Trein
Je weet het wel, de vogels zingen niet zomaar. Ze willen paren.
Net voor het klaar wordt buiten gaan, luisteren en kijken. Het is dan kil en vochtig. Met wat geluk staat de maan nog aan de hemel. Je voelt je helemaal alleen, puur. De beesten schuilen nog niet. Het duurt nog wel even vooraleer de omgeving wakker wordt.
Jij, waarom zeg ik jij tegen jou en niet U tegen U? We hebben elkaar nooit ontmoet, tenzij we ooit een glimp opvingen en onthouden. Is het de gedachte dat we zielsgenoten zijn of is het de inbeelding die mij nu zo onrustig maakt?
Ik ga je iets vertellen, niet alleen aan jou maar ook aan zijbijmij, een schrijfster en mijn beste vrienden.
Het is maandag tien mei vijf- uur- 's morgens. De dag verschijnt. Uit het houtkot komt een egel. Hij loopt snel door het gras alsof hij dringend boodschappen moet doen. Voor mij ochtendmeditatie.
Om twintig-voor-zeven ben ik onderweg. Dan komt stilaan het lawaai op gang.
Opnieuw heb ik handschoenen en een wintermuts aan. Mijn ogen tranen in de wind.
Toch mogen we niet klagen. Voorlopig blijft het droog. We hebben zelfs geen airco nodig en de nieuwe verwarmingsketel wordt gesubsidieerd.
Aan de brug over de rivier kijk ik toe hoe twee mannetjes wild teder een vrouwtjeseend bevruchten. Ze doen het elk om beurt.
Na een paar minuten zijn ze voldaan en schudt zij schijnbaar dankbaar haar staart. Daarna vliegen ze samen weg.
De groene kever die ik hier gisteren zag zit nog altijd op de balustrade. Ik raak hem voorzichtig aan om te zien of hij nog leeft. Traag doet hij een paar pasjes vooruit en blijft dan opnieuw roerloos zitten.
Het doet me aan mijn grootvader denken. Die kon ook zo in zijn smidse met een sigaret in de mond onbewogen door het vensterglas dromen tot mijn grootmoeder hem telkens porde om verder te doen. Nochthans is hij nooit failliet gegaan.
Elke dag leren de vogels mij vliegen. Droge frisse dag zonder zomerkleren. De trein die ik nooit neem komt knarsend tot stilstand. De reizigers drummen op het perron. Toch kan iedereen erop, behalve een enkeling met al haar hebben in een plastic zak.
Ze kijkt niet eens naar het schouwspel om zich heen, alsof het niet bestaat in de wereld. Alleen de straatstenen die leiden naar een schuilplaats tellen.
Straks als de drukte luwt gaat ze naar het toilet, wast ze zich beschaamd in de hoop dat niemand haar zal zien.
Och, de vernedering zou haar niks meer mogen schelen. Voor haar is het belangrijk lege tijd te hebben.
Wanneer de trein opnieuw vertrekt ga ik naast haar zitten op de bank en bied haar tabak aan.
Ben je onderweg, vraag ik nieuwsgierig.
Ik ben een engel, antwoord ze prompt. Ik heb de trein der traagheid genomen.
Ik weet dat dit een leugen is. Ik was een engel is eigenlijk het goede antwoord, of nee, ik ben een gevallen engel. Maar zo een antwoord zou maar leiden tot meer vragen, vragen waarop ik nu niet zou kunnen antwoorden. Alsof er ooit antwoorden zouden zijn voor al de vragen die elke dag weer gesteld worden.
Ik heb de deur achter me dichtgetrokken met de zekerheid dat ik ze nooit meer zou opendoen. Alles wat ik heb zit in een paar plastic zakken. De stemmen in mn hoofd zwijgen steeds vaker. Alleen de twijfel fluistert soms nog iets. Waarom moest je zo nodig de hemel tarten door weg te gaan.. De traagheid haalt op een gegeven dag toch wel de realiteit in.. Jij was een engel in de hemel, nu ben je zelfs geen mens meer bij de mensen.. Ik denk niet aan later, misschien zal ik ooit doodvriezen terwijl ik naar de sterren kijk. De man die hier naast me zit zal me dan vinden bij het eerste ochtendlicht. Als hij naar mn gezicht kijkt zal hij tegen zijbijhem zeggen "kijk eens hoe gelukkig ze is, het lijkt wel een engel."
Dan smeekt de man in het ochtendlicht aan het doodgevroren gezicht: kijk toe vanop de maan en steek 's nachts een vreugdevuur aan // schenk de liefde in een gifbeker om het verbond te vieren, want het spook overtreft mijn manier van rouwen. En als de maan zwanger wordt is het tijd om naar huis te gaan.
De druiven waren zuur, onbereikbaar zuur, net zoals onze liefde, en het maanlicht brengt geen rust. Dit is de plaats voor hen die geen thuis vinden. Het zwerven heeft ons hier gebracht, het vuur zal doven als het licht de ochtend vindt.
Bitter klinken uw woorden, alsof dit aards leven dat leidt naar de dood zonder betekenis is tot as. Of heeft het zwerven een doel, om in de sterren te kijken en het vuur aan te stoken vooraleer de ochtend verschijnt.
Blijft dit leven ons achtervolgen dacht hij, of is het maar een flits in de tijd. een lichtschijnsel dat maar door weinig mensen gezien wordt. "blijf nog even" wou de zwerver vragen aan de man naast haar op de bank.Waarna de man waarschijnlijk zou vragen waarom? Alsof er op elke vraag weer een vraag moest komen. Blijf bij me? Eventjes, zonder iets te zeggen. Even samen voor de trein weer vertrekt. De man naast me rook naar thuis, een sleur die hem misschien deed verlangen naar mijn leven. maar gevallen engelen hebben geen leven, ze bestaan tot ze ergens gevonden worden en alles opnieuw begint.
De engel en de man, vreemdelingen, zitten op de bank tesamen alleen.
Vooraleer de spooktrein komt wil ik je vleugels, zegt hij plots. Mijn verlangen is om even een vogel te zijn. Mijn toekomst is bijna verbruikt.
De man naast me op de bank, kijkt verlangend naar mijn vleugels.
Ach heeft hij nooit van Icarus gehoord. Hier je mag ze hebben zeg ik. Mijn vleugels zijn van jou.. Ik waarschuw hem niet. Voor wat zou hij moeten oppassen? Hij zal zn eigen weg gaan.. Hij denkt dat zijn toekomst voorbij is. Hem wacht nog alleen de onsterfelijkheid. Hij is mijn broer zonder het te weten, zo hier naast me, de kleine grote broer. Hij kent mij niet meer, daarom ben ik bij hem.
Hier mn vleugels je mag ze lenen, breng ze terug en als het kan in één stuk.
Niet bang zijn, ik zal je dragen, hier dicht bij jou ben ik als je afscheid neemt.
Ik zal een vogel zijn // glijden op de wind // op en neer // tot boven wolken // en de zon zien // tot de spooktrein stopt. Dan geef ik je vleugels terug, ongeschonden.
begin
Home
|