Eind december tweeduizendenzeven
‘ Ik ben nog niet wakker’ zegt volle maan. We zijn gestopt in bergachtig gebied. Het houtskool gloeit. Het ruikt hier naar braadsel. Varkensrib voor mij. Er kruipen zomervliegen over de tafel. Na de maaltijd rijden we naar het huis. Marco is zo gelukkig en beschonken dat hij mij op het voorhoofd kust. Er komt iemand met een beladen muilezel uit het gebergte. Het pad is zo smal dat de man achter de muilezel loopt. Bergopwaarts houdt hij de staart vast.
Zijbijmij steekt het haardvuur aan met dennenappels. Het schemert. Ik voel de stilte. De bergkammen hebben een levenslijn. Het duurt niet lang of de avond valt over de vallei. Sidder...sidder...siddert het bloed door onze aders. Ongevleugeld zitten we hier. Marco ligt nu in foetushouding in de zetel. Uiteindelijk wordt hij wakker en gritst hij mijn asbak weg. Volle maan ontkurkt een fles wijn. Uit nieuwsgierigheid eet ik iets wat op een dwerg-groenepeper lijkt in één hap op.
”Blussen met brood en spoelen met ijskoud water!” roept volle maan. Op deze plaats klinkt gelach.
Rond zes uur ’s morgens verschijnt er licht in de lucht. Als ik buiten ga komt de hond aangelopen. Na de koffie kijk ik van op het boventerras naar de bergruggen. Het is fris. De tafel is met dauw bedekt. Ook mijn vingers worden koud en vochtig. Langzaam begint het zonlicht in het Oosten langs de toppen van een bergflank te glijden. De maan is nog duidelijk zichtbaar. Volle maan komt in kamerjas op het terras. Het is hier stil. De dauw kleeft nu ook aan mijn vingers. Ik wacht tot de zon over de bergrug verschijnt. Dan fotograferen we onze schaduw op de witgekalkte muur. Thuis waait wellicht natte kilte door de naakte bomen. Het is de laatste dag van het jaar. Wanneer het zonlicht laag komt te staan ga ik met volle maan appelsienen en citroenen plukken. Daarna volgen we een smal pad naast een lager gelegen kleine rivier. Nog voor het schemert zijn we terug. Zijbijmij heeft het vuur aangestoken. Champagne in overvloed. We pokeren naar het nieuwe jaar.
De dag daarna maakt Zijbijmij me’s middags wakker. Ik plons in het water. Ik trek mijn kleren aan, kijk naar de schaduw van mijn pen en leg die neer op een verroeste tafel. Het plaveisel blijft warm aan mijn blote voeten.
Er is geen hout meer. De deur blijft dicht. Ik kijk naar de aankomende avond. De vrouw brengt hout. Binnen zijn ze blij. Ik ben blij. De vrouw is blij. Het wordt duister. Ik zie niet meer wat ik schrijf.
De volgende ochtend drijven donkergrijze wolken over ons heen. Miskende Godin der stormen, bemin ons met uw toorn. Omhels ons met mistdampen, grijp ons met uw zwaarmoedigheid.
De hond en de katten komen uit het struikgewas.
Veel later staan er opnieuw sterren aan de hemel. De kosmische avondroes begint. De stormgod is gezwicht voor de nacht. Uitbundigheid maakt zich meester van deze Goddeloze geesten, verlangend naar zintuiglijk genot.
Marco en ik hebben bij het vuur muziek gespeeld. Ik wil nog wat schrijven. De hond en de katten vliegen buiten.
Ga niet over uw limiet. Drie dagen geleden hebt ge uw grens al eens overschreden.. dat is voor niks nodig.
Dit middernachtuur ver overschreden ga ik buiten staan en kijk naar wat mij als kind fascineerde: de weidsheid van de sterrenhemel. Ik kus de maan, kilte en wind. Dierbaren gaan nu slapen. Zijbijmij blijft bij mij omdat ze het niet vertrouwt me alleen achter te laten in de wellusten van het leven. Ik, een ridder in de nacht, vind het een voordeel tot zo een liefde veroordeeld te zijn.
Vanmorgen heb ik nachtelijke verzen opgeborgen tot ze opnieuw verschijnen om vergeten te worden. Nog een tijdszucht en de zon spreidt haar licht en warmte over het dal. Ik loop heen en weer rond het huis, de brede voegen van het plaveisel ontwijkend. In het Oosten hangt onbeweeglijk een dicht wolkenveld. Het lijkt op bergen achter de bergen. Het lied van de wind kan ik door mijn doofheid niet horen maar ik zie de willekeurige beweging in de citroenbomen.
We rijden naar een verder gelegen dorp. Net bij avondval zijn we terug aan het huis. Volle maan heeft hoofdpijn. Ze slaapt in de zetel. Het is muisstil in huis. Je kan hier voetstappen op sokken horen. Niemand, behalve ik, zal nog zin hebben in een laatavondmaal. Alleen hongerige heksen uit het dal eten mee.
Voor u drie?
Ja, drie voor mij.
Er klinkt muziek door het huis. Vandaag is het windstil. Ik heb gedroomd over mijn vader en mijn broer. Mijn vader was een verbitterd man die niemand genegen was. Ik moest op een bijeenkomst een door iemand anders geschreven tekst voorlezen. Ik wist bij voorbaat dat de tekst slecht geschreven zou zijn. Bovendien kende ik het onderwerp niet eens. Daarom had ik gevraagd hem voorafgaandelijk te mogen lezen, maar de schrijver bleek spoorloos te zijn. Ik ging naar hem op zoek in een groot gebouw waar mensen van alle soort logeerden. Het was ingedeeld in ontelbare kleine schemerige kamers die verbonden werden door centrale gangen. De mensen lagen er door elkaar. Plots zag ik mijn broer in één van de gangen. “Haast u naar buiten. Iemand zal u de tekst overhandigen” riep hij.
Eens buiten kwam mijn vader aangelopen. Hij stopte haastig iets in mijn fietszak. Nog voor ik hem kon aanspreken verdween hij alweer in het duister.
Het is snikheet. Kleine fragiele wolken vatten vuur in de azuurblauwe hemel. Volle maan heeft het ook gezien. Zijbijmij zit in de schaduw van een struik.
Moeders, we zijn blij door julie gebaard te zijn, het nageslacht te vereeuwigen en niet gedoemd in armoede geschapen te zijn.
Volle maan heeft hoog boven de vallei twee roofvogels gezien.
Ik zou een lied in dit landschap van stilte willen zingen maar mijn stem is te schor, verschrompeld door de roes van genot.
Niet ver vandaan breekt een vlinder uit haar eerste gedaante. In een zonnestraal proeft ze nectar uit het bloeisel. Zolang zal het duren tot haar veelkleurige dunne vleugels verschrompelen in haar kortstondig bestaan.
Zijbijmij en Volle maan gaan naar het dorp. Marco heeft in de zetel een deken over zich heen getrokken. Hij slaapt. Ik blijf zitten aan een tafel bij de deuropening tot het daglicht van de heuvel glijdt. De wind doet onverwacht het blad papier op en neer bewegen. Schichtig proberen mijn gerimpelde handen alles te bedaren. Weeral hangt in het Oosten een onbeweeglijk wolkendek over de bergen. Voor de avond valt zal het ons niet bereiken. Ik zweet en stink door de hitte van de dag. Ik zal mijn voeten baden, mijn oksels wassen met geurige zeep om bekoorlijk voor mijn geliefden te zijn.
Begin
Home
|