| |
zaterdag 30 december 2006
Er sluipen gestoorde poezen met jongen in half gesloopte huizen aan de rand van braak liggende grond bevolkt met muizen. Om daar te geraken moet je door een lange slecht verlichte gang met veel portalen. De kattenjongen gedragen zich agressief.
In regenweer vertrekken we ongeduldig met vertraging. Hij, zij, zij en ik. Waar we binnen komen is het te warm.
Hij rijdt. We nemen een slok. We roken een sigaret. We rijden kronkelend langs bergen waar olijfbomen groeien.
In een dorp zegt hij: kijk, appelsienbomen.
Blijf er af. Dat zijn sierappelsienen!
Als het avond wordt eten we. We hebben het eten zelf klaar gemaakt. De houtkachel verwarmt het huis.
Daarna ga ik met haar van hem op het hoogst gelegen terras kijken naar de valleien. Het is donker, maar de bijna volle maan werpt al schaduwen op de grond. Woensdag zal ze volwassen zijn.
Terwijl we in dit gebergte ons geluk degusteren beginnen honden te huilen en roept ze: helaba.
Dan zegt ze: ik vind dat gehuil zo triestig.
Daarna zwijgen de honden en speel ik binnen op een gitaar bij hem, haar, haar en ik. We hebben een pyjama aan gedaan. Hij niet. Hij ligt nog met zijn schoenen aan in de zetel. Hij ligt daar goed.
Dan gaan ze slapen en blijf ik aan de keukentafel zitten om dit getuigenis op te schrijven.
zondag 31 december 2006
9h30: Ik wordt wakker in haar schoot. Op het dichts bijzijnd terras zit hij met haar van hem in pyjama reeds koffie te drinken. Zij van mij blijft nog even liggen.
Ik heb slecht geslapen, zei ze.
We worden overgoten met ochtendzon, badend in stilte. Alleen onze stem bepaalt hier het geluid.
We ontbijten op het achterliggend terras. Van hieruit zien we de vallei.
Ze heeft een pot gefotografeerd die ze niet meer terug vind. Achteraf bleek het een deksel te zijn.
18h: We zijn de hele namiddag weg geweest. We aperitieven. De houtkachel is aangestoken.
Het dal wordt nog half beschenen door de ondergaande zon. De honden blaffen.
Zij, hij en zij zijn binnenshuis. Ik zit te schrijven op het dakterras.
We hebben het menu besproken: inktvis, ajuinsoep, paëlla en veel drank. Traditiegetrouw zuipen we ons met eindejaarsavond te pletter.
Nu scheert het licht nog net over de hoogste bergtoppen.
De maan begint te gloeien. Ik voel intens geluk. We zijn blij om hier tezamen te zijn. Zij hebben het wat koud om bij valavond hier buiten te zijn.
Niet ver hier vandaan klinken knallen, gevolgd door hondengeblaf. Het is de voorbode van een eindejaarsfeest.
Ondertussen is het veel half uren later en zit ik buiten dicht bij de deur zodat ik hen kan horen.
We hebben ajuinsoep en scampisch gegeten. De honden blaffen weer ver weg terwijl wij hier feesten onder ons vieren. Dat hebben we altijd gedaan op een andere plaats.
De honden huilen opnieuw, net zoals eerder.
Ik zeg: de honden huilen.
Ze zegt: ik vind dat niet mooi.
De wereld viert nieuwjaar.
Ik heb een indringende looksmaak in mijn mond, in mijn keel, in mijn blinde darm.
Hier zit ik eindejaar in het schijnsel op een wit gekalkte muur onze wellust te beschrijven.
Hij, zij, zij en ik. We zijn met vieren.
Ik ga binnen en zij van hem zegt: hij van zij gaat met mij uit een vliegtuig springen. Het kost
maar honderdvijftig euro. Daarna schudt ze de paëlla door elkaar.
Echt waar, zo intens is dit feest nog nooit geweest.
En hij, hij valt niet in zijn diepe slaap.
En ik, ik wordt niet stomdronken.
En zij en zij, ik hou van hen allebei, en ook van hem.
Och ja, wat zit ik hier maar voor mezelf te vertellen. Misschien heeft er iemand anders nog iets aan.
Ze lacht, ze zegt: het is nieuwjaarsnacht.
maandag 1 januari 2007
Jawel, dit is de eerste ochtend van een nieuw jaar dat ik in mijn bloot lijf op dakniveau in een gebergte met een bromhommel in de buurt en met een schaduw van mijn pen zit te beschrijven.
Mijn hand trilt nog van de voorbije nacht. De dames liggen getwee op het laagst gelegen terras lectuur te lezen. Ik ga hen begroeten.
Oh, breng je mij een asbak, vraagt ze.
Zie dat de zon u niet verbrand, zegt de andere wanneer ze mijn winters bloot bovenlijf ziet.
Ondertussen zit hij te kakken.
Komack, hebben we nog een vierde fles whisky?
Ja, ik denk het wel.
Dan drink ik de derde fles verder leeg.
Het is feest, schrijft de schaduw van mijn pen.
Mijn blik is dertig graden Celsius rechts van Mekka gekeerd. Het middaguur komt eraan en mijn scheten stinken.
Gisteren hebben we zeven arenden zien zweven in een thermiek. Terwijl ik ernaar keek kwam mijn vogelverlangen weer naar boven.
Het deksel dat voordien een illusie van een pot bleek te zijn, ligt onbewogen op een pilaar. Deze keer vliegt er een bij voorbij.
Ik riep: schrijft men b... met een korte of een lange ij.
Met een lange ij, antwoordde hij.
Ik had maar één vraag, dus zweeg ik daarna.
Fantastisch is dit moment, omdat het geen pauze maar een afwisseling is.
Ik wroet met mijn vinger diep in mijn neus want de lucht is hier droog.
Zij leest en hij gluurt in het landschap. Op die manier heb ik hem nooit zien kijken.
Ik denk: hij kijkt naar het onzichtbare. Hij breekt iets in zichzelf. Ik zal hem er niet over bevragen. Misschien zal hij het ooit vertellen.
Zij van hem leest een boek. We zitten zwijgzaam vanboven. De wind in mijn rug scheert geur van verbrand hout met zich mee. Iemand heeft de houtkachel aangestoken. Zij van mij.
Ik kijk naar zij van hem in een neergaande zon. Mijn schaduw bedekt halvelings haar lijf.
Zie ze daar zijn, zij en hem. En zij van mij, en ik van haar. Waar is ze nu?
Ze hoest en drinkt een glas wijn. Ze kijkt in de verte en dan gaat ze weg.
dinsdag 2 januari 2007
We wachten in dauwlicht op de opkomende zon. Het is een vergissing om te denken dat Leuven in die roze gloed ligt. Vandaag gaan we naar de zee. De eelt op mijn rechter voetzool is gekloven.
16h: restaurant met terras aan het strand. Alleen inlanders komen hier eten.
Gerookte sardienen, inktvis, gefrituurde vis...eten met vier in de zon.
Nagenieten tot de zon lager gaat. Dan scheurt hij met ons langs haarspeldbochten opnieuw de bergen in. We zijn net voor het donker thuis. De afwas is nog niet gedaan!
20h: ik kijk met zij van hem vanop het terras naar de volle maan. Ze heeft een deken over zich heen gedaan.
Nu zou ik een vallende ster willen zien, zegt ze. En dan kruipt vliegensvlug een dier ter grootte van een rat over de koer. Door het maanschijnsel hebben we het gezien.
Binnen leest zij van mij een boek. Hij van haar ligt in de zetel. Niemand vind het erg dat ik halfdoof wat afzijdig ben op dit moment. Gisterenavond hebben we gedanst
en heb ik op mijn babbers gespeeld.
De lucht wordt roze. Ik sta als eerste op en begin de tafel af te ruimen.
Dan komt A. Ze maakt koffie. Dan komt de zon. Daarna komt hij en nog later zij van mij.
Vlakbij is een struik die op citroenkruid lijkt. In dit open bloeien van de dag verspreidt ze haar bedwelmende geur als een onevenaarbaar parfum. De nectar glinstert in haar groene blaadjes. Het is alsof deze struik ons wil verblijden.
Dankbaar streel ik haar opdat mijn hand haar geur moge dragen.
Dankbaar kijk ik naar mijn evennaasten omdat we onze aanwezigheid kunnen verdragen.
Dat de hemel onbewolkt moge blijven. Verstijfd door de nacht zitten we met onze blik naar het Oosten gericht.
11h: Ik ga te voet langs een grove asfaltweg naar beneden. De weg stopt in een klein dorp. Twee in het zwart geklede vrouwen lammeren tussen de olijfbomen. Het zijn de enige dorpelingen die ik tegen kom.
Dan begint de klim langs dezelfde weg naar boven. Mijn lichaam verhit. Het zweet druipt. Toch doet het geen pijn. Integendeel, het schept een vermoedelijk welbehagen.
Net over het middaguur ben ik terug. We brunchen met hesp, tomaten, eiersla, geroosterd brood met gepureerde tomaat en look, champagne...en push-café.
Vandaag is het heter dan voordien. Straks gaan we ergens naartoe. Ze hebben me een Romeinse heirbaan en een oude vestiging van de Arabieren beloofd.
Hij slaapt voor een half uur. Ik weet dat ik hem dan niet mag storen in zijn zalige rust. Hij zal straks rijden.
Zij en zij zijn op het laagst gelegen terras. Af en toe ga ik er langs om hun vrouwelijkheid te voelen. Ze vervullen mijn decadente ziel met vreugde, en besef ik hoe hopeloos en eenzaam dit leven zonder hen zou kunnen zijn. Zonder hen zou ik misschien een zwerver zijn die de societeit zou bavereren. Nu is het alleen mijn ongeschorenheid en af en toe drankzucht die ze moeten tolereren. Dat is de prijs die ze er voor betalen. Ik ben het lot er dankbaar voor.
Welriekende dames denken dat ze naar het zweet rieken. Zij van mij zegt: ik doe een andere blouse aan.
Zij van hem slaakt een gelukzalige zucht, en vraag ik: hoe moet ik dit nu beschrijven?
Meer kunt ge daar niet van zeggen, antwoord ze
Zij, waarvan hij het kan aanvaarden, maakt hem wakker. Nog een sigaret en dan vertrekken wij.
19h: In dit prachtig dorp hebben we vijgen en boerejongensdrank gekocht. Nu aperitieven we
terwijl we het avondmaal bespreken. Ik zit buiten net zoals eergisteren voor een witgekalkte
muur te schrijven. De avond koelt de buitenlucht maar het wordt niet koud.
Ik hoor hun spraak als een melodie zonder het te verstaan. De borden kletteren als simbalen.
Hij doet de afwas.
Weeral een zalige avondval die ons gemoed streelt als duizenden nimfen om ons heen.
En de maan, die is nu volwassen. Ik kijk ernaar. Even maar kan ik haar gloed aanschouwen.
Zij van mij komt buiten en legt haar hand op mijn schouder. De hemel is mooi, zegt ze.
Ik weet dat ze geluk voelt.
Scheer U, barbaar!
Hij heeft zich ook geschoren. Een vent met een grijze stoppelbaard en zonder tanden
brengt geen jolijt bij gesoigneerde dames. Ik wil mijn krediet in baldadigheid niet
verliezen. Het scheermes schraapt mijn kaken en kin glad. Zelfs mijn opkomende
snor gaat eraan. Ik wrijf mijn gelaat ter goedkeuring tegen hun ongeschoren vrouwengezicht.
Hij zegt: ik doe dat ook tegen mijn goesting.
De nacht voorbij. Dit wordt complete anarchie. Alleen kinderen en ezels schreeuwen nu
niet meer. Het is genoeg geweest.
Begin
Home
|
|
|