Stalen vogels trekken wegen door purperblauw
en beneden glinstert hooggras.

Het is stil,
behalve haar adem als ik haar aai.
Zangzindig riek ik aan mijn hand.
Ze kwispelt voortdurig.

Ben ik een mens,
vraag ik me af in gebroken stilte.
Het schemert. We gaan
terug vanwaar we gekomen zijn;

bloeden stenen in lange stegen
onder haar poten en mijn geschoeide voeten.

Terug met haar naar zijbijmij.
Met haar, zijbijmij naar vollemaan.
Met haar, zijbijmij en
vollemaan naar een ander.
Dan terug met haar.

 


 

Begin

Home