begin

Home


       subject: ontmoeting
ontmoeting 



Ja, in feite. We hebben vannacht  buiten aan tafel de wereld willen verbeteren. Ik krabde aan haar schouders en dan gingen de kinderen voort. Ze droegen een propere wasmand mee. De jongste bleef nog wat filosoferen, alhoewel, we praatten over simpele dingen.
Eigenlijk zou het een leugen zijn als ik niet wou hoe het snorhaar mijn lippen overwoekert en het overal zou mogen groeien zoals het bij de Nerviërs was. Laten we onze goesting delen. De helft scheer ik weg en de rest blijft groeien.
Nu ga ik weg met haar, laat haar gaan. Af en toe kijkt ze naar mij, kijk ik naar haar. Getwee in dit leven zonder zekerheid of we mekaar begrijpen. 

Laten we nog eens bijpraten, had ze gezegd. We hadden mekaar al lang niet meer gezien. Die ochtend was ik vroeg vertrokken. Ik zou bij haar langs komen. Dat hadden we afgesproken. Ja, heel graag, had ze gezegd.
De ochtend was blauw. Voor ik vertrok nam ik een slok absint om de kilte te verdrijven. Dan dacht ik aan haar, of ze eruit zou zien als het beeld dat ik me nog herinnerde, hoe haar stem zou klinken en hoe ze woonde op het adres dat ik opgeschreven had.
Toen ik aanbelde kon ik nog net een glimp opvangen van haar nieuwe vriend die vertrok.
       Ik eet en slaap niet meer van verliefdheid zei ze meteen en ik krijg rimpels in mijn gelaat.
Ik had champagne meegebracht.
       Je bent vermagerd maar van die rimpels zie ik niks, antwoordde ik terwijl ze een champagne- en limonadeglas uit de kast nam. Je ziet er verrukkelijk uit.
Ze had van die mooie ogen als een verdwaalde ster. Nu herkende ik het weer,  die glimlach die nooit voluit ging alsof een mysterie haar tegenhield. Misschien kwam het door haar minnaars die ze een voor een als bloedende ridders achterliet op het slagveld van de sleur.
Ik mocht haar gratie verdienen door geen minnaar te zijn.
       Ik hou nog steeds van jou, zei ik in een opwelling.
Je zou mijn vader kunnen zijn, antwoordde ze onverbaasd.
       Weet ik wel, maar toch is het zo. Nog wat champagne voor het ontbijt?
Ik stond naast haar toen ze zich opfriste voor de spiegel. Ik wou weten hoe ze dat deed.
Daarna ontbeten we  aan een hoog taboeret en  keken we achteraf van op een bank naar het water. Het had wel iets meer dan alledaagsheid.
       Heb je nog tijd om te winkelen?
Ik heb dagen tijd.
Ze wou een short dat ze in een vitrine had gezien. Toen ze uit het pashokje kwam zag ik voor het eerst haar blote benen. Het short was een maat te groot.
       Ik ben niet graag alleen, zei ze.
Ik wel. Als ik alleen ben kan ik de wereld absorberen.
Zo zat ik op een terras recht tegenover het station te kijken naar mensen niet alleen naar zij die binnen en buiten liepen maar ook naar een voorlopige stilstand van wachtenden, naar hoe iemand leunend tegen een muur een sigaret uit haar handtas plukte en ongeduldig lurkend voortdurend andere poses aannam.
Er kwam een Afrikaan naar me toe. Tussen zijn vingers hield hij nonchalant een uitgedoofde sigaar gekneld. Tot mijn verbazing vroeg hij in perfect plat Antwerps of het me niet stoorde als hij de enige onbezette tafel met mij mocht delen. Met een zwaaierige handbeweging zei ik: zet u neer. Hij had vriendelijke ogen en was vergezeld van een blanke dame die het zonlicht in haar gelaat verdiende ook al was ze duidelijk twintig jaar ouder dan hij. Ze had zo een rustige blik waarin een oneindige glimlach gevangen zat. Een overgebleven glimlach uit een vroeger leven,  weggekatapuleerd uit een te lang geduurde relatie, bedacht ik zo.
Er liep een blinde over het trottoir heen en weer zwaaiend met een witte stok. Hij zag de schoonheid niet die ik zag en ik had zijn ogen in het donker niet, een alles overschrijdend vergezicht begrensd door obstakels.  Het verbaasde me hoe vaardig hij door deze chaos kliefde. Moest het licht plots verdwijnen zou hij als een flierefluiter door een hulpeloze door paniek geteisterde stad gaan. Ik had  al eens een blinde man van op een plein naar het station geleid. Ik had  zijn arm vastgehouden en hij stond erop voor me uit te gaan. Het hele traject hadden we gezwegen en op het perron bedankte hij mij. De mensen zorgen goed voor mij, had hij gezegd.
Midon, die kort na zijn geboorte blind werd, zei:  ik weet hoe de wereld eruit ziet, alleen ziet die er anders uit voor jullie.
Het deed me denken aan die zondag toen ze de luirik open vouwde en een boek las van Kamiel.
Ze toonde me een passage. Het was maar een woord.  “Het” heette dat.
“Het” had iets met samenloop van omstandigheden te maken in een waterloop.
Dan dacht ik aan goedheid. Hoe kon je goed zijn in een tijd waarin er geen vraag bestond naar goedheid? Alleen in een tijd waarin het moeilijk is goed te zijn, wordt goedheid pas echt zinvol en maakt het van de mens een zedelijk wezen, schreef iemand toen gedacht werd dat het genoeg was de waarheid te spreken.
Ze droomde in mijn droom. Ik probeerde haar wakker te maken maar dat lukte niet. Ik moest zien om zelf niet wakker te worden want ik mocht haar dromend in mijn droom niet achterlaten. Ik had het gevoel af en toe te sterven en haar nooit meer terug te zien Toen ik opstond was ik opgelucht haar in haar zaligheid op haar rug met uitgestrekte armen te zien uitslapen. Die dagelijkse werkelijkheid stelde me gerust.
Ik had graag met die man nog wat gepraat. Ik wou hem vertellen uit mijn ogen en wou weten wat hij voelde in die gitzwarte wereld. Ik wou weten of hij ook blind was in zijn dromen.

begin

Home

 

 


pop1