begin

Home


Halverwege heb ik besloten om te spijbelen. Mijn gevoelens zijn even diffuus als de lucht. Uit het oosten waait een zachte luchtstroom. Het zal niet lang meer duren voordat de zon licht en warmte gaat verspreiden. Ik vertoef in veld- en boswegen. Het hemd dat ik vanmorgen aangetrokken heb riekt nog naar nieuw. De dag is vroeg begonnen en is voor mij alleen. De wereld is vandaag zoals ik hem me zal voorstellen: sereen, vluchtig en onwaarschijnlijk.

           “ We hebben mekaar onverwacht gezien. Ik keek naar die katachtige blik in je ogen. Onze ontmoeting was even schuchter als een eeuwigheid geleden” .

Hoe is het met jou?
           Goed, en hoe is het met jou?
Ook goed.
           En met de kunst?
Ik werk aan een tentoonstelling. Wanneer ga jij publiceren?
           Het zal er nooit van komen.
Waarom niet?
           Ik heb de ambitie niet.

De omstandigheden onderbraken ons gesprek dat geen gesprek was, maar een reden voor samenzijn, vluchtig en schuchter maar zo intens dat de breuk een definitief afscheid leek. Deze dag is begonnen met een gedachte aan haar.
Ik kijk naar de in haar bochten kolkende rivier en sta in de schaduw van haar begroeïng. Ze stroomt steeds in dezelfde richting, elke dag is nieuw. Ze heeft al zoveel seizoenen ongemoeid meegemaakt en  de tijd verslonden in haar loop. Diep in haar draagt ze leven mee, altijd in beweging. Het water blijft niet in mijn handen staan als ik haar aanraak .
Een reiger scheert langszij met een trage, zelfzekere vleugelslag. Ik zou willen voelen hoe het is om een reiger te zijn, of een boom waarin je de stilte hoort.
Weer verder zie ik de peripherie rond Leuven. Torenspitsen rijzen uit dorpen, bedolven in bebouwing.
Zonovergoten Brabants landschap, met maïs- en aardappelvelden. Het koren is pas geoogst. De rand van een bos, veld en dan de stad die mateloos moeilijk te onderscheiden grenzen inpalmt. Ik koester haar bevolking, de begangkenis, de geur van frietkoten, zweet, bier-en tabaksgeur die uit cafedeuren walmt.
De troebelheid in vergezichten slokt me op. Door verblindend licht zie ik het pad niet meer.
De dag is middag geworden. Afrikaanse schotel in Egyptisch café. Mijn handen trillen als ik het glas wijn naar mijn lippen beweeg. Ik kom hier graag. De mensen zijn vriendelijk en de schotel wordt onoverdreven rijkelijk gevuld. Ze serveren er pikanten sauzen bij. Veel volk komt hier niet. Het blijft rustig, zoals nu, ik hier alleen zit, starend door de openstaande deur. Ogen die het zonlicht niet meer verdragen, ogen die al zoveel hebben gezien en daardoor beginnen te verslijten, het waarnemen mogelijk maken, ook al gebeurt dat meer en meer selectief.

 

begin

Home