Op een plaats staat een ijzeren apothekerskast met ruiten. Op de schabben ligt afgestorven materiaal.  Drie uitgedroogde libellen, drie kikkers, twee muizenskeletten, een addervel, fotos van overledenen…ze liggen daar maar roerloos in een laatste beweging als levenden in mijn wereldbeeld.
Af en toe kijk ik ernaar en toon ik die afgestorvenheid aan de overlevenden.
Vooral de jongsten zijn ervoor. Als ze langs komen open ik de glazen deur en mogen ze van dichtbij kijken en voelen aan wat van het leven overblijft.
Voorzichtig raken ze dan die versteven lichaampjes aan en vragen ze verbaasd: nonkel Eddie, waar heb je die gevonden?
Dan vertel ik dat het toeval was, dat je nu eenmaal niet moet zoeken en dat alles vanzelf komt als je goed kijkt.
Met zo’n verzameling begin je niet van kindsbeen af. Dat doe je maar onbewust op een keer…of nooit., maar zeker niet op een middag in uw jeugd.
Weeral schijnt de zon over dit blad papier en zijn mijn vingers koud. Ik schrijf verder tot mijn woord verstomt.

 

 

begin

Home