|
subject: begraafplaats.....9 september 2006
Als ik een rustigere plaats dan de rust in mijn hart wil opzoeken, begeef ik me steevast naar
een afgelegen begraafplaats om bijna plechtig naar de inscripties en beeltenissen te kijken van
overledenen.
In dat sereen landschap met zijn stenen zerken
rust de nagedachtenis als een heiligdom op een grens naar niemandsland
ik slenter erdoor als een levende passant
langs zij die ons voorafgingen
lichamen, vergaan in deze grond
Ik hoor mijn voetstappen in de kiezel en ga verder zonder een ogenblik stil te blijven staan.
Verderop is nog een begraafplaats van onbekenden waar geen grafzerken staan
maar wel wit geschilderde kruisen met namen ingegrift.
Een plaats perfect onderhouden uit respect voor heldenmensen uit een tragiek
van een recent verleden. Geen teken van kruidsleven.
Op een keer, toen ik er aan de trappen op een viersteense muur appelsienen at,
was een spin een web aan het maken tussen mijn fietszadel en een dichtbijzijnde struik.
Ik vroeg me af hoe ze dat deed. Vooral het begin moest moeilijk zijn.
Soms zit ik daar aan rust en stilte bezweken
te kijken naar afgestorven bladeren opgehoopt in kieren
van een brede stenen drietredentrap.
subject: feest.....18 augustus2006
lagen we als onbekenden afzijdig als slangen in een mysterie aan elkaar gekleefd
als ik haar kus zegt ze: zo heb ik niemand gekend
beneden is er een groot feest aan de gang
de genodigden zijn bekenden
de kinderen slapen buiten met een roofdier dat ik meegebracht heb
overspelig zat mijn vader in het vroege uur nog aan een glas cognac te nippen
terwijl hij zei: overdrijven we nu niet?
in feite konden we mekaar niet verstaan in onze dovemansoren
en ik miste iemand die niet gekomen was
dan was plots het feest gedaan, sliepen de bekenden
zat ik met verlangen in een medogenloze ruimte
kwam er vuur uit de hemel
en ging ik met de kinderen ondergronds
zaterdag 8 oktober 2005
Een zaterdagmorgen uitslapen tot acht uur
meteen kaasraklet met stokbrood eten
jij zit kaasraklet te eten in deze morgenstond
zingt ze
terwijl ze langs de wenteltrap fladdert
ze gaat naar het toilet
ja, dat smaakt
er is geen toiletpapier meer
ik stop haar een paar servetjes toe die dienen voor een beleefd diner
groen zijn die papieren servetjes
dan gaat ze terug naar boven
Ik had gedroomd dat ik een fiets wou kopen. In de toonzaal stonden de fietsen op wieltjes met ervoor een groot scherm. Ze deden me een koptelefoon aan en zetten me een bril op. Ik ging op de fiets zitten. Het licht ging uit. Voor mij zag ik een landschap en hoorde de wind in mijn oorschelpen waaien. Toen ik vroeg of ze geen gewone fietsen verkochten begon iedereen te schaterlachen tot iemand zei: er is geen plaats meer om te fietsen. Je kon je altijd laten inschrijven op een wachtlijst voor een geleid bezoek naar plaatsen waar de fauna bewaard was gebleven.
Vanmiddag ga ik een maaltijd klaarmaken. Een ribstuk met ajuin, gesausd in rode wijn en genoeg voor wat overschot voor de hond.
maandag 31 oktober 2005
Ochtendritueel. De slaap wegschudden, het kan nog altijd buiten. Daarna weg met de hond. Ze ploetert door modderige plassen. Dan terug thuis. Zij is in de tuin. Ik ga in de kelder, mijn tempel. Ik werk er tot lang na avondval. Later zal het een plaats zijn waar het aperitief en de push café gedronken wordt, waar gezondigd wordt tegen vaste waarden.
Deze dag lag eenenvijftig jaar te wachten om vandaag te zijn.
Bertolt Brecht schreef: ‘Hoe kun je goed zijn in een tijd waarin er geen vraag bestaat naar goedheid?’, waarop Hans Sahl in zijn boek ‘Memoires van een moralist’ schreef: ‘Alleen in een tijd waarin het moeilijk is goed te zijn, wordt goedheid pas echt zinvol en maakt het van de mens een zedelijk wezen’. Ze leefden in een tijd waarin gedacht werd dat het genoeg was de waarheid te spreken. Ze voelden zichzelf martelaren die een eind maakten aan het ongeduld van het hart. ‘Nooit eerder heeft een generatie zo’n onwerkelijke opvatting van de mens als voorbeeld gehad, en nooit eerder is ze zo wreed teleurgesteld’, vervolgt hij.
Niet eerder dan vandaag is het me zo duidelijk dat een gevoelen ontstaat uit zijn reden. Door de reden te beïnvloeden, beïnvloeden we ons gevoelen. Het gevoelen van Frober werd beïnvloed door zijn alcohol- en drugverslaving, een zwakheid die zijn zelfbeeld vernietigde. Toen hij na een ontwenningskuur matig bleef, beschouwde hij dat als een overwinning op zichzelf. Hij veranderde en ontdekte weer nieuwe dingen. Door het verdwijnen van de reden, zijn verslaving, veranderde zijn gevoelen, het zelfbeeld. Hij ging daardoor zijn handelen en dat van anderen vanuit een andere context appreciëren.
8 februari 2004
Dag Kamiel. Uw e-mailadres is letterlijk in het bierkaartje verwaterd door een regenbui net voor ik vanmorgen thuis kwam. Ik doe een gok om het correct te spellen al zal dit bericht u wellicht nooit bereiken. In dat geval zal het als een spreuk in een wijnfles op de internetzee blijven dobberen en zal ik de enige zijn die het kan weten. Toch probeer ik enkele mooie zinnen te lispelen, geen wereldfilosofie of verzonnen waarheden maar iets over halfweg tussen Leuven en Duisburg. Halverwege omdat net op dat moment de volle maan in mijn gezichtsveld door de wolken breekt en de hemel in het oosten begint op te klaren tussen nacht en ochtend. Ik denk aan het toeval, niet om wat hier gebeurt maar om uitgerekend op dit moment door dit veld te fietsen. Ik denk aan hier en nu, een fragment uit de toekomst dat al sluimerde toen we nog op de schoolbanken naar spannende avonturen van Jan Zonder Vrees luisterden. Was het niet die meester Volders die zo'n boeiende verteller was?
Sta me toe Kamiel dat ik over een verleden spreek, over onaangeroerd gebleven herinneringen bewaard in meer dan een half mensenleven vol frapatsen, contentement en wat verdriet, door onze toevallige ontmoeting opgegraven uit ongeploegde grond.
Zondag 9 november 2003
Klare ochtend in zondagstilte. Voor een keer met zen vieren. Ze slapen nog. Straks ontbijt met twee en daarna een voor een. Misschien met zen vieren tot vanavond of zelfs tot morgen. Of met zen vijven. Twee vrouwen, drie mannen en een hond, met zen zessen.
Oorgesuisstil in huis. Vroege zondagstilte. Zelfs de hond komt er niet uit. Pas nadat ik mijn kleren aantrek zal ze kwispelend afkomen voor de ochtendwandeling .
Koude ochtendlucht onder blauwroze hemel. De deur staat open, de kou botst tegen de warme binnenlucht. Koude tenen.
kort geblaf maar een keer
gestoord in haar ochtendhumeur
niemand heeft zin om op te staan
het is nog zondagstil
straks maak ik een stoofpot klaar
Donderdag 3 november 2005
Het is winteruur, het wordt klaar als ik vertrek. Ik rijd over een modderige betonnen veldweg naar Leuven. Terwijl ik door het landschap fiets fantaseren mijn gedachten hoe het zou kunnen zijn om naar Afrika te fietsen, vraag ik me af of ik ooit zal vertrekken, als ik alleen ben en niemand zal missen, zelfs mezelf niet.
De dag breekt langzaam door, ik ga op tocht.
ik ben teleurgesteld over de evolutie van de samenleving
we drijven mekaar in het nauw
het lijkt erop alsof de mens zichzelf gaat vertrappelen
mierenzuur drinkende hufter!
en vraag ik:...is er nog iets?
hou op
straks ga ik naar boven, woel mij in haar schoot en zing:
weer is slecht
niets
erweer niets
niets één
zaterdag 5 november 2005
De zonsondergang was bloedmooi. Halfweg bleef het aan de horizon roze, bijna kleurloos
versmolten met purper dat verging in het gedonkerte van de hemel. Het was als een lied bij een luit, in een sterrennacht gezongen door een stervende. Het zijn mijn zinnen, mijn woorden niet. Ze zijn van niemand. Ze behoren aan de taal. Hooguit het doel waarvoor we ze gebruiken is ons toegeëigend, als een muziekstuk zonder partituur, een afvalproduct van de werkelijkheid.
Is het zo dat de meeste dingen iriëel zijn, dat we wel iets waarnemen, iets gemeenschappelijk dat ons verbind, en de manier van waarnemen onze waarheid spreekt?
Ik heb mijn lederen jas aangetrokken. Een oude jas met littekens. De rechtermouw is op drie plaatsen hersteld en aan de onderkant heeft de schoenmaker een nieuwe lap genaaid. Hier en daar zijn scheurtjes bijgekomen maar die jas houdt nog steeds de snedigste kou tegen.
Er groeien paddestoelen, de bladeren vallen als sneeuw uit de bomen. De kamille bloeit. Veel is verdord. Dan kom ik woordeloos terug, in een moeilijk te beschrijven leegte. Het lijkt alsof mijn gedachten verschrompelen, dat ik niet meer kan besluiten. 'Het orkest speelt vals in mijn hoofd' schreef Wilfried Eetezone als bijgedachte in De Morgen. Er zit niets anders op dan een gedicht uit vorige zomer te herlezen:
vanavond laat zal een nachtegaal zingen
zal ik wat lavendel op mijn handpalm wrijven
gaat kaarslicht dansen
en verlichten glimwormen mee de tafel
het is hoogseizoen nogmaals
en zie,
de merel begint te fluiten
het is een goed teken
het achtergrondgeluid verdwijnt
de vliegen gaan slapen
de mot maakt zich klaar voor een nachtelijk avontuur
kamikaze op zoek naar licht
zomaar omdat het onweerstaanbaar is
stervend in dansend kaarslicht
Dan ruik ik nog aan mijn pols, wrijf over de pas geschreven tekst en vraag me af of iedereen ook van die rare dingen doet. Morgen is vandaag gisteren. In de toekomst herinneren we ons wellicht vandaag niet meer. We willen even alleen zijn, alleen redeneren, bedenken, ons eigen alleen dat geen bijzijn duld.
donderdag 10 november 2005
Het ontroert me, die schoonheid. De kleur van die appel die ze liet zien. Ik zal haar bijzijn mijn gans leven herinneren, haar hese stem in mijn ouderdom niet vergeten. Het is goed zo. Zie ons hier zitten.
Iets onweerstaanbaars kan het rationele soms overschrijden, zoals geheimen in de nacht beluisteren en de tijd vergeten, aan een barkruk met twee Wodca proosten, de kater erna ondergaan.

dinsdag 15 november 2005
De dagen werden een samenhang tussen opkomende zon en zonsondergang. Ik voel me beresterk en toch fragiel. Soms dool ik voor zonsopgang in het bos met ijskoude handen, en als de dageraad losbreekt voel ik me ontzettend gelukkig.
De woorden die ge leest betekenen mijn werkelijkheid. Het is mijn spraak. Ze zeggen dat ik nooit over haar schrijf, en dat is waar. Het is moeilijk te beschrijven hoe het is om vijfendertig jaar alles samen te delen, mekaar onvoorwaardelijk te dulden, hoe het is om onafscheidelijk te zijn, of hoe het is om een half mensenleven elke nacht de warmte van mekaars schoot te voelen. Zij is mijn wederhelft. We houden van onze kinderen. We zijn tezamen omdat we mekaar niet kunnen missen. Alleen de dood zal ons scheiden. Ik hoop dat niet zij, maar ik de pijn van het alleen overblijven zal moeten ondergaan.
vrijdag 18 november 2005
Ik ben alleen achter gebleven in deze avond, in de hoek waar ik zit te schrijven met gedempt licht. Zelfbewustzijn alleen. Ik spreek naar de lucht tot iemand mijn woorden leest Twee woorden zoals: wijnrood fluweel, of een verhaal over haar, hoe we mekaar leerden kennen. De eerste eindejaarsnacht in het jaar tweeënzeventig. We hadden afgesproken in de vooravond aan de parochiezaal. Ik liep uren tevoren langs donkere straten door de ijskou. Ik droeg een lange blauwe winterjas die ik ‘mijn lode’ noemde. De opwinding steeg naargelang het uur van onze afspraak naderde. Dan de zinderende schok van ontmoeting, de tederheid erna, blinde liefde. Net voor middernacht zijn we naar het frietkot gegaan. We kregen onze nieuwjaar: zij een reep chocolade en ik een sigaar. Het was middernacht. Een uur later moest ze gaan. Dan werd het een week wachten tot een volgend samenzijn.
Een keer hebben we eindejaar gemist. Ik had legerdienst in Duitsland. Het vroor die nacht toen ik aan een depo de wacht hield. Ik miste haar zo, dat ik naar de maan keek en me inbeeldde dat zij op datzelfde moment ook keek. Het bracht haar dichter bij mij. Na al die tijd is ons samenzijn evident. Iets in ons is onveranderd gebleven: datgene wat ons samen bracht en houdt.
zaterdag 19 november 2005
Ik sta op met tollende woorden in mijn kop. Ik schrijf, lees, herschrijf, herlees tot het middaguur nabij. Dan ga ik wandelen om tot rust te komen. Nog ga ik op banken zitten om mijn gedachten op te schrijven. Zal ik ooit sprakeloos worden?
Frits Weeda bekijkt de wereld nog steeds met de blik van een fotograaf, hoewel hij bijna veertig jaar niet meer fotografeert. Wat was de reden van die radicale beslissing om nooit meer de camera op te nemen? Zijn werk ging over de teloorgang van schoonheid, een kwalijk neveneffeckt van vooruitgang. Na een zware zenuwinzinking verbrandde hij in 1965 alle bruggen achter zich.
Het lukt me niet om innerlijk sprakeloos te zijn. Ik moet terug. Iemand had vannacht in de lavabo gekotst en die moet nu ontstopt worden. Daarna maak ik eten klaar. Een diner met kaarslicht. Na het eten getwee achterblijven aan tafel terwijl ze mijn verhalen leest en bekritiseert, het laatste glas wijn verdelen. Ik verlang nog altijd naar haar. Telkens als ze binnen komt ben ik blij. Ze is een schoonheid op leeftijd. In haar kalmte lijkt ze bijna van steen.
zondag 20 november 2005
9h: Ik sta als eerste op, maak koffie en kook eieren. Dan komen ze beneden. De nevel blijft klam in de lucht hangen. We gaan naar de luizemarkt aan de Marollen.
Wil iemand mijn haar knippen? Fantastische zondagmorgen. Iedereen is blij. In het huis hangt een geur van gekookt ei en koffie. Bert zal rijden.
Voormiddagdrukte op de stoep. De beau monde op middelbare leeftijd. Mannen in lange, nonchalant duur verkreukelde winterjassen, vergezeld van hun geëmancipeerde dames. François, vient voir! Geen enkele plaats in deze stad bezit zoveel contradicties als de rue Blaes met zijn winkels waar onbetaalbaar schoon geëtaleerd wordt, met zijn façades waarachter de marginaliteit onheilspellend roept. De kleine goedkope cafés blijven nog verzoenend bestaan tussen de chiquere bistros zoals ‘de schieve architect’ of ‘Le Royale’. In de zijstraten kom je in de getto’s terecht. Het zijn naburige achterbuurten op de hoek van de straat.
We eten, we praten over de toekomst. We gaan buiten. We gaan binnen. Binnengeur van wierook en boenwas. Buitengeur van koude uitlaatgassen en odeurtjes van ‘chéries’ zoals die van François.
ik koop een muts voor haar
op het goed vallend uit
als ze niet past, of ze vind ze niet mooi
doe ik ze wel aan
De dag is vroeg ten einde. Het vrieskoud buiten. Mijn adem vernevelt in het straatlicht. Er is geen kat op straat. Zelfs geen blaffende hond. Moest het lot ten einde komen zouden er geen getuigen zijn. De televisie gaat aan. Niemand kijkt. Niemand is er voor de aangedane televisie.
donderdag voorwinter tweeduizend en vijf
Kom buiten, het is donker, het regent.
Ik weet met zekerheid dat dit ogenblik geen moment uit het verleden is, dat ik niet thuis gekomen ben maar nog thuis komen ga.
zoogdier op drift
zaterdag 26 november 2005
Kwart voor acht. Ik wordt wakker van het licht dat ze aangedaan heeft.
‘Er ligt meer dan tien centimer sneeuw buiten’, zegt ze enthousiast. Het gevoel vanuit mijn kinderjaren toen ik wakker werd met buiten een dik pak sneeuw maakt zich meester van mijn nog slaperige geest.
Het heeft vannacht fel gewaaid. De wind was guur en drong door merg en been. Sommige windvlagen deden het nog overgebleven riet tot dicht bij de grond buigen.
Ze is vroeg opgestaan en heeft voor Stef koffie gezet. Hij is net vertrokken. Zalige zaterdagmorgen. Niks moet, alles mag, alles kan met daarbuiten een schijnbaar verlaten besneeuwd landschap in zwart wit.
Overwegend wit, met zwart van verroeste drinktroggen in de weiden, het zwart van niet besneeuwde takken, zwart van toppen uitstekende kluiten op het land,
zwart van niemendal in de sneeuw.
Hij is teruggekomen omdat de bus niet kwam opdagen. Even later kruipt hij terug in bed om verder te slapen. Behalve hij en ik is er niemand in huis.
Ik trek een wintertrui overaan en zet de verwarming wat lager. Voor mij hoeft die binnenshuislijke zomerwarmte in de winter niet. Wees blij dat we de koude buiten houden, binnen geen jas moeten dragen, dat het meubilair niet koud aanvoelt, of dat onze adem niet verdampt.
Het blijft sneeuwen. De twee merels zijn in de buurt. Ze gaan op de tuintafel zitten. Ze zullen de winter buiten overleven.
De wind is opnieuw opgekomen en waait de sneeuw uit de populier.
oe
ha
nomo ketam
adjhoula, adjhoula
Mijn oog dwaalt in het gebeuren dezer dag. Er klopt iets niet, zou mijn grootvader gezegd hebben moest ik hem verteld hebben dat de patatten in zijn bord uit China komen en dat de Chinezen ons witloof opeten, dat we niet meer knielen voor de natuur, dat we zoveel meer kennis vergaard hebben zonder er iets mee te doen, dat we comfortabel leven en er desnoods voor zullen vechten om het in stand te houden. Hij zou het niet begrepen hebben moest ik hem verteld hebben dat we mekaar zomaar voorbij lopen en ervoor zorgen dat er geen hondenpoep blijft liggen, dat je een zebrapad opzoekt om de straat over te steken. Mijn grootvader zou in zijn tijd in dit seizoen dag en nacht de witloofketels met steenkool vullen, de koeien voederen en daarna zuinig een jenever drinken bij hen rond de stoof.
Ze spreken over het weer of over een koe die net gekalfd heeft. De vrouw des huizes keutelt in de stoof. Het overschot van het avondmaal pruttelt achteraan op de hete stalen plaat. Een van hen heeft de weerwolf gezien. Telkens opnieuw vertelt hij zijn verhaal. Een ander heeft het over de scharensliep die in het rijpe korenveld huist. De winter heeft hem verjaagd.

Donderdag negen december 2005
Ik heb zin om voor een keer geen onzin uit te kramen, om socio-economisch en multicultureel over deze samenleving na te denken met een innig verlangen de wereld te verbeteren en een rooskleurige toekomst voor alles vast te leggen. Voor ik dat probeer sla ik mijn armen om haar heen en staan we minuten in gedachten drie seconden stil. Ik zeg: ik ga een echt artiekel schrijven zoals journalisten dat dagelijks doen.
Een half uur zit ik hier neuspeuterend te peinzen zonder resultaat. Ik kan zelfs de 'ik-vorm' niet kwijt. Wanhopig neem ik de krant en noteer opschriften zoals:
verkeerswet wordt weeral herschreven
geen hoop voor wie zonder stroom winter in moet
dronken doodrijder maakt tweede slachtoffer
opwarming klimaat bedreigt gezondheid Europeanen
merendeel oude computers heeft porno op harde schijf
regering is niet bij machte beheerders elektriciteitsnet te dwingen
niemand spelt radicalen de les
kroniek van veel menselijk verdriet
er valt geen hol te beleven in de grot
laptopnek, muispols,Sms-duim, en....iPodvinger
sinterklaas over Generatiepact
Neen, het lukt me niet iets zinnigs te vertellen. De opschriften zijn me al te veel. En dan al die geschriften van zogenaamde feitelijkheden. Dan ga ik nog liever in de winter met rubberen laarzen in de Dijle staan kijken naar kwakende eenden.
Zolang we geen medeleven betonen, onverdraagzaam blijven en met angst door het leven ploeteren, zal ik niet het verlangen hebben om iets zinvol te schrijven.
alhoewel, ik heb haar verteld dat ik iets zinnigs zou schrijven
aan elke bedelaar geef ik een euro omdat ik naïef en medelevend ben
ik verplaats me met de fiets of te voet
ik probeer een voorbeeld te zijn voor mijn volwassen kinderen
en ik tracht niet te verdwalen in gedachten
en dan vraagt ge u misschien af: waarom schrijft ge dat
en zeg ik: dat vertel ik nu niet

maandag 30 oktober 2006
Gekleed met naakt,
zelfs dan blijft een impressie bestaan.
Op dertig oktober van dit jaar was het mooi ochtendweer. De stad is bijna leeg.
De kraaien vliegen voor
over bedauwde grond die langer zal bestaan dan dit geschrevene.
De bladeren gestorven in het najaar en die alle kleuren hebben doorstaan,
rotten nu op de platgestampte aarde.
Ik heb erg veel zin op eten in een ochtendcafé.
Er zit een man met gekruiste benen voor een kansspel. Op de glasplaat ligt
een pakje Marlboro. Een vrouw kijkt rond, tuurt bij de koffie door het raam.
Ze heeft krullend haar en ze draagt een bril.
De ochtend broeit, loeit en reikt over iedereen heen.
Schaduwen over de stoep van zij die buiten zijn en bewegen.
Zelf vind ik mijn schaduw niet. Misschien besta ik niet meer.
Loeit, broeit, reikt die ochtend over iedereen heen als een reusachtig lichtgordijn in een roes van overspeligheid.
De maan had de avond voordien nog wazig geschenen
en de wind was gaan liggen zodat de loszittende dingen niet meer bewogen.
Maar nu, in dat reusachtig lichtgordijn zonder mijn schaduw nog te zien
besta ik niet meer.
Er fietst een man voorbij. In zijn fietszak steken chrysanten.
Toen ik op de begraafplaats kwam viel het me op dat de mensen die daar
rondliepen vooral ouderen zijn.
Ze hebben al veel leeftijdsgenoten verloren en herdenken hen nu.
De doden komen weer tot leven.
Vroeger kwamen we met heel de familie bijeen en werden er pannenkoeken gegeten.
Dat doen we nu nog, maar er is een generatie verdwenen en een nageslacht bij gekomen.
We bezoeken ook de graven niet meer en versieren ze ook niet meer met bloemen.
Het enige dat overgebleven is, is het feest en de nagedachtenis.
De man fietst opnieuw voorbij. Deze keer zonder chrysanten. Die heeft hij op een grafzerk gelegd. Hij fietst in tegenwind. Het weer is in de herfst omgeslagen, net op tijd voor Allerheiligen.
de laatste zonsopgang
niemand weet wat daarna gebeurt
de straten worden donker
de huizen omhuld in een winterlucht
de aarde bevriest
Hij slabbert met zijn tong wanneer hij leest. Hij degusteert het geschrevene,
zegt zijn moeder.
De familie zit bijeen aan tafel: hij, zei, hem, haar, haar van hem, hem van haar, zij van mij.
En nu zit ik hier alleen
niemand die iets hoort
tenzij, ja gij die mijn gebaar leest,
denkt zichzelf te herkennen in onmetelijkheid.
Wie weet zijn we eendagsvliegen in een jaar,
houden we de seizoenen in stand en zijn we meer
dan een herinnering.
Het lawaai, de stank, het geklaag van de meerderheid,
zijn niets meer dan anekdotes in het verstand.
|