niet aan in de stoffige ruimten. Ze hebben een naam. Daar voorbij komt u in mijn dromen terecht.
Bij de papaverman krijg je gratis purperen bloemen mee die je beschermen tegen demonen. In de savanne graast een paard dat een tovenaar mij geschonken heeft. Het verjaagt woeste stieren op voorwaarde dat u het lief hebt. En als je in deze chaos verloren loopt, roep dan Ludovicus. Hij heeft een scherp gehoor en kent de weg terug naar de kelderdeur. Op mij kan je niet rekenen. Ik ben echt.
Maandag 19 september 2011
Bronzig zonder groenten in de maak. Hallo, ga ik de ondertiteling ook al anders interpreteren? Er stond geschreven: “Regering zonder groenen in de maak”. Artikel 2003001 PO 3765 staat op de binnenkant van mijn fietszak geschreven. In het hoofddeksel dat ik draag tegen zon en voornamelijk regen hebben ze drie stoflapjes genaaid: wit-zwart, zwart-rood en blauw-geel. VITERT/V6/OUTER FABRIC/POLYESTER 65 procent, Cotton vijfentwintig procent. Dit is niet eens digitaal. Je leest het pas wanneer het versleten is. Kijk, de vier weduwen dagen weer op met perfect witgeschoren poedels. Fifi en Kiki moeten pipi doen. Een vierde loopt er als een ongelukje bij met een bruine vlek op de bil. Verschroeid. Slenteren doen deze dames niet. Dit is pas strompelen in een nuchter zijn. Waar is dat feestje? DAAR is dat feestje. Oh, wat is dit een cliché. De schuld van een ochtend die nooit te vroeg kan zijn. Nu gaat het in tweede versnelling bergop. Ik beschrijf het met een muntje in mijn bek. Ondertussen liggen er al kastanjes op de weg. Ook de patatten zijn rijp.
Weet jij waar mijn onkruidtwijfelaar ligt?
Neen.
Donderdag 22 september 2011
Vanaf één uur om het uur wakker worden. Telkens val ik opnieuw in slaap. Ik loop met een collega hand in hand. Ze heeft een badpak aan. Dat is vreemd. We zoeken naar een zonneplaats. Daarna breekt een oorlog uit. Mijn zonen moeten mee dit land beschermen. Ze hebben een schietgeweer zonder kogels mee. “Zonder munitie heeft het geen zin wat jullie gaan doen” zei ik nog.
Toen ze sneuvelden ben ik zelf naar het slagveld gegaan met een mensenrib in mijn hand voor een man aan man gevecht.5h30: Een beetje motregen met een spiegelei. Geen gewoonte in dit vroeguur. Wind in de buik van die groene kool gisterenavond net voor het slapen gaan. Langzame ochtend. Vertrek om halfzeven langs de straat.
7h30: De straatverlichting heeft zichzelf gedoofd. Bewolking wordt dunner. Waar ligt de grens? Een uitdaging om te beschrijven, maar niet onderweg. Ik wil vandaag overwerk doen.
Onderweg film ik een kalf dat aan uiers slokt. Moeders loeien luidop alsof ze de weide beu zijn.10h: Hoe gaan we de ramen plaatsen? De architect staat er beteuterd bij. Over de vloerafwerking heeft ze een ander idee. De eerste steenlegging gaat deze week niet door.
12h30: Kleine Afrikaanse schotel. Pikante saus. Rechts van mij, op een meter of twee, eet een vrouw pizza Napolitane. Ze is jong en mooi. Alle leeftijden zitten nu aan tafel. Noordafrikanen en Egyptenaren eten hier friet. Soms kom je in de realiteit terecht. BIJNA MET EEN BUIKGEVOEL. Ben ik de oudste hier?
De deur staat open. Hier is geen ventilatie.
In het verlaten stadhuis maken ze een trappenhal. De arbeiders hebben een stofmasker en oordoppen aan.
Katrien heeft mijn foto’s van een vervallen kerk vandaag nog nodig. Onderweg zet ik altijd een zonnebril op, ook als het bijna donker is. Het geeft contrast.14h: De kermis is hier vlakbij. Negen smoutebollen voor drie-euro-en-half. Vorige week kreeg je er zeven voor. SOLDEN.
Youssef is vader geworden. Een meisje. Voortaan werkt hij niet meer op zaterdag. Het kind heeft last van bronchitis.18h: Een man met lange regenjas zoekt kruiden in het onkruid. Af en toe proeft hij ervan. Nog voor ik kan vragen waarom hij dat doet verdwijnt hij in het struikgewas. Ik fiets naar huis. Halfweg zie ik dat niets beweegt.
21h: Ik heb onzin met eenentwintig woorden geschreven. Niemand mag het lezen.
Septemberkind, ik blaas wat adem mee met de wind, speciaal voor jou. Geen goesting vandaag. Mist. Spijbelen in wereldbedrog. Aan deze kiezelweg komt niemand voorbij. Voorspel jij het hiernamaals. Ik geef je mijn bezemsteel.
Sterren
We zitten onder een sterrenhemel en niemand kijkt ernaar. Wanneer ik zeg dat we met een duizelingwekkende snelheid door de ruimte duiken en dankzij de zwaartekracht op een stoel blijven zitten kijkt niemand op. Toch schrijft iemand met een splinter in een vinger over struikgewas.
Wedstrijd om de grootste pompoen in dit dorp. Sociaal leven met een flik erbij. De straat is zelfs afgesloten. Waarom sluiten ze straten niet voor altijd af? Bijna had ik het woord "eeuwig" geschreven.
"De bladeren zijn nu zo gevallen dat er niets meer aan de takken zit om over te schrijven, en als ik niets meer kan schrijven dat beter is dan het beste dat ik ooit geschreven heb, dan hoeft het van mij niet meer. Als ik maar met een fractie van het genoegen waarmee ik geschreven heb, gelezen word, dan ben ik gelukkig." zei Hella Haasse een maand voor haar dood.
Bonen en spek samen met Marieroosblondel. Dit lijf heeft honger. Alleen een tongkus in een schemerwereld kan ik nu verdragen.
Als lezer ruikt u mijn maaltijd niet. Het uitzicht blijft voorlopig normaal. Thuisloosheidsgevoel is er niet. Kijken in het echt en de wereld herdenken in een rare manier van zijn. Eigenlijk mogen woorden deze onmiddellijke omgeving niet vervagen.Waanzin aan het woord. Een schaap dat blaft. Ogen zijn wondermooi, maar wat heb je aan een verborgen glimlach?
Dit seizoen bloedt langzaam dood. Eeuwige stiel van het leven. Erop of eronder maakt niet uit. Breng die rozen maar naar een ander. Show maar beste medemens, over een laagje zand.
"Papa!" roept iemand tegen een aardappel. En waarom ik dit schrijf? Omdat het niet anders kan.4h45: Op f.b. is er al bedrijvigheid. Ochtendmensen of nachtuilen? De grond is dichtbevolkt met aardwormen en duizendpoten. Alleen slakken nijp ik dood. Hier zitten wel honderd spinnen zonder web in het struikgewas. Geharrewar. Er zit iets onzichtbaar op mijn arm. Windstil. Had ik al eerder gezegd maar nu schrijf ik het over een vuile duimafdruk op een andere manier. Wanneer het daglicht verschijnt schraap ik modder van mijn botinnen met een aardappelmes en wacht tot inktschrift in het zonlicht blinkt.
De dageraad gaat nooit onder. Meestal zie je dan nog de maan. In een ander werelddeel ligt ze op haar buik. Hanen kraaien daar net zoals hier.
Met de fiets zonder jas in knalgeel. Bijna botsing. Aziaten fietsen je ruggelings rechts voorbij. Een soort onrechtmatige voorrang van rechts. Ik ben links gewoon.
Witte stadsduiven zijn zeldzaam. Toch zit er een op de balustrade van een brug. Leve de vrijheid. Reclame op een T-shirt.Beruchte tenenzuiger gearresteerd. Bankiers kampen met slecht geheugen. Naamloze binnenwereld. Leslie schrijft met enig respect dat liegen een vorm is van creatief intellect dat grote discipline vereist. Oppoetsen van de werkelijkheid. Vrouw met blauwe sluier. Ze slaat haar ogen neer wanneer ik haar bekijk. Chinees met een wandelstok. Bussen bepalen het stadslawaai. Metro’s hebben ze hier niet.
lagen we als onbekenden afzijdig als slangen in een mysterie aan elkaar gekleefd
als ik haar kus zegt ze: zo heb ik niemand gekend
beneden is er een groot feest aan de gang
de genodigden zijn bekenden
de kinderen slapen buiten met een roofdier dat ik meegebracht heb
overspelig zat mijn vader in het vroege uur nog aan een glas cognac te nippen
terwijl ik zei: overdrijven we nu niet?
in feite konden we mekaar niet verstaan in onze dovemansoren
ik miste iemand die niet gekomen was
dan was plots het feest gedaan, sliepen de bekenden
zat ik met verlangen in een meedogenloze ruimte
kwam er vuur uit de hemel
en ging ik met de kinderen ondergronds
Poëtisch verdwaald schuur ik het grafiet van een losse punt. Zachte potloden zijn fragiel. Na elke zin schuur ik wat bij. Punt, kom niet los. Derwent Graphic uit Engeland. Met geduld en liefde ga je ermee om. Het is licht- en waterbestendig. Je kan er vluchtigheid mee schilderen.
Ik heb tijd nodig om te denken, te registreren en te falen. Silhouetten van een niet alleen menselijk bestaan. Zelfs de dood heeft hierin geen haast. Ik had gedacht hier helemaal alleen te schrijven, maar iemand komt op de bank naast mij zitten. Ze leest een boek. Gelukkig spreekt ze me niet aan.
Vorig jaar heeft het geregend van eind augustus tot november en toen is het beginnen sneeuwen. Nu een herfst met zomerbenen. Een zomer die dacht dat het herfst was, schrijven ze in de krant. Een winterdepressie heb ik tot nu toe nog niet gehad.
Moeders lijken alsmaar jonger te zijn. Vertederd kijkt ze naar haar kind alsof de rest niet bestaat. Een interludium in het leven.
Die joggende gezondheidsfreaks storen mij. In hun haast kijken ze je aan zo van: "Die ouwe is nog niet gestopt met roken". Het zijn geen voetstappen meer. Is hier een wedstrijd aan de gang?
18h30: Mijn terugwegbank is vrij. Niemand gaat erop zitten. Ze is bouwvallig en vuil. Telkens helemaal alleen voor mij om naar voorbijgangers te kijken. Het was heet vandaag in de buitenlucht. Nu heb ik zin om in avondkilte naar huis te gaan. Eerst kijk ik nog even voorbijflitsende meisjes na.
Oktober 2011
U proeft het zout niet aan mijn lippen. Deze dag wordt een warme aanpak van frisvochtigheid. Het is dierengedrag. Rechtstaand lopend zoogdier in de werkelijkheid; vogel in dromen. Cooper ligt dichtgevouwen in een hoek en het ruikt hier goed. Worden zorden geschapen nadat het vruchtwater breekt. Is er een dierenpsychiater in de buurt? Geel-ukig zijn er de bomen nog.
Geloof jij in god? Een idee dat ik aan een vreemdeling vraag.
Ik ben mijn eigen god.
Ik begrijp het geluid niet eens.
Vriend, ik heb een patersrib om bladzijden in de wind op tafel te houden. Een voor mij niet vreemd geluksgevoel, nu ik weet dat gij een steen vanuit het gebergte voor mij meegebracht hebt. Ik ga hem naar uw naam noemen. Wij weten dat men pas iets vindt wanneer men er niet naar zoekt. Zo was het ook in die jaren geleden. Ik verheug mij erop hem in alle seizoenen op mijn schrijftafel te hebben of is het een zij?
Terwijl ik deze tekst met een potlood in mijn kladschrift schrijf valt er een herfstblad niet eens verkreukeld in mooie kleuren op deze bladzijde. Voor de zoveelste keer in een nieuw seizoen pleeg ik plagiaat op mezelf door het opnieuw te beschrijven. In geen enkele herfst is het kleurenpakket hetzelfde. Toch rukt de wind hetzelfde herfstblad aan zijn/haar verzwakte stengel los.
Maken we een molotov coctail of zullen we kruid wieden vandaag?
Hoezo...is het zondag? Ik heb de bereklauw pas in de haag gezet. Mijn vader is jarig.
Neen, dat was verleden week. Ik bedoel ...laten we ergens onmogelijk gaan eten bij een ezel. Bij de Italiaan. Hebben we daar goesting voor?
Jaa!!!!! Kikkerbillen staan daar nog altijd op het menu. Laurel en Hardy, kitch vanuit de jaren zeventig, niets veranderd. Ook de patron is herkenbaar gebleven. Een ossobuco voor mij en pasta voor jou.
Er zit iets in mijn vingers. Schrijf ik dit foutloos op? Kijk mij niet zo angstaanjagend aan. Nooit een moord gepleegd, tenzij die ene keer in een droom toen ik onrustig werd.
Temperatuur drie graden. Aansteker heeft het koud. Vonkt zes keer vooraleer er een vlam uit komt. Gisteren aan tafel verstond ik niks van de gesprekken. Met ogen luisteren is gênant. Je kijkt dan naar gelaatsbewegingen en dieper in iemands ogen om het te verstaan. Mensen zijn dat niet gewoon. Ze denken dan meteen dat je intiem wil zijn.
Kijk, zegt de buurvrouw, terwijl ze haar kuisvod uitwringt in een emmer sop. Mijn nieuwe gevelbekleding is besmeurd met rooie vlekken. Het is de schuld van de trekvogels. Eerst eten ze rode bessen en daarna kakken ze in hun vlucht over dit dorp.
Ja, het is waar, ook het trottoir is bevlekt. Met enige moeite kan ik een schaterlach net onderdrukken.
Ik ga mijn verzekering hierover aanspreken. Ze zegt het met een onzeker pruillipje.
Noway, dit is geen stormschade maar een natuurfenomeen...durf ik niet zeggen. In deze schemerzone kent mijn empatisch onvermogen geen grenzen. Zou ze bang zijn voor de dood, het einde van haar leven een spijtigheid vinden? Zou ze mij vergiffenis schenken voor de karikatuur die ik van haar maak?
Ik voelde iets in mijn keel maar kon er moeilijk bij. Het voelde aan als een hespenvel. Toen ik er uiteindelijk in slaagde om het uit mijn keel te trekken bleek het een meterslang lint te zijn.
Nadien zag ik een kind dat zo jong was dat het amper kon lopen. Ik stond in een winkel toen het tastend aan de mensen binnen kwam. Iedereen ging afgrijnzend opzij.
Toen het kind me aanraakte boog ik me voorover en nam het in mijn armen. Dan zag ik pas dat het blind was.
Ik probeerde te achterhalen waar het vandaan kwam maar het brabbelde voortdurend een onverstaanbare taal.
De omstanders hadden ondertussen een agent erbij gehaald. Zodra hij het kind zag liep hij meteen weg.
Tot mijn verbijstering begon het kind een stinkende groene brij te braken. Ik nam mijn fiets en spurtte weg langs smalle straten tot aan een wegversperring vanwaar ik in het donker te voet verder ging naar het huis van mijn grootmoeder. In dat huis had ik in het verleden al een invasie van kakkerlakken overleefd. Elke maand probeerden ze massaal binnen te dringen. Je hoorde ze van ver komen. Ik had telkens net de tijd om alle kieren en gaten dicht te maken. Mijn grootmoeder hebben ze op een keer opgegeten.
Ik ging boven slapen. Daarna ging ik naar een voordracht van Kamiel.
Toen Kamiel het podium opstapte begon hij tot mijn verbazing te zingen. Zijn lichaam kronkelde en tolde tot hij op zijn rug viel. Eindelijk begon hij dan zijn gedichten voor te lezen. Het was muisstil in de zaal.
Later op de avond is hij schielijk overleden.
Ik had een beeld gemaakt dat ik hem net te laat als symbool voor onze vriendschap wou schenken.
Uiteindelijk hadden ze Kamiel zijn lichaam gemummificeerd en opgebaard in een wit heldere kamer.
Mijn oudste zoon was bij mij. Deze keer vroeg hij me hem geen bladgoud meer te eten te geven. Hij troostte me in mijn ondraaglijk verdriet. Kamiel zijn zus zei dat ik zijn overblijfsel mocht meenemen als iedereen vertrokken was. Zijn ouders keken me bekijvend aan.
‘s Anderendaags was de witte heldere kamer verlaten. Ik wikkelde hem in een linnen zak en bond hem op mijn fiets.
Ik zeulde hem overal mee en vertelde tegen iedereen die het horen wou: deze mummie was een jeugdvriend en hij noemde Kamiel.
Samen met mijn zoon dwaalde ik door onherbergzame gebieden, sliepen we in spelonken en was mijn verdriet verdwenen. Ik probeerde Kamiel zo goed mogelijk te bewaren. En dan onverwacht in een getijdenstorm waarvan ik met mijn zoon aan het genieten was, daagden Kamiel zijn ouders op. Ze vroegen of ze hem nog eens mochten bekijken. Toen ik de linnenzak open maakte waren er ledematen verdwenen. Ik voelde me diep beschaamd, maar ze vonden het niet erg.
Wolf maandag 24 oktober
Bloedneusperiode. Door de wolf komt de man.
Neen, door de duivel, zegt de vrouw. Een wolf moet je eerst strelen vooraleer hij op je buik komt liggen. Nooit ontgoocheld door een ontwrichting, zegt ze tenslotte. Lang geleden heb ik haar hondsachtig in een onweer geroken. Altijd alleen in de bliksem geslapen.
Het is een paradox: met een blij gemoed een verwelkte zomer zien. Doet me ineens denken aan mijn jeugd, toen mijn vader in een donkere herfstochtend mij wakker maakte. Kijk, ik heb een mol gepakt. Het dier lag met weinige bloeddruppels in zijn hand. Rond vier uur 's nachts was hij, jong, met een spade in tegenwind wachtend op het juiste moment gaan staan.
Later, toen ik zijn leeftijd had, slachtte ik zonder gevoel, op een steen ook dieren in een heimelijke dood. Nu schaam ik mij hiervoor.
"Toen waren het andere tijden" is geen excuus, maar ik begrijp onze pa van toen. De molshopen maakten onze groenten kapot en we hadden het niet breed. We leefden nogal wild rond een smeulend vuur. Mijn dromen gingen van maan naar dag.
Waarom ik dit flitselings schreef weet ik niet. Het was onderweg en kwam gewoon uit een deel van mijn hersenschors.
Donderdag
Acht uur en het verkeer slibt dicht. Omlegging. Niemand weet nog waarheen. Fuut…fuut…fuut piepen vrachtwagens in achteruit. Het wordt belachelijk, alles tegelijk. Prenataal krom. Weerloos mag je ernaar kijven. Ik slalom met lichaamsbreedte er doorheen.
Ze heeft wafels meegebracht. Aan de achterkant zit er chocolade op. Mag ik er dan twee? Haar buikje is verdikt. Zou ze voor de lol zo lang mogelijk een vijfde zwangerschap verzwijgen?
Later, op een betonnen muur, heeft iemand met vetkrijt geschreven dat waarheid vrede is. Ernaast is een penis getekend. Ik probeer het verband te ontvreemden.
Obsessie of ontgoocheling? In elk geval geen zweverij die zichzelf met diepzinnigheid verwart. Ik zal het aan het lieveheersbeestje op dit schrijfblad vragen.
Rechtstaand schrijven is plezant als je een arduinen dorpel op borsthoogte hebt waarop je een notitieboek kan leggen. Kijk eens, het insect vliegt weg. Eerst pompt het zijn schildjes open waarna die fragiele vleugels tevoorschijn komen, en op, ze is weg. Waarom noem ik haar ze? Buikgevoel waarschijnlijk. Mooi blijft deze minieme wereld in herhaling. Ik zou er meer over moeten lezen. Dat zal ik in een tussentijd doen wanneer mijn waarnemingen niet zo diepgeworteld zijn.
Vrijdag 28 oktober 2011
Ze ziet er veel jonger dan ik al gehavend uit.
Heb je een sigaret voor mij?
Neen, alleen tabak.
Terwijl ze rolt kijk ik naar haar knokige vingers. Haar nagels zijn vuil net zoals die van mij.
Wat ben jij vanavond nog van plan?
Niets, lieg ik. (eigenlijk stond ik op het punt om naar huis te gaan, maar ik heb zin in dit spel) Wie ben jij?
Anoniem menselijk. En jij?
Mijn ouders leven nog.
Ik heb niemand meer.
Dit is geen spel meer. Kom, een schoudertik. Motten in het fietslicht zien… geen herfst.
Ik laat het doelloos voor mezelf. Ter plaatse kijken tot daglicht komt. Wereld in beweging. Neuspeuteren. Onderhuidse zindering. Waarom deze zaterdagochtend niet uitgeslapen werd?
Daarom!
Het ligt aan het silhouet van een verdroogde bereklauw nu het straatlicht niet meer schijnt.
Klip-klap-boem. Vergeet mij niet in de komende winter.
Op tafel ligt droge modder. Hebben mijn schoenen erop gestaan? Het lijkt alsof het bewolkt blijft vandaag.
Stipt op het middaguur nietsnutterij. Magda? Die neus heb ik lang niet meer gezien.
Pinne- tink-tong. Ben iets van plan. Ga proberen om mijn lichaam te verlaten. Natuurlijk lukt dat niet. Er zit een vlieg vanuit de zomer op mijn hand. Als lezer ziet u dat niet. Ook hoort u de muziek niet in dit huis. Zal ik er ooit in slagen om woorden te toveren die geuren en klanken verspreiden?
Bedelaars zijn onzichtbaar geworden. Iedereen kijkt de andere richting uit. Het varken van Madonna danst. Niemand die zich vragen stelt.
Bonk-bonk-bonk op de deur. Snoep of uw leven! Halowien.
Mijn leven, zegt zij.
De bengels schaterlachen in het donker.
Dinsdag 1 november 2011
Ze heeft me wakker gemaakt uit een slaap.
Zie mijn ogen in de spiegel.
Dat komt door de drank.
Schrijft men onvergeeflijk met één of twee jejen?
Met twee, en geen "e" tussen de "f" en de "l".
Ondertussen maakt ze een avondmaal klaar met kip. Ik snij ajuin. In dit huis klinkt blues beestachtig goed. Niks hangt hier recht aan de muur. Sneeuwwitje met een sigaret in de mond lijkt meer op Kloot dan haar zelfportret te zijn.
Zal ik tonen waar het toilet is? Jij mag in een eeuwenoud Bretoens bed slapen.
Ja, ik moet eigenlijk plassen.
Morgenvroeg druk je gewoon op de knop en er komt koffie uit. Maak niet teveel lawaai. Hoe langer je mij laat uitslapen, hoe beter het ontbijt.
De grijze kater slaapt bij mij. Hij is gecastreerd.
's Anderendaags op de terugweg fluiten wij. Vroeger kon ik het mijn vingers.
Heb ik nooit gekund, zegt ze. Wel met een grassprietje.
Kom je mee naar binnen?
Oh neen, ik moet ervandoor.
Ik ging meehelpen op een groot Iers openluchtfeest. Mijn taak bestond erin om drank te serveren. De barman toonde hoe het moest. Eerst tapte hij een kruik vol met bier en deed er dan enkele scheuten whisky bij. Dan goot hij het in zijn hemdsmouw en schudde ermee. Je schenkt de glazen vol vanuit de mauw. Vraag nooit of iemand nog iets wil. De glazen moeten vol blijven, vervolgde hij.
Ondertussen kwamen de genodigden één voor één aan de tafels. Het ging er joviaal aan toe. Het was niet nodig dat ik de taal verstond want men schreeuwde met wijde gebaren.
Tegen de avond verzochten ze mij om de brandweer, die om een ongekende reden op het dak zaten, te bedienen. Met een volle mouw biercocktail klauterde ik met moeite langs schamele houten ladders en wankele dakgoten tot op het hoogst gelegen dak. Terwijl de brandweermannen geserveerd werden dronk ik mee en werd bedwelmd door de drank. Toen ik wakker werd waren ze verdwenen. Ze hadden de ladders meegenomen.
Ik zocht naar een afdaling. Het moest langs glazen daken. Alles waaraan ik me vastklampte was versleten en stond los, bemoeilijkte mijn schamel evenwicht.
Dan kwam een vriendin opdagen. Ze liep als een kat langs boorden naast de glazen daken.
Langs welke weg ben jij gekomen?
Trek uw plan. Ik heb u al zolang niet meer gezien.
Ik ging langs een stalen trap die naar beneden leidde. Ook die was onstabiel en toen die een paar verdiepen boven de begane grond bengelde, klom ik op een glijbaan schuin ernaast. Ik slurpte het restant uit mijn hemdsmouw en gleed naar beneden. Op dat ogenblik viel de trap met een hels lawaai vlakbij de genodigden te pletter.
Waar ben je gebleven, vroeg de barman teleurgesteld. De Ieren hebben dorst.
Er lagen mannen en vrouwen uitgestrekt in het gras. Ik serveerde hen opnieuw uit mijn hemdsmouw. Het feest kwam terug tot leven.
Ze slurpten uit de taljoren. Niks is hier aan de hand.
De eerste helft november 2011
Ik ruik zoetzuur zweet in iemands droom. Lichaam vecht en rust.
De maan is aangekleed voor de wolf.
Heksentijd.
Zal ik je noemen, nooit in een potloodgeschrift gewist? Iedereen mag het weten. Ons schrift zal voortdurend anders kronkelen maar ik hou ervan.
Lauw vuur, bestaat dat nog?
Ja, net zoals slakken niet in een spinnenrag kruipen.
Ik volg het licht in het donker. Een restant onbeweeglijk daglicht is het niet.
"Je fiets begint na al die jaren te verslijten" zegt de fietsenmaker aan de kassa.
Mijn fiets is een paard dat je niet slacht voor een veulen. Ik wil er nog samen met vuurvrouw een wereldreis mee maken en er een verhaal over schrijven in resterende dagen.
Hij lacht en weet dat ik het meen, ook al hebben we geen abonnement op de eeuwigheid.
Bijna wapenstilstand en de rozen bloeien nog. Een enkele in de tuin barst overlangs geel uit haar knop in een vreugdegevoel.19h30: Schouwpaalmaanster. Het is een visueel woord net zoals maanschaduw. Het is het verschil tussen een bewoonde en een onbewoonde wereld. Je kan het in een dovemansoor fluisteren, zelfs met een spraakgebrek. Waanzin kan voor een keer duizendmaal waanzinnig zijn.
Het is nog stil tussen mijn oren. Zondaggevoel op een vrijdag.
Ze vertelt heftig. De kat heeft een konijnenstaart en loopt met een schuine kop. Revaliderend uit een ongeval. Sluipen en in bomen kruipen kan ze nog. Muizen vangen met een scheve kop is moeilijker.
Moest het aan mij liggen had ik haar laten inslapen.
Ze kijkt me weerloos aan. "Barbaar" wil ze net niet miauwen. Daar is ze te gevoelig voor.
De eerste helft november 2011
Papa, je hoeft niet buiten te gaan om een wind te laten. Hij blijft toch in je broek hangen.
Bijna noteerde ik zeventien november tweeduizend-en-elf.
Hij bedriegt mij.
Waarom vertel je dat tegen mij?
Omdat jij hem geleerd hebt hoe hij dat moet doen.
Wakker worden uit een nare droom. Ze hadden alles afgeschaft. Je mocht alleen nog functioneren zoals de organisator het wou. Zelfs onze kinderen vonden mijn gedrag onbeschaafd.
Koffie-Turk. De wind gaat tekeer. Vuurkachel binnen. Buiten met de hand overzomerde stronken zagen op maat. We jongleren met vrije tijd. Zij leest, ik zaag. Het wordt tijd om volgende week naar de kapper te gaan.
Motregen en suikertaart. Zwijg nu. Ze leest de laatste bladzijde uit een boek.Opklaringen. Mijn handen ruiken naar dennenhars. Trek een Hapkin anno achtienhonderd-zeven-en-zeventig af.
Twee kliefijzers en een spoorweghamer. Spierkracht slijt. De knoest weerstaat. Dit wordt een nukkig gevecht net voor het donker dat ik uiteindelijk zal winnen. Triomf met een heerlijk parfum gooi je zomaar niet op een vuur.
Eindelijk wordt het windstil. Het gevecht zet zich voort. Zelfs halfdoof hoor ik het hout bij elke hamerslag langzaam splijten. Eens in de arena kan je niet meer terug. Het is een ongelijke strijd. Ik met splijtbeitels, hamer en kapotte spieren...en hij lacht mij uit op zijn rug.Ongewild komen wijnvlekken op deze tafel terecht. Patine. "Sympathy for the devil" zingen de Rolling Stones. Ik neem vandaag wat ik gisteren geschreven heb in mijn rugzak mee.
Boem! Iemand tolt letterlijk door de lucht. Een lichaam op straat. Verkeer staat ineens stil. Verbijstering. Zonder nadenken snel ik toe samen met voorbijgangers. Het lichaam ligt op de buik. We kantelen het voorzichtig om. Een onvoorzichtige puber op het zebrapad in dit roekeloze verkeer. Leeft ze nog?
Ja, mijn brilglazen bedampen door haar adem in dit koude weer.
Plots wordt ze wakker, bewegen haar benen alsof ze op wil staan. Tenslotte knijpen haar vingers een gebalde vuist, en schreeuwt ze MAMA!
Ja, ze haalt het wel.
Zaterdag drie december 2011
Opnieuw zaterdag. Niks nieuw. Regenachtig zonder sneeuw. Het blijft onlichtachtig. Zal ik het dagschemer schrijven? Heb ik al eerder verteld. Toch wil ik persé grijsheid herhalen.
ALLES NU IS GRIJS GRATIS NAT!
U hoeft niet eens te vermoeden hoe deze dag verder verloopt. Ik schrijf het tussen witregels op.
Waarom ik mij afvraag hoe deze wereld zal zijn binnen vijftig jaar?
Omdat ik het nooit zal weten en mijn kinderen waarschijnlijk wel.
Er komt een nieuwe maan in een gebroken lichaam op zijn kop te staan. Een levensgevaarlijk gerecht. Diffuus licht in de hemel, gekker dan gewoon. Ik heb geen hoogtevrees zegt de koorddanser. Zijn haren zijn nat van angst en om zijn nek hangt een piepklein amulet. Getatoeëerd loopt hij over het ravijn met een gevoel dat een engel over hem waakt. Waanzinnig moedig is dat.Het is niet vorstig. Op de Grote Markt hebben ze een kerstboom gespalkt in de kassei. Een reus zomaar van zijn wortels geamputeerd. Sommigen worden wel duizend jaar oud. En dit, dient om voorbijgangers te plezieren vooraleer ze zich in een kerstkalkoen verslikken. Zie toch die gezichten in een verrimpelde lach. Ze amuseren zich met wat ze doen. Altijd geslaagd.
Ik vocht vanavond met de wind. Met decimeters per seconde wou ik niet van mijn zadel af. Je hoort in die tegenwind je hartslag in je oren bonken en het wordt dan ook moeilijk om nog rechtlijnig te gaan. Langs die hijgende open mond van mij maakt hij de keel droog. De wind, om een of andere reden wil ik hem niet vrouwelijk zien. Moest het vandaag geen winter zijn? De bomen zijn niet helemaal kaal.16h45: dagtaak gedaan. Weeral zekerheid voor meer dan brood op tafel. We doen het met twee. Duiven in de lucht.
In het park praat een vrouw tegen haar hond. Niet "met", want het beest verstaat het niet eens. Af en toe vergooit ze een stok. Hij apporteert. Hond met eierschaalvacht. Ik zie ook een man met een scheper die stokstijf duidelijk afgericht blijft staan.17h: De schemer komt eraan. Ik kijk nog even om me heen. Daarna handschoenen aan. Wat heeft dit woord met schoenen te maken? De uitvinder had er een reden voor. Het is vanavond windstil en morgen gaat het regenen.
Wablieft?
Ik wil straks als het donker is sterren zien.
Dat bezien we nog wel.
Aardvingers
De tragiek van verbeelding, vermeende werkelijkheid.
Alleen scheert een uil langs de nacht op zoek naar een winterprooi. De dag had grenzen. Ik zocht naar sporen op aarde, bleef uiteindelijk ergens afgelegen staan.
Bij gebrek aan zonlicht was het onmogelijk flirten met een schaduw.
Papa, heb jij dat ook? In het weekend voel ik mij gehaast, alsof de dag tekort schiet aan mijn verlangens. Er is zoveel volk op het dorpsplein. Is er iets te doen?
Ja, er wordt iemand begraven.
Hij knikt met een glimlach zoals volwassen kinderen dat doen. Dan neemt hij het samoeraizwaard en de krijgersstokken mee. De vreemdheid der dingen blijven verbazen. Het is frontaal.
Waar ga jij naartoe? Ik heb het gevoel dat het zondag is. Het zal wel langer dan een seconde duren. Ben jij ook een schim in deze bedrijvige wereld, dit bestaan niets minder dan een reis naar terminus waar je ongestoord op een spoor kan slapen.
Spaans, een vergeten notitie uit het buitenland. Een vriend in een verleden bonkt op de deur. Hij heeft een steen voor mijn pen meegebracht. Een geschenk vanuit tweeduizend meter hoog.
Zet u neer aan tafel.
Nee, nu niet. Ik zie dat je aan het schrijven bent.Hoe dikwijls schrijft men de laatste bladzijde van een verhaal. Zesendertig plus zevenenvijftig is drieënnegentig gedeeld door twee is zesenenveertig-komma-vijf en plus tien-komma-vijf wordt dat zevenenvijftig. Ik vergis mij onopzettelijk met een jaargetal. Rekenkunde. Het mos over deze stenen is zoveel jonger.
Ik schrijf nu niks over bijen en vlinders. Die komen zo terug met de zomer. Wat vraag je af op het einde: was dit een spel of was het echt?
Voor kerst breng ik de buitentafel binnen wegens plaatsgebrek. We zijn met vijftien. Vijftien appels schillen en ontpitten, zalm in plakjes snijden, champignonsoep, toastjes smeren. De bubbels knallen en als de kurkstop niet los komt nemen we een notenkraker. KERST bij ons. Met die houtkachel en zoveel mensen in deze kleine ruimte wordt het meteen vijfentwintig graden overdreven. Iedereen heeft zijn geliefkoosd kledingsstuk aan. Zij die dit nageslacht uit hun genen creëerden kijken gerustgesteld toe.
Sigaarvrouw
Een vrouw met kortgeknipt haar, gekleed in grijs mannenkostuum. In haar linkerhand een zwartlederen aktetas. Ze staat op het perron aan een doodlopend spoor. De locomotief die daar stilstaat, is met graffiti beschilderd.
Onbewogen als een marmeren beeld staart ze voor zich uit. Alleen de aktetas wordt van hand verwisseld met een regelmaat alsof ze de seconden innerlijk telt. Ik probeer me voor te stellen wat ze daar doet. Ze moet toch weten dat deze locomotief zonder wagon nooit vertrekt. Of wilt ze helemaal niet weg en wacht ze op iemand, haar minnaar of een vriendin?
Net wanneer ik wil weggaan, haalt ze een dunne sigaar uit haar binnenzak en tast ze zoekend naar een aansteker in haar zakken. Opeens kijkt ze mijn richting uit. Aarzelend wacht ik op een gebaar. Haar blik volstaat. Om van hieruit bij haar te komen moet ik de trappen af, twintig meter de tunnel door en dan terug naar boven. Hopelijk is ze er nog. Moest ze weggaan zou ik haar op mijn weg wel tegenkomen. Ik zorg ervoor mij niet te haasten, want dat zou ze tijdtellend merken. Ik wil niet overkomen als een hond die naar zijn baasje loopt.
Ze staat er nog. De sigaar heeft ze in een mondstuk geplaatst.
‘Wilt u een vuurtje?’
Terwijl ik haar de vlam aanreik, vouwt ze nonchalant zoals sommige vrouwen dat kunnen, haar vingers rond mijn hand. Heel even raken haar ogen om zich daarna terug af te wenden naar het doodlopende spoor.
‘Hij is niet komen opdagen. De vallei is nochtans oneindig mooi.’ Voor het eerst hoor ik haar diepe en toch zachte stem, alsof het van buiten zichzelf komt.
‘U maakt me nieuwsgierig.’
‘Je hoeft niet u tegen mij te zeggen. De vallei ligt veraf. Je kunt ze alleen met deze trein bereiken. Wil jij me vergezellen? ’
Ofwel is dit een grap of zweeft deze vrouw tussen fantasie en werkelijkheid. Alsof ze mijn gedachten kon voelen draait ze zich om. ‘Dit voertuig is van mijn werkgever. Ik mag er gebruik van maken. Alles is gratis.’ Voorzichtig haalt ze uit haar aktetas een met de hand beschreven blad papier tevoorschijn. ‘Je hoeft enkel dit contract te tekenen als je meewilt.’ Ze kijkt me zo uitdagend aan, dat ik vergeet de inhoud aandachtig te lezen. Deze locomotief zonder bestuurder zal toch nooit vertrekken. Ze speelt en ik doe voorzichtig mee. Ineens gaat de cabinedeur traag open, gedreven door een onzichtbare hand. De binnenruimte is gehuld in blauw gedempt licht. Pas nu valt het mij op dat het rijtuig geen glasramen heeft. Alles is blauw, ook de draperieën tegen de wanden. In het midden staat een glazen tafel met geurkaarsen en twee lederen zetels. ‘Zet u. De trein vertrekt zo meteen. Je wordt bediend. Ik moet even weg.’ Nog voor ik iets kan vragen verdwijnt ze langs een haast onzichtbare deur en zet de wagon zich in beweging. Gek genoeg geraak ik niet in paniek. Integendeel, een euforisch gevoel maakt zich van mij meester. Na enige tijd, al kan ik deze moeilijk schatten, komt een butler, keurig witgekleed de tafel dekken. Hij kijkt me opzettelijk niet aan, ook wanneer ik vraag waar de vrouw naartoe is en waar ze blijft. Nadat ik meerdere keren uitdrukkelijk aandring, vertelt hij, nog steeds zonder opkijken, dat ik alleen zal eten. Mevrouw komt later. De maaltijd in het zilveren bord is me onbekend. Het proeft naar zee zonder zout. Hier hoeven geen sauzen bij. Ook de bubbels in het kristal zijn volmaakt.
Net voor wanhoop en eenzaamheid in me toeslaan komt ze terug in dit compartiment, omgekleed in een nachtjapon van zwart satijn en een hoed versierd met grijs-witte veren.
‘Ik heb voor jou ook nieuwe kleren meegebracht. Trek die aan. Ik zal dansen voor jou. We zijn er bijna.’
Door dit nachtkleed heen zie ik de jukbeenderen van haar lichaam in een uitbundig dans. Net voor ik haar wil aanraken stopt de trein. De deur gaat open. Het dal ziet rood. Zwavelgeur. Boven geen hemel meer. We zitten ondergronds.
‘Ik wil hier weg.’
‘Dat kan nu niet meer. Je hebt een reis geboekt zonder retour.’
‘Waar ga je heen?’
‘Naar het doodlopend spoor.’
Maandag 16 januari 2012
Een titel van een ongeschreven verhaal: “Het onwaarschijnlijk denken”. Waar komt het vandaan en wat doe ik hiermee? Is het omdat ik vanmiddag vanop een steenklomp naar overwinterende wilde kastanjes keek, adem blies over mijn handen om ze warm te houden, of was het de glimlach van die man toen hij me dan net aankeek?
Het vriest zonnig de dag. Gevoel krijgt bovenhand op de rede.
Over onwaarschijnlijk denken schrijf ik onwaarschijnlijk niet verder. Begrijpt u wat ik bedoel?
Ja, maar je verhaal ligt me niet.
Het is een begin. Wil je mijn schrijffouten verbeteren?
Ja. Je ogen zijn bloeddoorlopen.
Komt door die kouwe buitenlucht die eraan knaagt. Ik heb mijn windbril verloren. De asbak condenseert. Mijn sigaret wordt nat.
Ga dan buiten roken.
Niet wanneer Alanis binnen zingt. Ik zal het huis achteraf verluchten tot de temperatuur daalt tot tien graden Celsius.
Laat die Celsius weg.
Nee, want jij denkt als Fahrenheit.
Hoe zit het met de statistieken?
Ik had vanmorgen zeven pagevieuws en elders sta ik op de derde plaats.
Het verbetert.
Dat komt door jou. Morgen blijf ik thuis. Dan begin ik eraan.
Aan wat?
Aan onwaarschijnlijk schrijven. Eerst maak ik je onzichtbaar.
Waarom?
Het is absurd, maar als ik dood ga, eten de wormen mijn lichaam op.
Niet toevallig lees ik een ander. Sommigen schrijven zoals ik dat doe. Raar, ik dacht dat ik de enige was. Zijn wij als mensjes dan toch niet uniek?
Iets waar je voorzichtig en niet kwistig mee kunt zijn, alhoewel, alles mag voorlopig in dit leven.
Ce soir, je fais un repas sur le poîle à bois.