We hadden afgesproken om 8h30 aan de sint-Pieterskerk in Leuven. Ik ging ervan uit dat landmeters altijd stipt op tijd zijn. Dat hoort erbij. Meestal ga ik een half uur later naar mijn afspraken omdat ik een hekel heb aan wachten op laatkomers maar deze keer had ik een afspraak met een landmeter en die zijn altijd stipt op tijd, zo dacht ik. Niets was minder waar. Ijsberend keek ik naar de gevel van het gerechtshof, naar de kerk, snoof ik geur van voorbijreidende bussen, gluurde naar fietsende jonge dames en rookte zes sigaretten vooraleer die man kwam aangereden met het gebruikelijke ekskuus dat die flessenhals in Groot-Bijgaarden onvoorziene omstandigheden waren. En ik, ik was om kwart voor zes opgestaan, had me niet geschoren, geen koffie gedronken en was met de fiets een half uur vroeger vertrokken om deze keer een half uur voor tijd op een afspraak met een landmeter te zijn.
We hadden mekaar honderdtachtig werkdagen eerder ontmoet. Hij zag er nog altijd dezelfde uit. Lange grijze jas, een veloeren petje over dun grijs haar te lang in de nek en een rood aangeschonken gelaat met kleine glazige oogjes iets te dicht bij de neus. Hij moet rond de pensioengerechtigde leeftijd zijn en aan de traagheid van zijn doen veronderstel ik dat zijn beroep een bijverdienste is. Dit wordt ongetwijfeld mijn dagtaak, getuige bij een plaatsbeschrijving van het interieur van de sint-Pieterskerk in Leuven tegenover het stadhuis op de grote markt.
Mensen zijn mensen en ik zei het al eerder, we leven in onze eigen wereld. Dat ijsberen kon mij niet meer schelen toen ik hem zag.
Laten we meteen ter plekke gaan.
De rest is techniciteit en de moeite niet waard om inkt en papier te verspillen behalve het vervolg van voordien:
Tijdens het middaguur gingen we eten. Niet tesamen. Ik alleen zijn. Ik was zo oneerlijk om te vertellen dat ik mijn boterhammen mee had en dat we beter konden afspreken anderhalf uur later terug ter plekke.
Stiekem liep ik naar mijn favoriete pittabar wat hogerop. Die was om een of andere reden onbevolkt, tenzij: zij was daar. Ik had haar eerst niet herkend. En toch, zij zat daar helemaal alleen te eten in mijn favoriete pittabar. De laatste keer dat ik haar ontmoette was maanden geleden op mijn verjaardagsfeest; de voorlaatste keer op haar vernissage en voordien op de trouwfeest van een vriend die ook haar vriend is. Nu was het toeval. Het toeval brengt gelatenheid, is onverwacht en niet voorbereid. Niets is zo relaxerend als het toeval. De magie van het toeval alsof het geen toeval is. Ik ken haar al voor ik L. drie-en dertig jaar geleden leerde kennen maar zij kent me sinds tien jaar af en toe. Of om precieser te zijn, vierendertig jaar geleden stapte ze elke morgen op de bus met een kartonnen farde onder haar armen en ik zat op die bus en keek mijn ogen uit naar dat mooi meiske. Ze heeft mij nooit gezien daar achteraan op de laatste bank. Daar ben ik zeker van. En dan, per toeval, een jaar of tien geleden zag ik haar terug bij nog een andere vriend die ook haar vriend is. Het heeft lang geduurd voor ik haar herkende en ik heb haar er nooit iets over verteld.
Ze had gegeten en ik ging eten. We wensten mekaar een gelukkig nieuwjaar. Tot volgende keer als het toeval zich voordoet. Ze ging weg. Zo moet het zijn, zo is het fijn. Verlangen dat verdwijnt als je verdwijnt.
Die landmeter had in de tweede episode van de dag een rooie neus. De tijd verliep sneller als voordien. In de torenspits van de kerk lag een verbleekt blad papier met geschrevenheid uit het jaar achtien-honderd-zestig.
begin
Home
|