subject: begin van onvoltooid verhaal



Hij heeft toevallig een mens vermoord en begraven. De grond waar hij hem begraven heeft is nog korrelig. Hij had zijn dode beter verbrand of in een beerput gegooid. Maar nu is het te laat. Hij heeft hem begraven en zou het niet aandurven om hem terug op te graven. Hij is bang dat hij hem niet diep genoeg begraven heeft en dat er iemand voorbij zal komen die de uit de grond komende stank zal rieken, of waarschijnlijker nog, dat een hond het lijk zal opgraven zodat iedereen zal zien dat hier een mens begraven werd en hem zal aanwijzen als de vermoedelijke dader. De volgende dag komt hij terug om te zien of hij niks verkeerds riekt. Op de plaats waar hij hem begraven heeft legt hij een zware steen. Terwijl zijn dode stinkend onder de grond hem roerloos kwelt met angst om betrapt te worden, denkt hij aan wat ze hem verteld had over de dood van haar moeder.
    Ze zei: De onwetendheid over wat na de dood is of niet is, speelt voor mij geen rol. De pijn en de angst ervaren tijdens het langzaam doodgaan is mijn grootste angst in het leven. Moest jij er niet meer zijn als ik dood ga, wil ik een goeie priester bij mij. Zij kon het weten, want ze heeft samen met haar moeder de aftakeling tot het einde meegemaakt.
    Hij zei: Het overkomt ons allemaal. Als je het leed ondergaan hebt en de pijn en de angst voelt als een gekwetst dier, hulpeloos en verwonderd voor datgene waarvan je wist dat het je ooit overkomen zou, aanvaard je het lot en wordt je weldra de herinnering bij diegenen die je dierbaar zijn. Jouw moeder was een goed mens, maar dat is niet genoeg. Op sterven moet je voorbereid zijn en dat kun je doen in het leven.
Ze zei: Ja, ik zou de kans willen hebben om opnieuw die laatste weken bij mijn moeder te zijn.    Hij zei: Voor haar is het voorbij. Laten we iets te samen doen in het leven.

 

het jaar 2000

Vertel me over gisterenavond, vraagt ze.
Het was plezant. Ik heb met drie bands gespeeld.
Ze vraagt of ik niet teveel gedronken had.
Neen, jammen op ritme, dat was muziek.
Ze gaat een schaar halen en begint mijn nagels te knippen.
Kun jij daartegen, vraagt ze.
Ja, ik vind het leuk. Zelf doe ik het niet graag.

Ik heb alles klaargezet voor de barbeque. Schapevlees en verse vis gekocht in Oostende. S snoeit de haag. Ik ben moe. Een vliegtuig besturen zit er vandaag niet meer in. S vraagt of hij een verdorde struik mag aansteken. Van mij mag het. Veel rook en weinig vuur. Het zal de buren ergeren.

enkele dagen later...
ik ben
door leven aan het verschroeien
onzichtbaarder dan de wind
Je hebt me op een donderdag verteld dat ik een vrouwenzot ben.
Misschien is dat ook wel zo.
Ik doof mijn sigaret en riek aan mijn vinger.


 

 

bes

 

 

juli 2000


Het begint te schemeren. Wind is zacht. We zitten aan strand.
Ik steek een fles champagne met de teut naar beneden in de golven. Het water is te lauw om af te koelen.
Het was haar idee om samen te zijn en ik had deze plaats uitgekozen. We luisteren naar de zee.
Ik heb een deken over haar gedaan. Het wordt donker.
Heb jij glazen meegenomen?
Neen, we drinken uit de teut.
Ze vertelt, ik luister.
Ik zwem terwijl ze gaat plassen.
Daarna vertel ik dat dit de laatste keer was.



alleen
toch blijft rivier afwaarts vloeien
zwerven katers langs de kant
geruisloos potelen
onzichtbaar in nacht
mens riekt aan duim
en denkt: het is nog geen tien uur
neus tussen duim en wijsvinger
riekt naar voorbije dag
het leven heeft een geur
zou willen zwerven in new jork
kan niet
alhoewel
hier sta ik in new jork
zonder onderbroek maar dat zien ze niet eens
oh, wat is dit multicultureel
net zoals brussel vergroot
ik heb mijn lief vergeten
nu sta ik hier
hulpeloos zonder lief en half naakt
keer terug naar schrijverstafel
hier ben ik weer

 

 

najaarswind... maandag 11 oktober 2004

De najaarswind prikt aan de oren, doet ogen tranen, blaast bladeren ergens naartoe en knaagt in het duister al aan de baard.
Het wordt herfst. Trekvogels in zonnegloed, de tocht is nog niet ten einde.
Een blik vangen en bewaren om later naar te kijken en later, veel later, om niet te vergeten.

En, wat vond je ervan?

Ik vond het mooi, het ontroert me.

Mij ook, zoiets moois.
En mij ook, als ik iets zeggen mag. Ik vond het ook ontzettend mooi.

Het ontroert ons allen.

 

 

Donderdag 24 juni 2004

Halfzes s’morgens. Ik heb gewacht tot het klaar werd om te vertrekken. Het is bewolkt. Er waait een hevige wind vanuit het westen. De temperatuur is zacht. De wind is in mijn voordeel richting Durbuy.
Op dit uur is er geen verkeer. Tot aan het veld reed er maar één auto voorbij. Hij reed traag en de chauffeur knikte solidair, niet wetende dat ik me voor het plezier op de weg bevond. Een doodgewone werkdag halverwege de week gepasseerd.
In het tweede veld naar Leuven is het rechtsaf tot over de spoorweg in Oud-Heverlee. Op de kaart lijkt het de logica zelve. Toch slaag ik erin kostbare tijd te verliezen door een doodlopende weg te volgen tot in Heverlee bos, maar het is nog maar kwart na zes, een uur waarbij je hooguit de postbode of een vroege jogger passeert.
Nu volg ik een hoofdbaan met vlak ernaast een moeizaam te berijden fietspad. Dat gaat zo door tot in Hoegaerden. Het verkeer is op gang gekomen. Ik koop een krant en een fles water. Twee uur onderweg. Mijn gedachten neuriën een nomadenlied dat zo oud is dat het zijn naam verloren heeft. Hier begint de eigenlijke tocht. Het duurt nog een half uur om van die saaie hoofdbaan te geraken.
De weg kronkelt langs weilanden en pachthoven naar Tienen. Midden in het veld komt een grijsblauwe wolkenmassa aandrijven. Ik heb nog net de tijd om regenkledij aan te trekken. Het regent niet langer dan vijf minuten. Die wolken worden snel verdreven door de krachtige wind.
Tienen voorbij is de hemel helemaal opgeklaard en is de wind gaan liggen. Het fietspad scheert een tweetal kilometer langszij de stad.
Het middaguur dichtbij Sint Truiden. Ik eet rechtstaand naast een alleenstaande boom in het landschap. Reeds halverwege. Ik bel naar B die nu ter plaatse is en spreek het bericht in dat ik er vanavond zal zijn.
Een vijftiental kilometer van Tongeren verlaat ik de vooropgestelde weg om langs dorpen zuid-westelijk te gaan. Het is een kortere weg waarbij de passage langs Luik vermeden wordt.
De dag is in namiddagfase verslonden onder een stralende hemel. Door maagzuursel van een te karige eenmansdag, denk ik met verdachte graagte kwijlend als een halucinerende Bourgondiër aan beafsteack friet. In deze landelijke vlakte zijn geen cafés, frietkoten of restaurants. Hier wordt koeienmelk gezopen en eten ze spinaziestoemp met vet spek. De mensen rieken hier hier s’avonds nog aan hun handen voor het slapen gaan.

20h30:
De kortste weg is vogelvlucht. Rrechtlijnig op het doel afstevenen. Hoedanook, ik wil voor het donker ter plekke zijn. Veel drukte is er niet op deze expresweg. Een dertig centimeter brede watergreppel naast het asfalt doet hier dienst als fietspad. De middeleeuwen in Vlaanderen. Of dit komt door geldgebrek of cultuurverschil maakt me op dit ogenblik niets uit. Ik voel me als een slak die een straat oversteekt.
De zon zakt. De avond stelt zich aan met oranje slierten over heuvels. Daarna begint het te schemeren. Wegwijzer richting Durbuy. Nog twintig kilometer.
Na de hoofdbaan wordt het klimmen op een bochtige weg. Hij daalt in bossen en is onverlicht.

Plus-minus drieentwintig uur: Durbuy.
Ik heb nu geen zin meer om naar die boederij van afspraak te zoeken in het donker. Het weer is geschikt om buiten te slapen. Ik heb honger. De keukens zijn al veel te vroeg dicht. Dan zoek ik maar een slaapplaats in een nabijgelegen park. Een beetje teleurgesteld en met een eenzaam gevoel dool ik wat rond. Twee keer kom ik mensen tegen die Nederlands spreken. Daarna lijkt het park verlaten. Ik spreidt mijn slaapzak open onder een verlicht afdak en eet wat overschot van sandwichen. Het smaakt droog in de mond. Op het antwoordapparaat van mijn gsm staat een ingesproken bericht van B. Ze is ongerust omdat ik er niet ben en vraagt om terug te bellen. Het bericht werd een half uur geleden ingesproken. Als ik het nummer bel wordt meteen opgenomen:
Met B V…
Dag B, t’is Warket.
Warket!! Waar zit jij?
In het park van Durbuy.
Wat doe jij nu in dat park? Het is middernacht voorbij! Je had gezegd dat je tot hier zou komen.
Het was al donker toe ik hier aankwam. Ik heb mijn slaapzak open gelegd .
Ik kom je halen.
Dat hoeft niet, het blijft droog vannacht.
Ik ben toch nog aan het rondrijden omdat ik niet kon slapen. Ik kan je evengoed komen oppikken. Er is plaats genoeg in de wagen om je fiets mee te nemen. Binnen een kwartier ben ik aan de brug.
Ik zal er klaar staan. Tot straks.
Boem, patat, ik kan opnieuw inpakken. Als B iets denkt zal het ook gebeuren.
B is iemand die zelf zegt dat ze er intelegent uitziet maar over middelmatige verstandelijke vermogens beschikt. Op de middelbare school heeft ze zelfs een jaar moeten overdoen en voor haar architectuurdiploma heeft ze hard moeten werken. Ze is op zoek naar een vaste vriend met een sterk karakter maar de wereld loopt vol snotneuzen. Ze is verliefd geweest op een Marokkaan maar die is na zijn studies naar zijn land teruggekeerd.
Ik heb mijn spullen ingepakt en rijd naar de brug. Dan schiet het me te binnen dat er twee bruggen zijn in Durbuy. Ik doe een gok. Het blijkt een goeie keuze geweest te zijn want tien minuten later komt B aangereden. De fiets gaat probleemloos in de wagen. We rijden langs een donkere weg met haarspeldbochten. Ik vraag haar om trager te rijden. Het is nog achtien kilometer eer we er zijn. Ik zou het nooit alleen gevonden hebben in het donker.
De boerderij blijkt een groot pachthof te zijn. Veel kan ik er nu niet van bekijken in het donker. In de keuken staat speciaal voor mij een Duvel klaar.
Heb je nu geen honger?
Ik heb reuzehonger.
Zal ik een ei bakken?
Dat zou heerlijk zijn.
In de frigo staan zowel gekookte als rauwe eieren door elkaar. B toont me hoe je ze kunt herkennen door ermee te draaien. Dan bakt ze een omelet.
Terwijl ik eet zit ze onafgebroken te vertellen maar ik ben te moe om nog echt te luisteren. Ze heeft twee luchtmatrassen meegebracht.
Ik bedank haar voor de gedane moeite. Als we gaan slapen leg ik me ver genoeg uit haar buurt zodat ze niet zal wakker worden van mijn gesnurk ook al heeft ze me eerder al verteld dat snurken haar niet stoort.

Vrijdag 25 juni 2004

Ik ben als eerste wakker. Het is negen uur. Buiten loop ik een geblokte man van een jaar of veertig bijna letterlijk tegen het lijf. De man blijkt de eigenaar van het pachthof te zijn. Hij heeft twee speenvarkens meegebracht. In de feesttent staat een spit dat we buiten klaarzetten samen met drie barbecuestellen. Er worden honderdvijftig personen verwacht.
B heeft een ontbijt klaargemaakt. We bespreken hoe we te werk zullen gaan. We hebben zeven grote tuintafels van drie bij een meter vijftig nodig voor de koffietafel. Die staan nog achteraan. Ik had gezien hoe de eigenaar op eigen houtje zo’n zware tafel verzet. Ik heb er ook een onder mij alleen op mijn rug getild en twintig meter verder gesleurd. De andere tafels hebben we met tweeën verplaatst terwijl B aanwijzingen gaf. We moeten nog kaas, hesp en houtskool kopen en bij de bakker stokbrood en pistolés halen. In het dorp is een circus op doorreis. Op het grasplein grazen lama’s. Terwijl B de rekening betaalt stapel ik de broden op de achterbank. Bij de kruidenier vragen we de weg naar een winkel waar we houtskool kunnen kopen. Niet ver hier vandaan is een tuincentrum. We kopen zestig kilo houtskool al vind B dat te veel. Later zal blijken dat ik niet overdreven heb.
We zijn net op tijd terug om broodjes te smeren en de tafels te dekken. De schikking van het beleg met kaas en hesp op de borden bepaalt B. Het moet nu snel gaan want de eerste gasten komen er aan. De vier vrouwen die het avondeten zullen bereiden zijn ook gearriveerd. Ze palmen de keuken in. Het duurt niet lang of B komt haar beklag doen. Ze lust die vrouwen wel rauw. Het enige wat ik kan doen is trachten haar tot bedaren te brengen.
Laten we een terrasje doen in Durbuy. De barbecue begint pas vanavond.
Voor mij een coupe met aardbeien, voor haar een coupe breziljen.
Ik vertel over L en de kinderen, wat ze doen in het leven, dat ik L al drie en dertig jaar ken en dat ze morgen op bezoek komt.
B vertelt over een man die ze hier heeft leren kennen. Hij is rond de vijftig en afkomstig uit Antwerpen. Twee kinderen uit een vorig huwelijk en hertrouwd met een Waalse. Die is een jaar geleden overleden.
Ze blijft vertellen over die man, over zijn vrouw, hoe mooi en bijzonder ze was. Ze vertelt over vrienden die ze heeft leren kennen op momenten dat ze hier kwam om alleen te zijn.
Het is al een eind in de namiddag als we vertrekken. Rond acht uur worden de andere feestgangers verwacht.
17h: ik heb drie grote barbecues aangestoken en een braadspit. Het varkentje is aan de spies. Geur van pas aangestoken houtskool en het parfum van vier vrouwen. Een van de vier brengt me een groot glas blond bier om af te koelen want het wordt hier heet. Alles staat klaar in de keuken. Het wordt spannend.

20h: Iedereen is zowat tegelijkertijd aangekomen. Champagne als maagdenzucht uitgeschonken. Er is op dit ogenblik personeelstekort. Op de gril boven de gloeiende houtskool staat een grote paellapan waarin verse gamba’s gebakken worden. De sardienen, opgevuld met een zelfbereide pesta mogen ook geroosterd worden. Mensen komen met belangstelling kijken naar het ronddraaiende varkentje aan de spies. Na drie uur is het bijna gaar. De timing is perfect. Ze vragen me telkens hoe ik het klaargemaakt heb en elke keer moet ik vertellen dat ik slechts de vuurman ben die al vijfentwintig kilo houtskool verstookt heeft. Een enkele keer zeg ik dat een speenvarken eigenlijk nog een baby is die ze uit het nest halen en dat deze al een naam had. Men kon er niet om lachen. De mensen willen zien maar niet weten wat ze eten.
Nu nog de koteletten op de grill. Deze plaats wordt bedwelmd door de geur van geroosterd vlees en tijm. Het koud buffet staat al in de feesttent. Er ontstaat discussie achter de barbecue over de gaarheid van het vlees. Volgens de professionals moet gegrild lamsvlees vanbinnen rood blijven terwijl B meent dat het meer doorbakken moet zijn. Veel tijd is er niet om te ruziën. Om kat en hond gescheiden te houden vraag ik aan B om me te helpen met het speenvarken te versnijden. Het ging gemakkelijk van de spies en ik heb een slagersmes gewet. Ik snijd het voorzichtig in plakken en voor het op de schotel ligt heeft B zich vingerlikkend een portie tegoed gedaan. De kop etaleren we in het midden. De achterpoten liggen nog even apart op de rooster en zijn voorbehouden voor iemand die het eerder op de avond kwam opeisen.
Het feest is nu volop aan de gang. We hebben tijd om bier en champagne te drinken. Het begint donker te worden. Aan verlichting boven de barbecue hadden we niet gedacht. Iemand brengt van die stenen potten met geel kaarsvet. Hierdoor kunnen we ons gerief onderscheiden maar ze geven niet genoeg licht om na te gaan of het vlees al dan niet voldoende gaar is. Proeven dan maar, ieder om beurt. En zo ontstaan dan Breugeliaanse toestanden bij werkend personeel in de laatavond onder een sterrenhemel. Er is niets zo overweldigend dan met vier champagne zuipende vrouwen achter een hete barbecue te vertoeven. De tongen komen los en ik wordt op mijn wenken bediend. B loopt er een beetje verloren bij. Veel later in de nacht zal ze me vertellen dat het zo fijn was onder ons twee tot die vier teven de sfeer kwamen verpesten. Ik had het zo niet gezien.
Feestgangers komen op en aan om een geroosterd stuk lamskotelet, sommigen goed aangeschoten door de wijn. J is al vier keer komen vertellen hoeveel plezier het hem doet dat we gekomen zijn. Hij is champagne blijven drinken en het is hem aan te zien. Zijn vlinderdas hangt onderste boven en de elastiek is uit zijn paardenstaart geschoten. Net een Kelt vanuit het hoogland die zijn zwaard vergeten is, gehuld in trouwkostuum.
Een van de professionals slaat haar armen hartelijk rond mijn buik. Nog voor ik iets kan zeggen is ze verdwenen. Het moet een vergissing in het schemerlicht geweest zijn want ‘s anderendaags hoorde ik van J dat die vier lesbiennes zijn.

 

Zaterdag 26 juni 2004

Rond het middaguur wordt ik versuft wakker, in de zetel in het salon weliswaar, als een dood paard in een wijnglas. De eelt op mijn rechtervoet is opengebarsten; het doet pijn om op blote voeten in sandalen rond te lopen. Buiten wordt opgeruimd en afgewassen. De slaapkoppen zitten aan het ontbijt. Ik heb honger noch dorst. Ik wil slenteren, gezelschap vermijden en observeren, turen in details. De profesionals zijn naar huis. Johan vertelt me dat de barbecue’s nog warm waren. Ik heb zestig kilo houtskool verstookt. Barbara heeft de douche voor zichzelf gereserveerd, twee uur lang. Vanavond is het feest voor de vrienden, opnieuw honderdvijftig man. Deze keer behoor ik tot de genodigden en komt Liliane. De familie zal bedienen. De lucht is bewolkt, zwoele atmosfeer. Soms een opklaring. Ik loop heen en weer. De man uit Barcelona komt ook naar buiten gestrompeld met natte haren. Hij herkent me niet meer. Nu ziet hij er voornamer uit, bloednuchter naast zijnvrouw. Het leven gaat opnieuw zijn normale gang.
Ik spreek met Barbara af in Durbuy. Ik moet nog achtien kilometer fietsen. Halverwege drink ik een trappist. De fietstocht heeft twee uur geduurd. Dit is een zeer heuvelachtig gebied. In Durbuy luister ik naar een ingesproken bericht van Liliane op mijn antwoordapparaat. Ze is sinds de vroege namiddag toegekomen aan ons verblijf. Ik ontmoet Barbara op een terras en vertel haar dat Liliane ter plaatse is.
Ik ben aan julie verblijf geweest. Er was een vrouw met kort grijs haar. Zou dat Liliane kunnen geweest zijn?
Ik denk het wel. Ik had haar pas vanavond verwacht. Dit moet een misverstand zijn.
Eddie, jij bent echt een speciale.
Ik weet het, maar dan niet met opzet. Ik ga ernaar toe.
Weet je de weg nog?
Achter de kerk rechts naar boven.
Naar de boerderij bedoel ik.
Die weg vind ik wel terug.
Als ik een half uur later aan het verblijf arriveer blijkt Liliane vertrokken te zijn. De eigenaar geeft me de reservesleutel. Het is hier rustig en ruim genoeg. Binnen mag je niet roken. Ik neem een douche en trek propere kleren aan. Op dat moment komt Liliane binnen.
Awel, waar ben je gebleven? Ik ben sinds vanmiddag hier. Ik heb twee uur op jou staan wachten en ben dan naar die fessttent gereden. Johan vertelde me dat je s’middags vertrokken bent.
Niet waar, ik ben pas deze namiddag vertrokken. Ik dacht dat je pas vanavond kwam.
Ik had je toch verteld dat….
Dat heb ik dan slecht verstaan. Zullen we vertrekken? Dan zijn we nog net op tijd voor het aperitief.
Ze kent de weg naar de boerderij feilloos vanbuiten en slaat mijn aanwijzingen in de wind. Een keer is er twijfel. Als we aankomen op het feest hebben we net het aperitief gemist. Iedereen wordt uitgenodigd aan tafel. De collegas zijn er al. Roger met zijn vrouw die zwart geverfd lang haar heeft en op Liz Tailor lijkt, Freddy met zijn vrouw en hun zoon die mongolide trekken heeft, Gustaaf met zijn vrouw die nog lelijker is dan hijzelf, Danny muzikant en vrijgezel, Michiel, Julien en Samanta. Haar vriend komt later. Ik ken het menu vanbuiten en weet hoe het klaar gemaakt werd. Deze keer zijn de varkenspoten voor mij. Aan de barbecue hebben ze nu verlichting voorzien. Johan houd een speech en zijn kersverse echtgenote doet ook een poging maar meer dan gechiechel komt er niet uit. Tijdens het eten wordt saaie muziek gedraaid op de achtergrond. Het is een andere d.j dan gisteren maar na het eten wordt het beter en loopt de dansvloer vol. Samanta die anders stil en verlegen is gedraagt zich uitbundig, ja, zelfs uitdagend. Ze fladdert als een nachtvlinder over de dansvloer. Barbara danst met de bezetenheid van een voodochild en Liliane is ook niet van de dansvloer weg te slaan. Ik dans met Liliane een slow. Haar haren ruiken nog net hetzelfde als vijfendertig jaar geleden. Ze fluistert in mijn oor dat ze me gemist heeft. We omarmen mekaar op het ritme van de muziek. Ik zie u graag, fluister ik terug. Lang geleden dat ik het nog gezegd heb. Ik druk haar lichaam tegen me aan. Het is een lieflijke avond. Rond drie uur rijden we naar ons verblijf.



vrijdag 29 oktober 2004

Als katten de nacht inzwerven. Het is koud en de mist blijft hangen. Volle maan en zo stil dat je het lawaai alleen nog in je binnenste kan horen. De wereld staat nu verder van de zon dan in de zomer. We stuiven terug in de herfst.
Ik zit me uit te puren met koptelefoon in popmuziek en drink een meergranenbier.
Dansend gezeten op mijn stoel schrijvend en hoor een prachtig lied

nachtkatten....

 

 

 

evieblik

 

 

 

 

ik schrei zachtjes




onaanvaard blijf ik vreemd,
blind hunkerend naar geloven
om een enkel mens

soms wacht ik, zoals dag op nacht
en sla wekkers stuk tegen het hoorspel
van mijn dromen

ik veeg ogen op het vroege raam,
de wereld zo vreemd in het vergeten licht

jij kijkt naar mij
in andere handen

en ik schrei bij iedere stap
glazen bloemen op je naam




kerima ellouise ©

 

 

3116

 

juni 2007

 

 

 

 

 

vluchteling

 

 

nacht

in een nacht zonder wolken
een kamer met open deur
die tabaksgeur verdrijft
en demonen verjaagt
zit ik daar in die ijle wereld

het is mijn beurt zegt de regisseur
de dorpsklok luidt het uur
zonder ander reden
dan haar schoonheid
op een grenslijn van schaduw
van zon, water, aarde
licht en donker
noem ik haar vrouwelijkheid

heel mooi klinkt zijn...haar schriftuur
als zachte muziek in mijn ziel
is het de dichter die spreekt als de wind
is het de grens van de leegte die me lokt
of de stilte van een eenzame stem in het heelal
die onzichtbaar lief heeft en niets is

 

 

subject: begraafplaats.....9 september 2006


Als ik een rustigere plaats dan de rust in mijn hart wil opzoeken, begeef ik me steevast naar
een afgelegen begraafplaats om bijna plechtig naar de inscripties en beeltenissen te kijken van
overledenen.
In dat sereen landschap met zijn stenen zerken
rust de nagedachtenis als een heiligdom op een grens naar niemandsland
ik slenter erdoor als een levende passant
langs zij die ons voorafgingen
lichamen, vergaan in deze grond
Ik hoor mijn voetstappen in de kiezel en ga verder zonder een ogenblik stil te blijven staan.
Verderop is nog een begraafplaats van onbekenden waar geen grafzerken staan
maar wel wit geschilderde kruisen met namen ingegrift.
Een plaats perfect onderhouden uit respect voor heldenmensen uit een tragiek
van een recent verleden. Geen teken van kruidsleven.
Op een keer, toen ik er aan de trappen op een viersteense muur appelsienen at,
was een spin een web aan het maken tussen mijn fietszadel en een dichtbijzijnde struik.
Ik vroeg me af hoe ze dat deed. Vooral het begin moest moeilijk zijn.
Soms zit ik daar aan rust en stilte bezweken
te kijken naar afgestorven bladeren opgehoopt in kieren
van een brede stenen drietredentrap.

 

subject: feest.....18 augustus2006

lagen we als onbekenden afzijdig als slangen in een mysterie aan elkaar gekleefd
als ik haar kus zegt ze: zo heb ik niemand gekend
beneden is er een groot feest aan de gang
de genodigden zijn bekenden
de kinderen slapen buiten met een roofdier dat ik meegebracht heb
overspelig zat mijn vader in het vroege uur nog aan een glas cognac te nippen
terwijl hij zei: overdrijven we nu niet?
in feite konden we mekaar niet verstaan in onze dovemansoren
en ik miste iemand die niet gekomen was
dan was plots het feest gedaan, sliepen de bekenden
zat ik met verlangen in een medogenloze ruimte
kwam er vuur uit de hemel
en ging ik met de kinderen ondergronds

 

 

zaterdag 8 oktober 2005

Een zaterdagmorgen uitslapen tot acht uur
meteen kaasraklet met stokbrood eten

jij zit kaasraklet te eten in deze morgenstond
zingt ze
terwijl ze langs de wenteltrap fladdert
ze gaat naar het toilet
ja, dat smaakt
er is geen toiletpapier meer
ik stop haar een paar servetjes toe die dienen voor een beleefd diner
groen zijn die papieren servetjes
dan gaat ze terug naar boven

Ik had gedroomd dat ik een fiets wou kopen. In de toonzaal stonden de fietsen op wieltjes met ervoor een groot scherm. Ze deden me een koptelefoon aan en zetten me een bril op. Ik ging op de fiets zitten. Het licht ging uit. Voor mij zag ik een landschap en hoorde de wind in mijn oorschelpen waaien. Toen ik vroeg of ze geen gewone fietsen verkochten begon iedereen te schaterlachen tot iemand zei: er is geen plaats meer om te fietsen. Je kon je altijd laten inschrijven op een wachtlijst voor een geleid bezoek naar plaatsen waar de fauna bewaard was gebleven.

Vanmiddag ga ik een maaltijd klaarmaken. Een ribstuk met ajuin, gesausd in rode wijn en genoeg voor wat overschot voor de hond.

 

maandag 31 oktober 2005

Ochtendritueel. De slaap wegschudden, het kan nog altijd buiten. Daarna weg met de hond. Ze ploetert door modderige plassen. Dan terug thuis. Zij is in de tuin. Ik ga in de kelder, mijn tempel. Ik werk er tot lang na avondval. Later zal het een plaats zijn waar het aperitief en de push café gedronken wordt, waar gezondigd wordt tegen vaste waarden.
Deze dag lag eenenvijftig jaar te wachten om vandaag te zijn.

Bertolt Brecht schreef: ‘Hoe kun je goed zijn in een tijd waarin er geen vraag bestaat naar goedheid?’,  waarop Hans Sahl in zijn boek ‘Memoires van een moralist’ schreef: ‘Alleen in een tijd waarin het moeilijk is goed te zijn, wordt goedheid pas echt zinvol en maakt het van de mens een zedelijk wezen.  Ze leefden in een tijd waarin gedacht werd dat het genoeg was de waarheid te spreken. Ze voelden zichzelf martelaren die een eind maakten aan het ongeduld van het hart. ‘Nooit eerder heeft een generatie zo’n onwerkelijke opvatting  van de mens als voorbeeld gehad, en nooit eerder  is ze zo wreed teleurgesteld’, vervolgt hij.
Niet eerder dan vandaag is het me zo duidelijk dat een gevoelen ontstaat uit zijn reden. Door de reden te beïnvloeden, beïnvloeden we ons gevoelen. Het gevoelen van Frober werd beïnvloed door zijn alcohol- en drugverslaving, een zwakheid die zijn zelfbeeld vernietigde. Toen hij na een ontwenningskuur matig bleef, beschouwde hij dat als een overwinning op zichzelf. Hij veranderde en ontdekte weer nieuwe dingen. Door het verdwijnen van de reden, zijn verslaving, veranderde zijn gevoelen, het zelfbeeld. Hij ging daardoor zijn handelen en dat van anderen vanuit een andere context appreciëren.

 

 

8 februari 2004

Dag Kamiel. Uw e-mailadres is letterlijk in het bierkaartje verwaterd door een regenbui net voor ik vanmorgen thuis kwam. Ik doe een gok om het correct te spellen al zal dit bericht u wellicht nooit bereiken. In dat geval zal het als een spreuk in een wijnfles op de internetzee blijven dobberen en zal  ik de enige zijn die het kan weten. Toch probeer ik enkele mooie zinnen te lispelen, geen wereldfilosofie of verzonnen waarheden maar iets over halfweg tussen Leuven en Duisburg. Halverwege omdat net op dat moment de volle maan in mijn gezichtsveld door de wolken breekt en de hemel in het oosten begint op te klaren tussen nacht en ochtend. Ik denk aan het toeval, niet om wat hier gebeurt maar om uitgerekend op dit moment door dit veld te fietsen. Ik denk aan hier en nu, een fragment uit de toekomst dat al sluimerde  toen we nog op de schoolbanken naar spannende avonturen van Jan Zonder Vrees luisterden. Was het niet die meester Volders die zo'n boeiende verteller was?
Sta me toe Kamiel dat ik over een verleden spreek, over onaangeroerd gebleven herinneringen bewaard in meer dan een half mensenleven vol frapatsen, contentement en  wat verdriet, door onze toevallige ontmoeting opgegraven uit ongeploegde grond.

 

Zondag 9 november 2003

Klare ochtend in zondagstilte. Voor een keer met zen vieren. Ze slapen nog. Straks ontbijt met twee en daarna een voor een. Misschien met zen vieren tot vanavond of zelfs tot morgen. Of met zen vijven. Twee vrouwen, drie mannen en een hond, met zen zessen.
Oorgesuisstil in huis. Vroege zondagstilte. Zelfs de hond komt er niet uit. Pas nadat ik mijn kleren aantrek zal ze kwispelend afkomen voor de ochtendwandeling .
Koude ochtendlucht onder blauwroze hemel. De deur staat open, de kou botst tegen de warme binnenlucht. Koude tenen.

kort geblaf maar een keer
gestoord in haar ochtendhumeur
niemand heeft zin om op te staan
het is nog zondagstil
straks maak ik een stoofpot klaar

 

Donderdag 3 november 2005

Het is winteruur, het wordt klaar als ik vertrek. Ik rijd over een modderige betonnen veldweg  naar Leuven. Terwijl ik door het landschap fiets fantaseren mijn gedachten hoe het zou kunnen zijn om naar Afrika te fietsen, vraag ik me af of ik ooit zal vertrekken, als ik alleen ben en niemand zal missen, zelfs mezelf niet.
De dag breekt langzaam door, ik ga op tocht.

ik ben teleurgesteld over de evolutie van de samenleving
we drijven mekaar in het nauw
het lijkt erop alsof de mens zichzelf gaat vertrappelen

mierenzuur drinkende hufter!

en vraag ik:...is er nog iets?
hou op

straks ga ik naar boven, woel mij in haar schoot en zing:

weer is slecht
niets
erweer niets
niets één

 

zaterdag 5 november 2005

De zonsondergang was  bloedmooi. Halfweg bleef het aan de horizon roze, bijna kleurloos
versmolten met purper dat verging in het gedonkerte van de hemel. Het was als een lied bij een luit, in een sterrennacht gezongen door een stervende. Het zijn mijn zinnen, mijn woorden niet. Ze zijn van niemand. Ze behoren aan de taal. Hooguit het doel waarvoor we ze gebruiken is ons toegeëigend, als een muziekstuk zonder partituur, een afvalproduct van de werkelijkheid.
Is het zo dat de meeste dingen iriëel zijn, dat we wel iets waarnemen, iets gemeenschappelijk dat ons verbind, en de manier van waarnemen onze waarheid spreekt?
Ik heb mijn lederen jas aangetrokken. Een oude jas met littekens. De rechtermouw is op drie plaatsen hersteld en aan de onderkant heeft de schoenmaker een nieuwe lap genaaid. Hier en daar zijn scheurtjes bijgekomen maar die jas houdt nog steeds de snedigste kou tegen.
Er groeien paddestoelen, de bladeren vallen als sneeuw uit de bomen. De kamille bloeit. Veel is verdord. Dan kom ik woordeloos terug, in een moeilijk te beschrijven leegte. Het lijkt alsof mijn gedachten verschrompelen, dat ik niet meer kan besluiten. 'Het orkest speelt vals in mijn hoofd' schreef Wilfried Eetezone als bijgedachte in De Morgen. Er zit niets anders op dan een gedicht uit vorige zomer te herlezen:

vanavond laat zal een nachtegaal zingen
zal ik wat lavendel op mijn handpalm wrijven
gaat kaarslicht dansen
en verlichten glimwormen mee de tafel
het is hoogseizoen nogmaals
en zie,
de merel begint te fluiten
het is een goed teken
het achtergrondgeluid verdwijnt
de vliegen gaan slapen
de mot maakt zich klaar voor een nachtelijk avontuur
kamikaze op zoek naar licht
zomaar omdat het onweerstaanbaar is
stervend in dansend kaarslicht


Dan ruik ik nog aan mijn pols, wrijf over de pas geschreven tekst en vraag me af of iedereen ook van die rare dingen doet. Morgen is vandaag gisteren. In de toekomst herinneren we ons wellicht vandaag  niet meer. We willen even alleen zijn, alleen redeneren,  bedenken,  ons eigen alleen dat geen bijzijn duld.

 

donderdag 10 november 2005

 
Het ontroert me, die schoonheid. De kleur van die appel die ze liet zien. Ik zal haar bijzijn mijn gans leven herinneren, haar hese stem in mijn ouderdom niet vergeten. Het is goed zo. Zie ons hier zitten.
Iets onweerstaanbaars kan het rationele soms overschrijden, zoals geheimen in de nacht beluisteren en de tijd vergeten, aan een barkruk met twee Wodca proosten, de kater erna ondergaan.

 

 

cr5

 

 

 

 

dinsdag 15 november 2005

De dagen werden een samenhang tussen opkomende zon en zonsondergang. Ik voel me beresterk en toch fragiel. Soms dool ik voor zonsopgang in het bos met ijskoude handen, en als de dageraad losbreekt voel ik me ontzettend gelukkig.
De woorden die ge leest  betekenen  mijn werkelijkheid. Het is mijn spraak. Ze zeggen dat ik nooit over haar schrijf, en dat is waar. Het is moeilijk te beschrijven hoe het is om vijfendertig jaar alles samen te delen, mekaar onvoorwaardelijk te dulden, hoe het is om onafscheidelijk te zijn, of hoe het is om een half mensenleven elke nacht de warmte van mekaars schoot te voelen. Zij is mijn wederhelft. We houden van onze kinderen. We zijn tezamen omdat we mekaar niet kunnen missen. Alleen de dood zal ons scheiden. Ik hoop dat niet zij, maar ik de pijn van het alleen overblijven zal moeten ondergaan.

 

vrijdag 18 november 2005

Ik ben alleen achter gebleven in deze avond, in de hoek waar ik zit te schrijven met gedempt licht. Zelfbewustzijn alleen. Ik spreek naar de lucht tot iemand mijn woorden leest  Twee woorden zoals: wijnrood fluweel, of een verhaal over haar, hoe we mekaar leerden kennen. De eerste eindejaarsnacht  in het jaar tweeënzeventig. We hadden afgesproken in de vooravond aan de parochiezaal. Ik liep uren tevoren langs donkere straten door de ijskou. Ik droeg een lange blauwe winterjas die ik ‘mijn lode’ noemde. De opwinding steeg naargelang het uur van onze afspraak  naderde. Dan de zinderende schok van ontmoeting, de tederheid erna, blinde liefde. Net voor middernacht zijn we naar het frietkot gegaan. We kregen onze nieuwjaar: zij een reep chocolade en ik een sigaar. Het was middernacht. Een uur later moest ze gaan. Dan werd het een week wachten tot een volgend samenzijn.
Een keer hebben we eindejaar gemist. Ik had legerdienst in Duitsland. Het vroor die nacht toen ik aan een depo de wacht hield. Ik miste haar zo, dat ik naar de maan keek en me inbeeldde dat zij op datzelfde moment ook keek. Het bracht haar dichter bij mij. Na al die tijd is ons samenzijn evident. Iets in ons is onveranderd gebleven: datgene wat ons samen bracht en houdt.

zaterdag 19 november 2005

Ik sta op met tollende woorden in mijn kop. Ik schrijf, lees, herschrijf, herlees tot het middaguur nabij. Dan ga ik wandelen om tot rust te komen. Nog ga ik op banken zitten om mijn gedachten op te schrijven. Zal ik ooit sprakeloos worden?
Frits Weeda  bekijkt de wereld nog steeds met de blik van een fotograaf, hoewel hij bijna veertig jaar niet meer fotografeert. Wat was de reden van die radicale beslissing om nooit meer de camera op te nemen? Zijn werk ging over de teloorgang van schoonheid, een kwalijk neveneffeckt van vooruitgang. Na een zware zenuwinzinking verbrandde hij in 1965 alle bruggen achter zich.
Het lukt me niet om innerlijk sprakeloos te zijn. Ik moet terug. Iemand had vannacht in de lavabo gekotst en die moet nu ontstopt worden. Daarna maak ik eten klaar. Een diner met kaarslicht. Na het eten getwee achterblijven aan tafel terwijl ze mijn verhalen leest en bekritiseert, het laatste glas wijn verdelen. Ik verlang nog altijd naar haar. Telkens als ze binnen komt ben ik blij. Ze is een  schoonheid op leeftijd. In haar kalmte lijkt ze bijna van steen.

zondag 20 november 2005

9h: Ik sta als eerste op, maak koffie en kook eieren. Dan komen ze beneden. De nevel blijft klam in de lucht hangen. We gaan naar de luizemarkt aan de Marollen.
Wil iemand mijn haar knippen? Fantastische zondagmorgen. Iedereen is blij. In het huis hangt een geur van gekookt ei en koffie. Bert zal rijden.
Voormiddagdrukte op de stoep. De beau monde op middelbare leeftijd. Mannen in lange, nonchalant duur verkreukelde winterjassen, vergezeld van hun geëmancipeerde dames. François, vient voir! Geen enkele plaats in deze stad bezit zoveel contradicties als de rue Blaes met zijn winkels waar onbetaalbaar schoon geëtaleerd wordt, met zijn façades waarachter de marginaliteit onheilspellend roept. De kleine goedkope cafés blijven nog verzoenend bestaan tussen de chiquere bistros zoals ‘de schieve architect’ of ‘Le Royale’. In de zijstraten kom je in de getto’s terecht. Het zijn naburige achterbuurten op de hoek van de straat.
We eten, we praten over de toekomst. We gaan buiten. We gaan binnen. Binnengeur van wierook en boenwas. Buitengeur van koude uitlaatgassen en odeurtjes van ‘chéries’ zoals die van François.

ik koop een muts voor haar
op het goed vallend uit
als ze niet past, of ze vind ze niet mooi
doe ik ze wel aan

De dag is vroeg ten einde. Het vrieskoud buiten. Mijn adem vernevelt in het straatlicht. Er is geen kat op straat. Zelfs geen blaffende hond. Moest het lot ten einde komen zouden er geen getuigen zijn. De televisie gaat aan. Niemand kijkt. Niemand is er voor de aangedane televisie.

donderdag voorwinter tweeduizend en vijf

Kom buiten, het is donker,  het regent.
Ik weet met zekerheid dat dit ogenblik geen moment uit het verleden is, dat ik niet thuis gekomen ben maar nog thuis komen ga.

zoogdier op drift

 

zaterdag 26 november 2005

Kwart voor acht. Ik wordt wakker van het licht dat ze aangedaan heeft.
‘Er ligt meer dan tien centimer sneeuw buiten’, zegt ze enthousiast. Het gevoel vanuit mijn kinderjaren toen ik wakker werd met buiten een dik pak sneeuw maakt zich meester van mijn nog slaperige geest.
Het heeft vannacht fel gewaaid. De wind was guur en drong door merg en been. Sommige windvlagen deden het nog overgebleven riet tot dicht bij de grond buigen.
Ze is vroeg opgestaan en heeft voor Stef koffie gezet. Hij is net vertrokken. Zalige zaterdagmorgen. Niks moet, alles mag, alles kan met daarbuiten een schijnbaar verlaten besneeuwd landschap in zwart wit.
Overwegend wit, met zwart van verroeste drinktroggen in de weiden, het zwart van niet besneeuwde takken, zwart van toppen uitstekende kluiten op het land,
zwart van niemendal in de sneeuw.

Hij is teruggekomen omdat de bus niet kwam opdagen. Even later kruipt hij terug in bed om verder te slapen. Behalve hij en ik is er niemand in huis.
Ik trek een wintertrui overaan en zet de verwarming wat lager. Voor mij hoeft die binnenshuislijke zomerwarmte in de winter niet. Wees blij dat we de koude buiten houden, binnen geen jas moeten dragen, dat het meubilair niet koud aanvoelt, of dat onze adem niet verdampt. 

Het blijft sneeuwen. De twee merels zijn in de buurt. Ze gaan op de tuintafel zitten. Ze zullen de winter buiten overleven.
De wind is opnieuw opgekomen en waait de sneeuw uit de populier.

oe
ha
nomo ketam 
adjhoula, adjhoula

Mijn oog dwaalt in het gebeuren dezer dag. Er klopt iets niet, zou mijn grootvader  gezegd hebben moest ik hem verteld hebben dat de patatten in zijn bord uit China komen en dat de Chinezen ons witloof opeten, dat we niet meer knielen voor de natuur, dat we zoveel meer kennis vergaard hebben zonder er iets mee te doen, dat we comfortabel leven en er desnoods voor zullen vechten om het in stand te houden. Hij zou het niet begrepen hebben moest ik hem verteld hebben dat we  mekaar zomaar voorbij lopen en ervoor zorgen dat er geen hondenpoep blijft liggen, dat je een zebrapad opzoekt om de straat over te steken. Mijn grootvader zou in zijn tijd in dit seizoen dag en nacht de witloofketels met steenkool vullen, de koeien voederen en daarna zuinig een jenever drinken bij hen rond de stoof.
Ze spreken over het weer of over een koe die net gekalfd heeft. De vrouw des huizes keutelt in de stoof. Het overschot van het avondmaal pruttelt achteraan op de hete stalen plaat. Een van hen heeft de weerwolf gezien. Telkens opnieuw vertelt hij zijn verhaal. Een ander heeft het over de scharensliep die in het rijpe korenveld huist. De winter heeft hem verjaagd.

 

 

pen

 

 

Donderdag negen december 2005

Ik heb  zin om  voor een keer geen onzin uit te kramen, om  socio-economisch en multicultureel over deze samenleving na te denken met een innig verlangen de wereld te verbeteren en een rooskleurige toekomst voor alles vast te leggen.  Voor ik dat probeer sla ik mijn armen om haar heen en staan we minuten in gedachten drie seconden stil. Ik zeg: ik ga een echt artiekel schrijven zoals journalisten dat dagelijks doen.
Een half uur zit ik hier neuspeuterend te peinzen zonder resultaat. Ik kan zelfs de 'ik-vorm' niet kwijt. Wanhopig neem ik de krant en noteer opschriften zoals:
verkeerswet wordt weeral herschreven
geen hoop voor wie zonder stroom winter in moet
dronken doodrijder maakt tweede slachtoffer
opwarming klimaat bedreigt gezondheid Europeanen
merendeel oude computers heeft porno op harde schijf
regering is niet bij machte beheerders elektriciteitsnet te dwingen
niemand spelt radicalen de les
kroniek van veel menselijk verdriet
er valt geen hol te beleven in de grot
laptopnek, muispols,Sms-duim, en....iPodvinger
sinterklaas over Generatiepact
Neen, het lukt me niet iets zinnigs te vertellen. De opschriften zijn me al te veel. En dan al die geschriften van zogenaamde feitelijkheden.  Dan ga ik nog liever in de winter met rubberen laarzen in de Dijle staan kijken naar kwakende eenden.
Zolang we geen medeleven betonen, onverdraagzaam blijven en met angst door het leven ploeteren, zal ik niet het verlangen hebben om iets zinvol te schrijven.
alhoewel, ik heb haar verteld dat ik iets zinnigs zou schrijven
aan elke bedelaar geef ik een euro omdat ik naïef en medelevend ben
ik verplaats me met de fiets of te voet
ik probeer een voorbeeld te zijn voor mijn volwassen kinderen
en ik tracht niet te verdwalen in gedachten

en dan vraagt ge u misschien af: waarom schrijft ge dat
en zeg ik: dat vertel ik nu niet

 

 

san3

 

 

 

maandag 30 oktober 2006

Gekleed met naakt,
zelfs dan blijft een impressie bestaan.
Op dertig oktober van dit jaar was het mooi ochtendweer. De stad is bijna leeg.
De kraaien vliegen voor
over bedauwde grond die langer zal bestaan dan dit geschrevene.
De bladeren gestorven in het najaar en die alle kleuren hebben doorstaan,
rotten nu op de platgestampte aarde.
Ik heb erg veel zin op eten in een ochtendcafé.
Er zit een man met gekruiste benen voor een kansspel. Op de glasplaat ligt
een pakje Marlboro. Een vrouw kijkt rond, tuurt bij de koffie door het raam.
Ze heeft krullend haar en ze draagt een bril.
De ochtend broeit, loeit en reikt over iedereen heen.
Schaduwen over de stoep van zij die buiten zijn en bewegen.
Zelf vind ik mijn schaduw niet. Misschien besta ik niet meer.
Loeit, broeit, reikt die ochtend over iedereen heen als een reusachtig lichtgordijn in een roes van overspeligheid.
De maan had de avond voordien nog wazig geschenen
en de wind was gaan liggen zodat de loszittende dingen niet meer bewogen.
Maar nu, in dat reusachtig lichtgordijn zonder mijn schaduw nog te zien
besta ik niet meer.

Er fietst een man voorbij. In zijn fietszak steken chrysanten.
Toen ik op de begraafplaats kwam viel het me op dat de mensen die daar
rondliepen vooral ouderen zijn.
Ze hebben al veel leeftijdsgenoten verloren en herdenken hen nu.
De doden komen weer tot leven.
Vroeger kwamen we met heel de familie bijeen en werden er pannenkoeken gegeten.
Dat doen we nu nog, maar er is een generatie verdwenen en een nageslacht bij gekomen.
We bezoeken ook de graven niet meer en versieren ze ook niet meer met bloemen.
Het enige dat overgebleven is, is het feest en de nagedachtenis.
De man fietst opnieuw voorbij. Deze keer zonder chrysanten. Die heeft hij op een grafzerk gelegd. Hij fietst in tegenwind. Het weer is in de herfst omgeslagen, net op tijd voor Allerheiligen.
de laatste zonsopgang
niemand weet wat daarna gebeurt
de straten worden donker
de huizen omhuld in een winterlucht
de aarde bevriest

Hij slabbert met zijn tong wanneer hij leest. Hij degusteert het geschrevene,
zegt zijn moeder.
De familie zit bijeen aan tafel: hij, zei, hem, haar, haar van hem, hem van haar, zij van mij.
En nu zit ik hier alleen
niemand die iets hoort
tenzij, ja gij die mijn gebaar leest,
denkt zichzelf te herkennen in onmetelijkheid.
Wie weet zijn we eendagsvliegen in een jaar,
houden we de seizoenen in stand  en zijn we meer
dan een herinnering.
Het lawaai, de stank, het geklaag van de meerderheid,
zijn niets meer dan anekdotes in het verstand.

 

 

 


 

 

  musfiets  

 

 

 

 

eigenlijk

eigenlijk
ja eigenlijk
waarom niet

eigenlijk zou
alles anders zijn
ja, eigenlijk zouden we...

waarom niet eigenlijk?

in feite
ja, in feite
waarom niet

in feite zou alles anders zijn
ja, in feite zouden we...

Waarom niet in feite?

 

vogelschrik

roerloos staat hij
op zijn plaats
geplant door zij die hopen en zwoegen
hem als een werktuig hanteren

roerloos staat hij daar
in opkomend daglicht
zonder gelaat
graatmager getooid met lompen

tot zonsondergang
vogelschrik, verschrikker
zonder neus of ogen
vertel ons het zwijgsel van de dag

 

 

 

kamiel

 

Weet je nog, die tentoonstelling met Irène en die oude slechtziende schilder in de voorzomer? Zijn die twee boeken al klaar? Het wordt tijd dat we mekaar nog eens zien, dat we met de vrouwen een lamsbout in look met witloof afknagen en ons genadeloos bezatten terwijl mijn zelfgemaakte paté ligt te stinken in de oven.
Nu nog niet want Ik rijd door de stad, geblust door  te weinig slaap. Het is alsof ik me in een film verplaats. Tegenstrooms, bergop, met blutsen en builen leunend tegen de ochtend. Ik beklaag me niets.

Ik was met Kamiel op stap geweest, of beter, we hadden zes uur op een stoel gezeten aan een tweepersoonstafel. Of ze rond of vierkant was weet ik niet meer. Namen ben ik ook vergeten.
Kamiel was met zijn dochter een koffie gaan drinken. Daarna is hij naar De Schuit gekomen. We hadden afgesproken om halfvijf.
Heel lang geleden, toen kinderen nog op de straat speelden, zat hij op de voorste bank en ik achteraan in de klas. Een secretariszoon en een schrijnwerkerszoon. Hij de eerste van de klas, ik ergens bij de laatsten, net voor de boerenzonen en één enkele debiel. Toen kon dat nog. Oorvegen waren net uit de mode. En nu zitten we een half mensenleven later in De Schuit aan tafel.
Hij is naar Canada geweest en heeft daar een paar gedichten voorgelezen voor een driemanspubliek. Zolang het publiek talrijker is dan mijn aanwezigheid ga ik ervoor, zei hij. Groot gelijk. Ik zou het ook doen.
Hij was net zoals ik met de fiets gekomen. Ik vergat hem te vragen of hij ooit met een wagen gereden heeft.
Ik gaf hem mijn boek. Het is een gift. Niet om te beoordelen. Hij glimlachte toen ik vertelde dat ik goedkope afdrukken van mijn boek ga laten rondslenteren in kroegen.
Hij schrijft opnieuw een boek. Ruwe samenraapsels uit het leven ordenen. Vodden beschreven papier uit de broekzak halen en een plaats geven in het verhaal, zo heet dat. Niet zomaar een verhaal over een ‘ fin de carriere ‘ maar over iets dat vroegtijdig stopte zonder doodsangst. Zeg ik het goed?
Laten we niet filosoferen in gefluister, maar roepen en tieren, knorren als een varken als het moet.
Mijn hoofd straalt. Mijn ogen niet. Die blijven beschonken voor de rest van de dag tenzij er een wonder gebeurt of een heilige uit de hemel valt en de waas uit mijn ogen blaast.
Terwijl ik niet in het zonlicht kijk denk ik terug aan het zielsgenootschap van voorbije nacht. Nu weet ik zeker dat ik niet alleen ben.
Twee dames van mijn leeftijd drinken trappist op muziek van J.J. Cale, of is het Blue Blot?
Merde. Geen lezer die het kan horen.
Iemand drinkt wisky aan de toog. En ik, ik ga voort.
De dag erna is het zomerweer. De deur staat open. Iemand vraagt hoe je van een kubiekemeter een vierkantemeter maakt. Het heeft iets met hout te maken. Mijn hoofd zit vol met halve manen in sterrenbeelden. Het is zomerdag. Een poging om een laatste antwoord op een vraag  vandaag.
  Vanavond ga ik in de wind zitten, kijken naar wolken zonder contrast, die snel voorbij schuiven, het gebladerte dat heen en weer beweegt zonder keuze
Ons Nouka heeft mijn stuk chocolade opgegeten. Ik hou op met schrijven. Alhoewel? Ja, toch wel. Anders ga ik vloeken om een reep chocolade

 

feest

lagen we als onbekenden afzijdig als slangen in een mysterie aan elkaar gekleefd
als ik haar kus zegt ze: zo heb ik niemand gekend
beneden is er een groot feest aan de gang
de genodigden zijn bekenden
de kinderen slapen buiten met een roofdier dat ik meegebracht heb
overspelig zat mijn vader in het vroege uur nog aan een glas cognac te nippen
terwijl hij zei: overdrijven we nu niet?
in feite konden we mekaar niet verstaan in onze dovemansoren
en ik miste iemand die niet gekomen was
dan was plots het feest gedaan, sliepen de bekenden
zat ik met verlangen in een medogenloze ruimte
kwam er vuur uit de hemel
en ging ik met de kinderen ondergronds