De modder van de voorbije dagen is opgedroogd. Mijn wielen zullen in dalen niet vastlopen, mijn sandalen gaan proper blijven. Onderweg fantaseer ik over hoe simpel een samenleving zou kunnen zijn, hoe mijn leven evengoed anders kon zijn.
Jef zit op dit uur al op den buro. Als ik binnen kom zeg ik: ‘dag Jef’
en antwoord hij: ‘hmm’.
Dan trek ik mijn botinnen aan, vergewis me of mijn vulpen in mijn bovenzak steekt, neem mijn notitieboek uit de lade en zeg: ‘Jef, ik begin aan mijn ronde’.
een ronde
rotonde
met boterkoek en koffie
stoplichten en geur van gestookt bier
en een overvolle rivier die hier en daar
ondergronds verdwijnt
kijk ik werkend naar werkenden
Plots is deze werkdag voorbij, zijn we tezamen geweest en zit ik nu wat te prutsen met woorden. Halfgekleed, kijk ik naar purper en blauw, overwoekerend groen en een eenmalige zwarte roos, naar een onzinnige schouw en klimop tussen dakpannen. Een stenen hoofd vol regenwater staat hier bij grillige takken op een oude tafel naar het zuiden gericht. Gekocht op een zondagmorgen. Er is nog zo veel te doen. Ooit zal het noodzakelijke zich voordoen. Zwoegen, woelen, ploegen, wroeten met gescheurde nagels en gekloven tenen in dagelijksheid. Gecontroleerde dwaasheid zei ooit een indiaan.
Vanuit een stoel gezeten wring ik me recht, strompel naar buiten om te zien hoe wolken de sterren bedekken, fantaseer ik ongemoeid overmorgen, het lot negerend. Wellustig zal dit leven later nog suizen in oren, ogen en verstand.

 

ze denken alsmaar aan mislukte maten,
te grote neuzen en een scheve mond
terwijl ze snotneuzen bekoren in een lach

 

 

begin

Home