subject: kerkzomer
Ik voel me zo gelukkig door dat zomerweer! Terwijl ze dat zegt maakt ze een zwaaibeweging met haar armen.
Ik ook, zeg ik. Het maakt iedereen blij, zelfs binnenshuis. De zonsopgang is indrukwekkend. Het wordt zomer.
In mijn tuin fluit een bruine merel en ik heb eergisteren al bijen en vliegen gezien.
Ik heb koffie opgezet...als je wil, zet uw jat onder het koffiemachien...ik weet dat je graag sterke koffie drinkt.
Heb jij de sleutels van de kerk? Ik ga er straks naartoe.
Wil je dat ik mee ga?
Hoeft niet.
Ik ga mee. Het is daar bouwvallig, men weet nooit wat er gebeurt. Daar moet je met twee zijn.
We gaan te voet. Onderweg toont ze me de bakker waar ze de lekkerste taarten verkopen en de bloemist waar ze de mooiste bloemen verkopen.
De achterpoort van de kerk staat op een kier. Wat overblijft van de vloer is bedekt met duivenstront en kadavers. Op de wenteltrap naar de toren ligt het geraamte van een kat. Er staan nog wat beelden in de kerk. Het blaaspijporgel is nog intact. De biechtstoel en de preekstoel liggen verspreid over de grond. Er ligt een afgebroken hand van een heilige tussen het puin.
We gaan tot boven en als ik op de gewelven kruip schreeuwt ze: doe dat niet, dat is te gevaarlijk....maar ik wil de dakgebinten zien, het is mijn stiel. Als we beneden zijn zitten we onder het stof. Ze kuist haar zwarte rok aan de voorkant, draait de achterkant naar voor en kuist de achterkant voorwaarts. Daarna draait ze de voorkant terug naar achteren. Ze klopt de spinnewebben van mijn rug. We bekijken de buitenkant van de kerk.
Op de terugweg koopt ze twee taartjes bij die beste bakker en eet die wandelend op.
Zullen we een terrasje doen, vraag ik.
Mag dat tijdens de werkuren?
Neen.
In de schuit dan. Ik moet plassen.
En ik heb stof in mijn keel.
begin
Home
|