De inkompoort aan het portaal stond open. Ik had ze een half uur voordien ontgrendeld, was dan met mijn zaklamp in de klokkentoren geklommen en nu ik terug beneden ben zie ik het silhouet van een vrouw in de deuropening met haar rug naar mij gekeerd. Ze staart naar buiten in het stadsgebeuren. Ze wacht op iemand.
Ik blijf op tien voetstappen staan om haar postuur in me op te nemen. Ze blijft onbeweeglijk staan als een schaduw zonder uitgerekte contouren.
Ik dacht nog: ik mag haar niet laten schrikken door geruisloos uit het donker dicht bij haar te komen, toen ze zich plots omdraaide en haar handen in een kreet van verschrikking rond haar borsten sloeg.
Sorry, zei ik. Ik wou je niet laten schrikken.
Geeft niet. Ben jij van hier?
Ja, overdag behoor ik aan de stad. De merels beginnen te fluiten, de winter is zo voorbij.
Zullen we dansen?
Net op tijd flap ik die gedachte er niet uit en zeg ik: had jij mij vorige week gebeld?
Neen, dat was mijn collega. Die komt zo.
Wat gaan jullie hier precies doen?
We maken een inventaris van wat hierbinnen overgebleven is na al die jaren.
Alhoewel ze perfect Nederlands praat verraad haar accent haar Franstalige afkomst. Het klinkt aristocratisch. Ze moet zo rond de veertig zijn. Ik vermoed dat ze een leidende functie heeft.
Niet dat ze daarover iets zei, maar dat zie je meteen aan de blik, de manier van voortbewegen,
die vriendelijke gedistianceerdheid en gebrek aan tijd die leiders zo herkenbaar maakt.
Er verschijnt een glimlach in haar ogen. Ik heb het koud, zegt ze.
Aan het andere eind van de kruisbeuk had ik de deur open laten staan. Dat maakt tocht. Ik zal die deur sluiten.
Ik kan hier niet blijven, zeg ik terwijl ik haar mijn telefoonnummer geef. Bel me als jullie gedaan hebben. Dan kom ik nog even langs.
Ik had nog graag gebleven en haar rondgeleide gedaan in deze immense ruimten. Ik wou haar de plaatsen tonen waar het licht een voortdurende strijd aangaat met het duister, waar verlaten stoffige spinnenwebben al jaren in tochtkieren bewegen, het mysterie van leegstand ophelderen maar daarvoor zou ze een toverspreuk moeten doen die me van kikker in een prins zou veranderen. Dat deed ze niet.
Ze belde me net voor het middaguur. Ik kwam later. We hebben mekaar niet meer terug gezien.
Dagenlang heeft de stem in gedachten geklonken, is de onuitgerekte schaduw op het netvlies gebleven, zijn de ogen nog altijd niet verdwenen, is alles opgeborgen als een pakje sneeuw in een bevroren landschap tot alles smelt.
begin
Home
|