De najaarswind prikt aan de oren, doet ogen tranen, blaast bladeren ergens naartoe en knaagt in het duister al aan de baard.
Het wordt herfst. Trekvogels in zonnegloed, de tocht is nog niet ten einde.
Een blik vangen en bewaren om later naar te kijken en later, veel later, om niet te vergeten.
Een fietser met korte rok en kniekousen aan, die graag heeft dat de kou tussen haar benen bijt. Ik heb nog geen handschoenen aan
En rijd met dunne kousen en sandalen.
Ze rijden tegendraads, nonchalant, onbezonnen
giechelend en kwetterend, mijn dovemansoren beslaand
En toen gebeurde waarvan ik dacht dat het me nooit overkomen zou
een blik van leven of dood. Ik riek nog dat ochtendparfum van zo dichtbij, die frontale botsing met de fiets in schemerlicht.
Schreeuwend, wenend lag ze langszij. ik voelde me schuldig door dat mens ook al reed ze tegendraads en was ik niet in fout.
Als een gek gritste ik haar schriften van de weg, probeerde ik te vertellen dat dit een stom toeval was, dat zo’n dingen nu eenmaal kunnen gebeuren en dat het haar eigen fout was.
De illusie van mijn eigen gelijk.
En, wat vond je ervan?
Ik vond het mooi, het ontroert me.
Mij ook, zoiets moois.
En mij ook, als ik iets zeggen mag. Ik vond het ook ontzettend mooi.
Het ontroert ons allen.
begin
Home
|