subject: verdorie toch

 

Vooraleer naar huis te gaan ga ik nog iets drinken aan de teut. Eentje maar. Neergevleid kijken naar voorbijgangers, naar zwijgzame koppels hand in hand, kwetterende jongelingen of hier en daar een enkeling. Ziedaar valt mijn blik niet ver vandaan op iets opmerkelijks.
Ze is groter dan hij. Dat zie je zo hoe ze daar tegenover mekaar zitten op een terras aan de oude markt. Haar schouders zijn ook breder dan die van hem. Zij zit met een rechte rug. Hij zit voorovergebogen. Misschien lijkt het wel zo dat ze groter is dan hij. Hij luistert terwijl ze spreekt, of kijkt hij maar naar haar? Hij lijkt jonger dan zij net volwassen te zijn. Ze geniet ervan.
Ze heeft een sigaret aangestoken. Ze inhaleert niet eens. Ik vraag me af of hij dat merkt. Niet dat dat belangrijk is in een kijkend gesprek.
Ze zit daar a-la Catherine Deneuve tegen  een zwijgzame gebogen rug te keuvelen. Misschien is het wel oprecht.
Nu keutert hij langdurig met zijn pink in zijn oor. Aai, doe dat niet in deze tête à tête met een beeldschone vrouw op een zomerterras!
Toch blijft haar aandacht bij deze ongemanierdheid onverschrokken. Waarschijnlijk zijn ze broer en zus.

Nu schreeuw ik iets nieuws tegen een kennis in een ver buitenland:
Hier wat nieuws uit het buitenland.
Na de aanhoudende droogte en recordtemperaturen van voordien heeft het deze maand geregend. De temperatuur is zacht. Ik fiets al drie dagen in mijn hemd met opgestroopte mouwen naar het stadhuis.
Vanmorgen hing er mist in het veld maar die was rond negen uur al verdwenen.
Rond een uur of vier zei Julien dat er regen vanuit de walen op komst is. Ge kunt beter op tijd vertrekken zei hij bezorgd.
    Neen jong, het is windstil. Die regen komt hier pas toe in een laatavonduur.
Nu is het kwart voor elf en buiten is het nog altijd windstil zonder regen.
In de tuin groeien druiven aan de druivelaar. Het graan zit in het veld te wassen en de vroege patatten zijn bijna rijp. De maaiïs staat al tien centimeter hoog en in de holten van veldwegen staan plassen van eerdere regen. Aan de campus leren eenden hun jongen overleven en de Dijle stroomt. De groendienst zit in de stad te verplanten en aan elk stoplicht zie je een camionet van de technische dienst. De stadswachters staan 's morgens aan crusiale plaatsen het schoolverkeer voorrang te geven.
Jozef heeft zijn functie opgegeven van de ene dag op de andere zonder boe of ba. Genoeg krediet voor onopgebruikt ziekteverlof na al die jaren. Vakantie tot aan het pensioen.
Ik ben met haar aan iets bezig. De samenwerking loopt goed. Ze heeft iets van u. Dat zit in de genen.
Nu ben ik moe. Binnen een kwartier is het middernacht.

 

 

subject: onnuttige dingen

Ik weet niet waar het zich afspeelde, maar het gebeurde niet in een bos, noch op een veldweg.
Twee jagers richtten uitzinnig in woede hun geweer op mij. Ze stonden een tiental meter binnenshuis
onverscholen van me vandaan. Nog nooit had ik zo een angst gevoeld. Geen angst om te sterven maar angst om
de pijn die de hagelinslag in mijn lijf zou veroorzaken. Bovendien was mijn jongste zoon net gaan plassen en kon
hij elk moment achteloos in hun vizier verschijnen.
Dan stapte ik liggend uit dit verschrikkelijk tafereel en keek ik
met half open ogen in de blik van doodse afwezigheid die verschrikkelijker was dan wat zich in dit rijk der levenden
kan afspelen. Ik wou niet in die priemende verstarde ogen kijken, maar ik kon het me tegelijkertijd niet laten. Telkens
als ik er onvermijdelijk bijna dwangmatig naar keek, zweepte de angst en afkeer door mijn ziel.
Ik wou opstaan en naar beneden gaan maar ik durfde niet. Ik was bang om die blik, die gedaante te ontmoeten bij het afdalen van de wenteltrap. Wat me verontrustte was dat ik wakker was en dat beeld uit mijn droom bleef bestaan, me achtervolgde in deze zogenaamde werkelijkheid.
In bed liggend liet ik twintig scheten, besloot ik uit angst om niet te gaan plassen en sloot ik vervolgens mijn oogleden.
Tot mijn opluchting begon ik daarna mijn inboedel te verhuizen naar het oudershuis. De onnutige dingen gooide ik op een container en het noodzakelijke bracht ik met een stootkar naar huis.
Tot mijn ontstentenis was het oudershuis niet leeg. Ik moest mijn stootkar aan de voordeur laten staan.
Die dag zou mijn lief vanuit de lagere school komen inwonen maar mijn moeder lag ongeneeslijk ziek te bed. Vooraleer dat een teleurstelling werd, werd ik opnieuw wakker, dronk ik een tas koffie, poetste mijn tanden, waste me waar het nodig was en begon de dag.

 

 

subject: onderweg

 

Dinsdag 5 juni

Dinsdag vijf juni tweeduizendenzeven zeer vroeg in de ochtend een zitbank aan de Maas.
Zachte bries, muisstil, hongerige maag. Er komt een wandelaar voorbij. Hij draagt een velouren kniebroek, een rugzak en halfbejaarde botinnen.
Hier aan het water begint de dag vroeg. Ook voor de vissers.
Ik probeer de dag te voorspellen zonder te weten wat me te wachten staat. We rijden straks in tegenwind verder naar het Noorden.
14 h terras. Op de fles staat geschreven: 'sterven in de kroeg is mijn heilig streven. Ach, geef mij bier genoeg zolang als ik mag leven. Wees hem die als een zuiplap gedraagt genadig, en weet hem te vergeven'.
Kijk, zegt zij bij mij. Die vrouw van boven de zestig heeft een tatou op haar schouder.
Dat zal van vroeger zijn.
Niet noodzakelijk. Ik zou dat ook wel willen.
Jij bent nog maar eenenvijftig. Als je boven de zestig bent zal die tatou dan ook iets van vroeger zijn.
17h. De vliegen plagen me. Ik zet de asbak op mijn glas wijn om te voorkomen dat ze erin verzuipen.
Zotte zatte kittelende vliegen. Je kan er zelfs geen foto van nemen.
Ze leest een boek in de hoek. Af en toe kijkt ze voor zich uit vanachter haar zonnebril. Haar grijs haar beweegt met de wind. Ze is blij dat we een rustplaats vonden.
Maak me morgenvroeg weeral niet om zes uur wakker om te weten waar de tandenborstels liggen, zegt ze.
Het gras beweegt in de wind. De zon staat laag.
22h. Mijn buik hangt over de onderkant van dit dagboek. Buikdagboek vol gesprokkelde zotternij in momenten van geluk.

 

 

 

  f26

 

 

 

Donderdag 7 juni 2007

Ik voelde iets in mijn keel. Ik kon er niet aan. Ik trok eraan. Het was een soort vel van salami. Het kwam eruit. Ik bleef maar trekken. Meterlang was dat lint.
Voordien had ik een kind gezien dat zo jong was dat het amper kon lopen. Ik stond in een winkel toen het tastend aan de mensen binnen kwam. Iedereen ging afgrijnzend opzij.
Toen het me aanraakte boog ik me voorover en nam het in mijn armen. Het kind was blind.
Ik probeerde te weten te komen waar het vandaan kwam maar het brabbelde iets onverstaanbaars.
De omstaanders hadden er een agent bijgehaald. Toen hij het kind zag liep hij weg. Dan begon het kind te kotsen. Ik nam mijn fiets en spurtte weg waarna ik door een wegversperring in het donker verloren reed.
De dag voordien had ik een invasie van kakkerlakken overleefd. Elke maand probeerden ze massaal in het huis te dringen. Je hoorde ze van ver afkomen. Ik had net de tijd om alle kieren en gaten in het huis dicht te maken. Mijn grootmoeder woonde naast mij. Op een keer hebben de kakkerlakken haar opgegeten.
Op het einde van mijn tocht ging ik naar een voordracht van een jeugdvriend die nu beroepsschrijver is. Toen hij het podium opstapte begon hij tot mijn verbazing te zingen. Zijn lichaam kronkelde en tolde tot hij op zijn rug viel. Eindelijk begon hij dan zijn gedichten voor te dragen. Het was muisstil in de zaal.
Vandaag is de temperatuur tot meer dan dertig graden gegaan.
Het is avond nu. Aan de kathedraal staat een bank. Daar eten en drinken we tot benevels toe zonder te overdrijven. Ze scheurt een kruiswoordraadsel uit de krant. Heerlijk is dat hier, zegt ze voldaan. Ik kijk naar spelende kinderen met een luidruchtige vader op een plein.

 

 

 

 

 

 

 

Zwolle, vrijdag 8 juni 2007


23h; hotelkamer in het centrum. Het oranje straatlicht glipt langs het openstaand venster naar binnen en raakt haar naakt lichaam in platte rust. De lichten in deze stad doven niet. Alleen het lawaai verstilt in een nachtelijke adempauze. Terwijl jonksheid her en der nog door straten sluipt zit ik mijn eigen naaktheid in het vensterglas te bekijken. Meer en meer zie ik het leven in al zijn absurditeit onder ogen zonder de troostende illusies die ik vroeger maakte. Mijn vrijheid is een dienaar te zijn. Ik volg haar ritme. Als ze er genoeg van heeft stoppen we.

 

 

    f28 f29

 

 

  Zaterdag 9 juni 2007

Zullen we een broodje paling eten op die boot?
Neen, laten we verder rijden.
Een uur later, in het volgende dorp, eten we vette haring met roggebrood. We krijgen er een ijsgekoelde genever bij. Zij gaat in het dorp. Ik drink nog een genever.
Zie die volborstige Friese fietsende vrouwen met boodschappenkorf voorbijrijden. Fietsend volk. De straten zijn hier niet voor autos gemaakt.
20h30: we hebben een caravan gehuurd om te overnachten. Soep, raviolli en aardbeiendessert. Het begint te regenen. Prachtig is dat. Ook hier fluiten de merels in overdaad.
Ik blijf verscholen onder een parasol tot het donker wordt. Ze is in slaap gevallen met een boek op haar schoot. Saai boek. Heeft ze zelf gezegd.
De omgeving is afgekoeld en riekt naar nat stof. Menslief, er vliegt een uil door windstil donker.

 

 

  f30   f31

 

 

 

Zondag 10 juni 2007

Langs veenpoelen, rivieren en bos. Ze wordt ambetant omdat we in de vooravond nog geen slaapplaats vonden. Als ik alleen op reis ben heb ik geen slaapplaats nodig. Dan slaap ik buiten uit goede gewoonte en wordt ik wakker door klamme dauw.
Als een leeuwin speurt ze tevergeefs de omgeving af naar een overnachtingsteken langs de weg.
Laten we een varkenshaasje eten in afwachting. Daarna zien we wel. Het weer is mild.
Euforie na het eten. Er staat een wigwam in een wei. Ze is nog vrij. Een echte indianentent met een vuurhaard in het midden. De rook verdwijnt langs de open spits. Achter de wigwam is een geul met stilstaand water.
Turen over weilanden bedekt met strijklicht. Ik zie het gebladerte bewegen en kan de wind niet horen. Bijna tijdloos zijn deze dagen. Zij bij mij, ik bij haar in traagheid klieven door het landschap. Onze huid begint te tanen. We zitten rond het vuur.
Ik vraag haar of er storende achtergrondgeluiden zijn.
Neen.
Dan doe ik mijn hoorapparaten aan.

 

maandag 11 juni 2007

6 h 's ochtends: mist. Het is niet belangrijk dat die er is maar wel dat we er zijn om het te zien, ronddolend in een alledaagse wereld. Vannacht heeft het in de verte gedonderd. Ik was opgestaan om  de spits van de wigwam dicht te vouwen. Dat ging met koorden en stokken. Het vuur smeulde nog. Ik kon moeilijk mijn evenwicht bewaren in het donker. Zij kwam buiten om te plassen. Ik zei: pas op voor die geul met stilstaand water.
We trekken verder. Onze kleren rieken naar houtskool. De tegenwind zal die geur wegblazen.
19h: zeshonderd kilometer noordwaarts gefietst. We zijn waar we wilden zijn. Vanop het terras kan ik de zonsondergang zien. De scheepsmasten steken boven de daken uit. Het krioelt hier van de zwaluwen. Acrobaten die duizelingwekkend jagen op een prooi niet groter dan een mug. Daar kan je lang naar kijken.

 

dinsdag 12 juni 2007

7h: aan de kaaien liggen driemasters aangemeerd. Een van hen is van hout gemaakt. Ik kijk naar de vrouw die over de loopbrug loopt. Ze hoort bij het houten schip. Ze heeft broodjes bij een warme bakker gehaald. Mooie vrouw. Mooi schip. Rustige zee. Blauwe hemel. Wie weet komt ze naar me toe gelopen en vraagt ze me om mee uit te varen. Ontbijt op zee, getwee.
Immense zee. Ik kijk naar vliegende zwanen en meeuwen die over daken scheren, hoe ze feilloos opstijgen en landen. Ik kijk in t-shirt aan de rand van de Waddenzee.
11h30: we varen mee met een schip. Op het eiland eten we zeevruchten en vis. De meeuwen en raven eten mee. De raaf tippelt tot dicht bij mijn voeten. De meeuwen zijn schuchtiger. Ze krijsen tegen mekaar. Twee van hen doen een paringdans. Vleugels gespreidt en hels gekrijs dat geen toonhoogte verandert.
Een vrouw bestuurt een driemaster. Het houten roerwiel staat buiten. De dochter kijkt links, zij rechts en vooruit. De boot neemt langzaam een sierlijke bocht.

 

woensdag 13 juni 2007

Om van Vlieland naar Texel te gaan moet je door een zandvlakte wat ze hier de Noordelijke Sahara noemen. Daar kan je met een beladen fiets onmogelijk door. We zetten onze fiets op een vrachtwagen die één keer heen en weer over die zandvlakte rijd tot aan een houten stijger langswaar je op een wachtende omgebouwde visserssloep gaat die naar Texel vaart.
Texel zijn we bijna rechtlijnig doorgefietst. We nemen de boot naar Den Helder. Zo komen we terug op het vaste land.
Vanop het dek zie ik meeuwen die zonder vleugelslag boven de boot meevliegen. Ze zweven op een luchtstroom. Er zijn ook twee kraaien bij. Zij rusten af en toe op het dek.
19h: we hebben nog geen slaapplaats gevonden. Gelukkig schijnt de zon en rijden we niet meer in die hardwaaiende tegenwind. Ik tracht haar te troosten door te zeggen dat we elke dag een slaapplaats vonden. Eerst die wanhopige spanning om iets te vinden en dan de euforie om alles uit te pakken, een fles schuimwijn te ontkurken en bruin brood met haring op een tabouret te serveren.
20h30: euforie!
Hier kolkt de noordzee aan de rand met land. Zij wil rusten. Ik ga alleen weg. Weg over een grasdijk. Geen mens te zien in deze wijdse verte. Alleen een vrachtschip dat vertrekt en de kustlijn volgt. Er is ook een vuurtoren. Hij staat vlakbij.

 

donderdag 14 juni 2007

Hier gloeit geen uitbundigheid waar ik alles bij elkaar kan grabbelen. Hier kan ik mijn gedachten erbij houden, de redenering volgen, de verblinding van eigen gedoe ontwijken. Zie die jan-van-genten in hun vlucht het water induiken. Vliegende vissers. Mijn pen zwalpt in mijn hand. En die zwarte zeezwanen die galant over het water vliegen. We blijven hier nog een dag. Ik wil de ganse dag deze uitgestrektheid bekijken.
    Mag ik de deur open zetten?
Doe maar, maar zie wel dat de houten vloer droog blijft.
Ze zet een stoel onder de dakoversteek. Daar blijft het droog.
    Mag ik je aansteker?
Ja. Straks gaan we inkopen doen. Lamskotteletten met look, gestoofd witloof en nieuwelingen.
De stilte slaakt een kreet op de grens van dit water en land. Ze lacht terwijl ze leunend op mijn schouder leest wat ik schrijf. Al schrijvend ben je in staat de waarheid te veranderen, zegt ze.
Daarna fiets ik op een dertig meter brede hellende dijk naar een lege horizon met de illusie dat alles verdwijnt in oneindigheid. Links de zee, rechts een hellende grasberm en daartussen asfalt. Het licht is verblindend, zelfs met die mist in de lucht. Je ziet de zon niet eens.
Tegenwind doorklieven. Ik pis in de zee. Met ontzag kijk ik naar de meeuwen. Slenteren op een grasduin nu. Vogels vliegen graag. De tijd speelt geen rol. Hij beweegt alleen maar de beleving.
Niet voor jou, niet voor iemand. En geef toe; iets is altijd herkenbaar.

 

zaterdag 16 juni 2007

Halfweg in duinen braakt de hemel donderbliksem en regen. De hel breekt los. Geen schuilplaats hier. Voor haar is de maat vol, zelfs met regenkledij.
Ze is een zonnekind. Zonnekinderen lopen verloren in de regen. Zelfs in motregen. Daarom rijd ik voorop. Met een zwijgzame grimas volgt ze me. Ik weet dat ik nu niet teveel moet zeggen, dat die regen van daarnet zijn charme heeft. Nu de zon opnieuw schijnt, wij opnieuw droge kousen dragen en aperitieven, zegt ze over mijn schouder: ik heb zin om vanavond eens goed te gaan eten.
    Ik ook.
Ik kijk over de daken naar de stad, dwars door het half doorzichtig wit gordijn. Ik ken deze stad niet. Ik ken haar gebreken niet. Ik heb haar weldaad nog niet geproefd. Ik wil deze stad vanavond met haar ontdekken. Uitzoeken waar de beste plekjes zijn, wat verloren lopen desnoods in doodlopende stegen. Naar Chinathown wil ze wellicht niet mee. Dat doe ik dan maar alleen. Dan kan ik nog eens alleen ronddwalen. We zijn nu al twee weken onafgebroken bij elkaar. Ik mis de ogenblikken zonder haar nog niet.

 

maandag 18 juni

Piknik. Ze gooit een broodkorst weg. Een kraai pikt ze op en vliegt weg in een wijde bocht tot ze in de verte verdwijnt. Broodkorst op reis. Daarna een terras. Moet de Leffe met of zonder Grenadine, vraagt de barman. Een schande, denk ik in men eigen.
21 h: Antwerpen. We hebben hondertwintig kilometer gefietst. Antwerpse haven bij zonsondergang. We blijven slapen hier! We gaan uit! We overnachten in De Postiljon aan de kathedraal!
Osso bucco middernacht. Ze kreunt voldaan en valt dan in een diepe slaap.



dinsdag 19 juni

Te heet in de zon. Tijd voor onder de parasol.
Zij leest. Ik schrijf.
Zij drinkt Tonic. Ik drink Trippel.
Zij eet de nootjes op. Ik de koekjes.
Een bejaarde vrouw met man stappen langs de weg. Hij steunt met zijn rechterhand op een wandelstok. Zijn linkerhand ligt in haar rechterhand. Zij leidt. Hij beslist. Eeuwige trouw als  vervangende liefde tot de dood.
Ze is nog mooi, die vrouw. Hij ook. Je kan er zo nog hun vergane jonksheid in herkennen.
Het was fijn om onderweg te zijn, niet te weten waar je straks gaat slapen, wie de mensen zijn die je dan tegen komt.
19h: we staan stil op een windstille plaats. Aan het gebladerte zien we een windbries afkomen. Haar begin raakt tot het einde voorbij gaat. Spelen in een bries. De schaduwen worden lang. De hitte is mild geworden. We zullen niet voor zonsondergang thuis zijn.

 

 

subject: bouwvakkers

 

Vier uur ’s ochtends en ze zijn al onderweg. Geen kat op de baan. De ruitenwissers proberen tevergeefs de gutsende regen van de voorruit te vegen. In het busje riekt het naar sigarettenrook en cement. Vooraan wordt druk gediscussieerd over voetbal. Marcel zit achteraan, stinkt nog naar bier en zal verder slapen tot ze ter plaatse zijn. Ze zijn met vier. Hij, zijn twee zonen en een neef werken onafscheidelijk voor een bouwbedrijf. Ze pendelen naar alle uithoeken van het land, winter en zomer. Bouwen is niet moeilijk, zei hij op een keer. Het is een opeenvolging van dagen, weken, maanden hard werken met breekhamer, schop, kruiwagen en truweel. Van het geheel heeft hij geen verstand. Dat is iets voor de architect.
Marcel is de vijftig voorbij, is graatmager en is tot mijn schouderhoogte gegroeid. Hij heeft handen als een kolenschop. Zijn snor is als een borstel over zijn mond gegroeid. Zo zien ze niet dat ik maar vier tanden heb, zegt hij.
Als ze ter plaatsen zijn eten ze eerst een boterham en wordt koffie uit de thermos geschonken. Iedereen heeft zijn koffie mee. Marcel giet er voor zichzelf stiekem een paar klutsen rum bij. Hij denkt nog altijd dat niemand het merkt. Het is begonnen in de winter, het was tegen de kou, vertelt zijn oudste zoon. Sinds verleden jaar is hij overgeschakeld op het zomeruur. Het is tijd, ons kwartier is om.
Ze staan gedisciplineerd op en bewegen zich voort in het schijnsel van het halogeenlicht. Even later ontwaakt de omgeving in het lawaai van breekhamers die zich onmeedogenloos in het beton vastbijten.
Om negen uur zullen ze buiten een luchtje scheppen want op deze werf wordt benedendeks gewerkt. Dan staan ze gedurende tien minuten te glunderen naar al wie billen en tieten heeft onder de dertig jaar. Daarna opnieuw in lawaai en stof, geroep en getier van Marcel want zijn mannen kennen nog niet genoeg van de stiel.
Het lijken bruten op oorlogspad, ongemanierd maar met een gouden hart. Ze denken luidop en ploeteren tot de puzzel in elkaar past, het geheel waarvan ze zeggen niks te begrijpen. Ze doen het bijna met hun ogen dicht.
’s Anderendaags werd ik zowat opgeschrikt. Het was Marcel die zonder enige gêne, een witte stofwolk achterlatend in de eiken hall van het stadhuis, de marmeren trap opliep en me halverwege luidkeels toevertrouwde dat hij zijn ontslag had aangeboden. Ze hebben mijn zoon afgedankt dus ga ik mee, zo luidde het. De patron had nog getracht hem te overtuigen dat het beter was te blijven en te profiteren van al die jaren dienst maar er was geen houden meer aan. Marcel was gekrenkt in zijn vaderlijke trots. Zie dat ge om vier uur buiten geraakt. Ik betaal een pint, zei hij nog terwijl hij rechtsomkeer maakte nu hij me gezien had.
Toevallige toeschouwers lachten beleefd met het spektakel. De kuisploeg werd erbij gehaald en in een mum van tijd waren zijn voetsporen weggeveegd.
De breekhamers zwegen niet. Hij werkte tot de laatste minuut uit trots en eergevoel.
Toen we iets gingen drinken zat hij nog altijd onder het stof. Alleen zijn ogen die hij tijdens het werk beschermde hadden nog iets menselijks. Ze fonkelden vurig toen hij met een snor vol bierschuim zei: ik ga zelfstandig in het zwart werken.
 Weinigen hebben op mij een zodanige indruk achtergelaten zoals die man met weinig manieren die altijd luidop dacht ook al dacht hij niet veel.

 

 

 

subject:23 juni

 

 

Thuis Nu ik terug thuis ben zie ik ze weer. Uit een spleet van de stenen koer groeit elk seizoen een purperen bloem. Ze draagt zeven blaadjes.
ze leeft van zon, water en aarde
zonder ander reden
dan haar schoonheid te zijn
in de diepste kleur der kleuren
sluimert haar nectar van leven
op een grenslijn van schaduw en verblindend licht
noem ik haar vrouwelijkheid

 

 

subject: vincent

 


Ik vind jouw gedicht zo mooi dat ik het op internet ga plaatsen. (peter eddie)

als ik boeke lees droom ik over de landschappen da ik verzin bij het verhaal nu hebk ik ze allemaal opgeschreven van de dingen uit een droom lees neem u tijd en geniet :
 
 
Wegen gaan verder, almaar door,
Over rots en onder boom,
Langs rotsen waar geen zon ooit gloeit,
Langs nooit in zee eindende stroom;
Over sneeuw die winter zaait
Door waar junibloemen staan,
Over steen, gras ongemaaid,
En onder bergen in de maan.
 
Wegen gaan verder, almaar door,
Onder wolk en onder ster;
Maar zij die zwerven zonder spoor,
Keren naar huis terug van ver.
Ogen die zagen zwaard en vuur,
In rotsgewelf, door angst benauwd,
Zien weide en groen in 't blijde uur,
Bomen en heuvels, lang vertrouwd.

 

 

subject: 27 juni 2007



20h30: nu heb ik geen zin om zin te hebben. Zinloos zitten, ja, dat wel. Kijken naar het gewiebel in een toevalligheid. Een fluisterende beweging. Hooguit onvolmaaktheden bekijken in een voorrecht van tijd. Het lijkt lang geleden om een gevoelen van geen zin om zin te hebben nog beschreven te hebben.
Ik zie een vermoeide zoon uitgestrekt in een versleten zetel liggen, een schijnbaar hongerige hond, en zij, sprankelend is zij. Ik zie beweging zonder ze te horen. Ik kijk ernaar. De tafel beweegt. Krampachtig schrijf ik deze zinnen evenwijdig onder elkaar. Uitgeput schrijf ik dat ik nu geen zin heb om zin te hebben. Het lijkt raar maar het is nu eenmaal zo. Dat is nu een feit. Dan ga ik boven naar het hoogste verdiep en schreeuw als bezeten: weet iemand mijn allereerst dagboek liggen?
    Achter de chauffageketel!
De eerste bladzijden uit negentienhonderddrieenzeventig zijn nog met potlood beschreven. Het papier begint te vergelen. De schrijfsels zijn primair gekribbel waarvan ik elke kleinigheid nog herinner.

Op 27 juni 1973 schreef ik:
6h30:  ik sta op, was me aan de boomstam en ga wandelen langs de waterval. De zon schijnt. Het is hier prachtig.
8h: ik zit in de tent te schrijven. Pierre heeft een wandeling gemaakt. Hij zegt: straks ga ik me scheren.
Nu fluit hij. De waterval hoor je hier voortdurend ruisen.
14h30: Pierre is met Jozef weg. Nu ga ik tekenen en rook ik een sigaret.

 

 

subject: donderdag 28 juni 2007



Wat een verrassing. Mijn oudste zoon en zijn vriendin komen onverwacht op bezoek.
    Hebben julie al gegeten?
Ja, een pakje friet.
    Koffie?
Ja, graag.
    Een stukje cake?
Humm, ja.
Zij zit met haar over duizendheden te keuvelen. Ik zit met hem bij de pc. Filosoferen doen we niet. Neen, dit is het moment om de chaos in softwhare te ordenen.
Ik had kippenlevers meegebracht.
    Waarom heb je nu kippenlevers meegebracht?
Ze zijn voor de hond. Zou jij het leuk vinden om een hele leven lang cornflakes te eten?
    Neen, maar zie dat ze er niet bloeddorstig van wordt. Ik heb haar trouwens vanmiddag de helft van een schapenkotelet gegeven.
Ik kijk naar de bloederige kippenlevers in het hondenbord. Dood bloed is nog te aanschouwen. Het lijden is al voorbij. Het bloed der levenden kan ik niet verdragen. Ik herinner me nog het voorval toen ik door een galerij van een shoppingcenter slenterde en aangesproken werd door een verpleegster. Ze vroeg me of ik bereid was om bloed af te staan.
    Niet te veel, stamelde ik wanhopig.
Ze vroeg me welke bloedgroep ik had. In mijn portefuille stak een verfrommeld papier vanuit mijn legerdienst. Toen ze dat zag bleek die bloedgroep nogal zeldzaam te zijn. Nog voor ik het besefte zat ik in een doktersstoel met een infuus in mijn arm. Ze hebben me een drankje en een inspuiting moeten geven om ervan te bekomen.
Zij en zij bij mij zitten nog te praten. Ik en hem zijn ook dichtbij elkaar. Volle maan gaat met hem bij haar morgen op reis. De laatste week van volgende maand komen ze terug. Morgen ga ik weg, gaat zij weg, komen we 's avonds terug. Ik zie de wind weer zonder hem te horen. De wind is er omdat het gebladerte beweegt, net zoals voorbijtrekkende wolken die goedhorenden ook niet kunnen horen.

 

 

subject: op vrijdag negen maart 1973 schreef ik



Ik speel op mijn gitaar. Iedereen ligt in bed behalve de poes. Die plaagt me voortdurend door met haar kop over mijn snaren te aaien. Ze wil absoluut gestreeld worden. Buiten rijdt een auto in grote snelheid voorbij. Je hoort hem in de verte een bocht nemen. Daarna is het weer stil.

 

 

subject: newyork

 

alleen
                  toch blijft rivier afwaarts vloeien
                  zwerven katers langs de kant
                  geruisloos potelen
                  onzichtbaar in nacht
                  mens riekt aan duim
                  en denkt: het is nog geen tien uur
                  neus tussen duim en wijsvinger
                  riekt naar voorbije dag
                  het leven heeft een geur
                  zou willen zwerven in new jork
                  kan niet
                  alhoewel
                  hier sta ik in new jork
                  zonder onderbroek maar dat zien ze niet eens
                  oh, wat is dit multicultureel
                  net zoals brussel vergroot
                  ik heb mijn lief vergeten
                  nu sta ik hier
                  hulpeloos zonder lief en half naakt
                  keer terug naar schrijverstafel
                  hier ben ik weer

 

als passant
onderweg
met twaalf bakstenen
twee maanden elke dag
neem ik twaalf bakstenen mee naar huis

de boeren doen de bieten uit
veldwegen zijn dan modderig
en met die felle wind van vrijdagnacht
liggen daar waar bomen staan
afgewaaide takken op de grond

met twaalf bakstenen in het pikkedonker
op een modderige veldweg
in een lichtstraal van twaalf meter
klief ik mij door de koude lucht naar huis
Ik heb zo het gevoel dat ik dingen waarmee ik begaan ben ga moeten voltooien. Ik heb altijd plezier gehad om met iets onvoltooid bezig te zijn, maar nu blijft er niet zoveel tijd meer over. Meer en meer denk ik aan onze sterfelijkheid. Vreemd genoeg bedroeft mij dat niet. Wat mij nieuwsgierig maakt is of er iets onthullend zal zijn bij onze dood, of zal het zijn zoals voor onze geboorte: niets.  Sterven we eenzaam met onze geliefden om ons heen zoals we eenzaam geboren werden omringd door zij die er binnenkort niet meer zullen zijn? Hoe kan ik dit tijdelijk bestaan erkentelijk zijn zonder anderen te choqueren? Ik dacht dat ouderdom wijsheid schonk maar ik heb meer vragen dan voordien.
Mijn vingers rieken naar wiet. Mijn adem stinkt naar wijn. Uit mijn slokdarm wasemt de geur van spinazie en knoflook. Ik ben ongewassen sinds vanmorgen. Mijn consumptie van vandaag hangt nog te rotten in de spleten van mijn voorlopige kiezen.

 

 

subject: zaterdag 31 juni 2007 mechelen



20h: ik heb niets om aan te doen. Ondertussen naait ze aan de kraag van een bloese. Ze moet werken vandaag. Het is zaterdag. Vanaf vandaag zijn het solden. Koopjesdag.  Dan heeft ze niks meer om aan te trekken, rafelen mijn kleren uit, verzakt het imperium in de kleerkast.
Ik vlucht langs welriekende tuinen met hoveniers. Verstand op nul.
Daarna ga ik tussen links bezaaide akkers en rechts een spoorlijn. Vandaag wordt het nietsnutterij. Nihilistisch bewegen door landschappen die niet zijn wat ze lijken te zijn. Laat het in een schone bespiegeling der dingen zijn. Verloren rijden doe ik zonder moeite. Vandaar dat ik via Brus uren onderweg naar Mechel verbleef. Heerlijk om zo ongestructureerd te dwalen.
Terwijl ik dit schrijf maak ik tegelijkertijd een stoofpot van konijn klaar en klinkt prettige Afrikaanse muziek door deze ruimte. Nu nog een hevige regenbui.
In Mechel verbleef ik vanaf een namiddaguur tot laat in de avond.

foto is onscherp  en jij bent er onherkenbaar op
irish koffee was lekker en het kledingsstuk paste je goed
sorry dat ik weeral zo onbereikbaar was
    Onbereikbaar is inderdaad het goeie woord. Was er een bepaalde reden voor?
Ja.. Er friemelt iets in mijn kop.
    Wormen?

 

 

subject: beaumonde

 

9h: Ik maak koffie en kook eieren. Dan komen ze beneden. De nevel blijft klam in de lucht hangen. We gaan naar de luizemarkt aan de Marollen.
Wil iemand mijn haar knippen? Fantastische zondagmorgen. Iedereen is blij. In het huis hangt een geur van gekookt ei en koffie. Bert zal rijden.
Voormiddagdrukte op de stoep. De beau monde op middelbare leeftijd. Mannen in lange, nonchalant duur verkreukelde winterjassen, vergezeld van hun geëmancipeerde dames. François, vient voir! Geen enkele plaats in deze stad bezit zoveel contradicties als de rue Blaes met zijn winkels waar onbetaalbaar schoon geëtaleerd wordt, met zijn façades waarachter de marginaliteit onheilspellend roept. De kleine goedkope cafés blijven nog verzoenend bestaan tussen de chiquere bistros zoals ‘de schieve architect’ of ‘Le Royale’. In de zijstraten kom je in de getto’s terecht. Het zijn naburige achterbuurten op de hoek van de straat.
We eten, we praten over de toekomst. We gaan buiten. We gaan binnen. Binnengeur van wierook en boenwas. Buitengeur van koude uitlaatgassen en odeurtjes van ‘chéries’ zoals die van François.

ik koop een muts voor haar
op het goed vallend uit
als ze niet past, of ze vind ze niet mooi
doe ik ze wel aan

De dag is vroeg ten einde. Mijn adem vernevelt in het straatlicht. Er is geen kat op straat. Zelfs geen blaffende hond. Moest het lot ten einde komen zouden er geen getuigen zijn. De televisie gaat aan. Niemand kijkt. Niemand is er voor de aangedane televisie.

 


 

  duif1

 

 

 

 

subject: punthoofd

 

Ik hecht waarde aan mijn dromen.
De droom is als een bloot lijf… naakt laat geen verbeelding meer toe. Er is een huis met ruimten die me toebehoren. Ik ben niet alleen.In het huis is een kleine stoffige ruimte vol spinnenwebben. Alleen ik ga daarbinnen. In het huis bevinden zich plaatsen waar verondersteld wordt dat ik die niet betreed. Weelderige ruimten die ik stiekem verken. Verlaten ruimten die onaangeroerd horen te blijven. Onbewoond. Toch is er iemand als ik er niet ben.

Ze had een vent met een punthoofd die thuis nooit iets zei. Hij was een soort chiroleider, maar dan voor grote mensen.
Een engagera investa temporaris.
Ze hadden een baby  niet groter dan een handpalm. Een lelijk verrimpeld ding dat niet eens kon huilen.
Het was te koud om buiten te komen en binnen was het te warm.
De godganse dag zat ik met hen opgeschept. Met  hem die nooit iets zei en met haar en die mislukte boreling
die mij steeds reutelend aanstaarde.
Op een keer, toen ze het niet zag, duwde ik het ding van de trap en riep: oei, hij is van de trap gevallen.
Zijn val had een been en een arm afgerukt. Ik was verrukt. Nog enkele minuten en het zou doodbloeden.
Maar tot mijn verbijstering bloedde het niet eens.
Zij riep in alle staten: doe toch iets!
Het is de moeite niet, zei ik aarzelend.
Toen ze aanstalten maakte om de telefoon te grijpen duwde ik haar eveneens van de trap.
Haar ledematen lagen overal verspreid.
Dan kwam onverwacht en zonder kloppen Guy Verhofstad binnen.
Ze zijn van de trap gevallen, zei ik met bevende stem.
Guy lachte een speetje bloot en zei: het is niks, ik zal iemand sturen om alles op te ruimen.
Boven zit er nog iemand met een punthoofd. Die steken we in de stoof, zei ik verrast.

 

subject: droom2

 

Vannacht had ik een droom die nog altijd door mijn gedachten klieft
de oorlog was uitgebroken
een overheersende oorlog met ongelijke kansen
ik was oud en zwak
de hemel had een schaduw die het landschap dreigend overgroeide
ik kon mijn blik niet meer hernieuwen
de wolken hadden geen herinneringen meer
ze smolten als schimmen
in mijn vlucht met anderen waarvan ik de identiteit niet kan achterhalen, verloor ik mijn schoeisel
dat maakte me nog hulpelozer dan ik al was
we kropen door ravijnen in rokend puin
die ooit straten met huizen waren
de angst heeft me zelden zo intens bekropen

Dan werd ik wakker met mijn vingers in haar haren gedompeld
ze sliep verder
ik stond op in wakende dagelijksheid
en zit nu het beeld van mijn droom uit lucht te boetseren
zou ik opnieuw willen spelen
mijn jonge schreeuw en ik
met uitgestoken handen
zonder hoofd
in ons lied verzonken
en uiteindelijk het instrument tot zwijgen heffen

 

subject: droom3

 

Ik heb  toevallig   een mens vermoord en begraven. De grond waar ik hem begraven heb  is  nog korrelig. Ik had mijn dode beter verbrand of in een beerput gegooid. Maar  nu is  het te laat. Ik heb hem begraven en zou het niet aandurven  om hem opnieuw op te  graven.
Ik ben bang dat ik hem niet diep  genoeg begraven heb en dat er iemand  voorbij zal komen,  de  uit de grond wasemende stank zal rieken, of  waarschijnlijker  nog, dat een hond het lijk zal opgraven zodat iedereen zal zien  dat  hier een mens begraven werd en mij zal aanwijzen als de vermoedelijke  dader.
De volgende dag  kom ik terug om te zien of ik  niks verkeerds riek. Op de plaats waar ik hem  begraven heb  leg ik een zware steen. Terwijl mijn  dode stinkend onder de grond  me roerloos kwelt met angst om  betrapt te worden, denk ik aan wat ze mij  verteld had over de dood van haar  moeder.
Ze zei:  De onwetendheid  over wat na de dood is of niet is, speelt  voor mij geen rol.  De pijn en de angst  ervaren tijdens het langzaam  doodgaan is mijn  grootste angst in het leven. Moest jij er niet meer zijn als  ik  dood ga, wil ik een goeie priester bij mij.
Ik zei: het overkomt ons allemaal. Als je het  leed ondergaan hebt en de pijn en de  angst voelt als  een  gekwetst dier, hulpeloos en verwonderd voor datgene  waarvan je  wist dat het je ooit overkomen zou, aanvaard je het lot en wordt  je weldra de herinnering bij diegenen die je dierbaar zijn.

 

subject: droom4

 

Ik was met collega’s op werfbezoek. De pas gegoten betonvloer was onstabiel geschoord. Het gebouw was moeilijk toegankelijk.
Net voor de vergadering kwam iemand vertellen dat er een zwaar onweer op komst was.
We dachten: de zon schijnt, we hebben tijd.
Plots kwamen donkere turbulente wolken op ons af.
We vluchtten naar een lager gelegen plaats en hoorden de wind loeien.
Het werd donker en ik zag de sterren in de hemel oplichten in flitsende explosies.
Nadien fietste ik langs grauwe straten met smeltende sneeuw.
In een vlaag van helderziendheid zag ik een kind omkomen.
Ik spoedde me naar de plaats waar het ongeluk zich zou voordoen en zag het kind aan de straatkant onbedachtzaam spelen.
Het liep nog onstabiel met de handjes graaiend in de lucht.
De weg was glad. Er kwam razendsnel een motor zigzag aangereden. Ik kende die motor. De bestuurder was een vriend van mij. Ik snapte niet wat hem bezielde. Ik stond als aan de grond genageld en kon niets doen.
Ik heb het niet zien gebeuren want plots stond ik bij dageraad in een verlaten straat. Ook hier lag smeltende sneeuw. Het was de straat waar ik opgegroeid was.
Het licht brandde beneden in het oudershuis. Ik zag mijn moeder met haar badjas aan ronddwalen.
Ik maakte mijn fietszakken leeg in de voortuin en reed verder zonder binnen te gaan. Ik was om een of andere reden bang om met haar geconfronteerd te worden, ook al wist ik dat ze ongerust was omdat ik al twee dagen weggebleven was

 

subject: droom5

 

Mijn familie had me verlaten. Ik voerde een anarchistische strijd tegen een uiterst rechtse gemeenschap waarbij mijn broer zich had aangesloten. We leefden op voet van oorlog. Ik was niet alleen. Ik leidde een verzwakt volk dat steeds op de achtergrond bleef. Heel zelden ontmoette ik mijn gezin dat mijn levensstijl afkeurde. Mijn broer speelde een cruciale rol als lid van de tegenstrever. Ik stond op het punt broedermoord te plegen.
Ik torste voortdurend schuld van afzondering en asociaal gedrag, bestreed de strenge regels van verrechtsing. Soms klauterde ik over een omheining in een veld en werd ik achtervolgd door een stier. Bangelijk was dat!
Iedereen sliep toen ik in een nacht me wou te slapen leggen. Dan ontmoette ik mijn oudste zoon. We sliepen als twee tegengestelde gemeenschappen buiten, dicht bij elkaar. Mijn zoon was wakker geworden, nog als een kind. Hij vroeg om eten en toen ik vroeg wat hij wilde antwoordde hij: bladgoud.

 

subject: droom6

 

Kamiel was op een avond schielijk overleden. Ik kende hem beter dan in werkelijkheid. Ik had een beeld gemaakt dat ik hem net te laat als symbool voor onze vriendschap wou schenken.
Ze hadden zijn lichaam gemummificeerd en opgebaard in een witte heldere kamer.
Mijn oudste zoon was bij mij, weeral veel jonger dan in werkelijkheid. Deze keer vroeg hij me geen bladgoud meer te eten te geven, maar troostte hij mij in mijn ondraaglijk verdriet.
Kamiels zus zei me dat ik zijn overblijfsel mocht bewaren nadat iedereen vertrokken was. Zijn ouders keken me bekijvend aan.
s'Anderendaags was de witte heldere kamer verlaten. Ik wikkelde hem in een linnenzak en bond hem op mijn fiets.
Ik zeulde hem overal mee en vertelde tegen iedereen die het horen wou: deze mummie was Kamiel, mijn beste vriend.
Samen met mijn zoon dwaalde ik door onherbergzame gebieden, sliepen we in spelonken en was mijn verdriet verdwenen. Ik probeerde Kamiel zo goed mogelijk te bewaren. En dan onverwacht in een getijdestorm waarvan ik met mijn zoon aan het genieten was, daagden Kamiel zijn ouders op. Ze vroegen of ze hem nog eens mochten bekijken.
Toen ik de linnenzak open maakte waren er ledematen verdwenen. Ik voelde me diep beschaamd, maar ze vonden het niet erg.

 

 

 

 

  duif2

 

 

 

 

 

subject: droom7

 

We gingen op reis naar het zuiden op een avond in een stad volgebouwd met restaurants. De kelners probeerden op straat klanten binnen te lokken. Er heerste een enorme drukte. We besloten om met ons lichaam over de stad te vliegen waarna we in weiland terecht kwamen. Daar ontmoetten we een eenzaat die een paard bezat in een wei. Telkens als iemand voorbij kwam sprong het paard over de omheining om de voorbijganger te groeten.
Op een keer was het paard alleen en vonden we de eenzaat in een sloot met zijn bovenlichaam verstijfd. Ze droeg hem op haar schouders. Hij leefde nog maar sprak niet meer. We brachten hem naar het dichtstbijzijnde huis.
Daarna stonden we in een groot gebouw met veel verdiepen. Beneden waren ze het aan het verbouwen. Mijn vader liep tussen de werklieden en had een leidende rol. Hij was nog jong, feitelijk jonger dan ik. Ze stoomden behangpapier van de muren.
Ik ging buiten en stak een Cubaanse sigaar op die ik van een vriend gekregen had op een feest. Er was een scheur in de sigaar en het tabaksblad verpulverde in mijn mond.
Plots besefte ik dat ze verdwenen was. Ik was eenzaam en in paniek, ging op zoek in het groot gebouw maar vond haar niet. In elke kamer waar ik binnen kwam waren de mensen kwaad om mijn onverwacht bezoek. Ik voelde me zeer onderdrukt en had een groot verlangen naar haar. Zonder haar zou ik dit leven niet overleven.
Dan ging ik naar het huis waar we de eenzaat achter gelaten hadden. Hij leefde nog en zei: ze is hier geweest en is net vertrokken.
Ik ging buiten en vond het paard.

 

subject: droom8

 

Het speelde zich af in een voortdurend veranderende wereld, ook in de tijd.
Ik had geen keus om in te grijpen. Ik kon alleen maar ondergaan.
Het begon bij mijn vader die ziek werd. Uit zijn huid liep een pijnlijke
etter. Het was besmettelijk want mijn moeder kreeg het ook.
Daarna mijn broer, mijn zus en de mensen om me heen.
Plots liep ik op een landweg ingesloten door grasweiden. Er draafde een
paard recht op me af.
Ik lag me neer op de weg en sloot mijn ogen.
Het paard kwam naast mij liggen. Ik was bang dat het me zou
verpletteren, maar het neuriede lieflijk en omhelsde me.
Dan brak een woeste stier vlakbij door een afspanning.
Opnieuw sloot ik ineengekrompen mijn ogen en kwam ik in een verouderd
klaslokaal terecht.
Mijn medeleerlingen waren jonger dan ik. Ik spijbelde voortdurend en had
nooit schoenen aan.
We moesten in een cinemazaal een voorstelling bekijken over een
torenkraan. De ruimte was immens. De kraan stond er echt.
Er was geen scherm.
We moesten aandachtig kijken. Achteraf zouden er vragen over gesteld worden.
Weeral sloop ik op versleten sokken naar een belendende ruimte.
Tot mijn verbazing zat daar een vriendin die ik lang geleden niet meer
gezien had. Ze vroeg of ik karnemelk meegebracht had.
   Ik heb de laatste fles leeggedronken, zei ik.
Pas dan zag ik de gaatjes in haar huid waaruit etter sijpelde.
Ik wou terug, maar aan de deuropening gaapte een weidse diepte.

 

subject: droom9

In Kathmandou was de revolutie net gedaan toen ik er aan kwam. Zij zou later op de dag komen. In afwachting ging ik naar een  jeugdherberg waar ik vroeger al gelogeerd had. De hippies waren teruggekomen. Het was vervallen. Het stonk er naar pis en bovendien was er geen plaats meer.
Ik plaste in de hall, nam mijn bagage en ging de stad in.
Het was er druk. De mensen zongen en dansten. Op een plein kwam ik mijn ouders tegen die eveneens op zoek waren naar een logement. Wat doen die hier in Nepal, vroeg ik me af.
Ik herinnerde me nog een leegstaand huis aan de rand van de stad waar ik op een vorige reis, lang geleden, gewoond had. We gingen er naartoe en moesten eerst hout ruimen dat iemand binnen opgestapeld had. Plots stormde een neushoorn op ons af. We verstopten ons achter een houten wand.
Dan zag ik haar komen langs een aarden weg. Ze herinnerde zich ook het huis maar had de neushoorn niet gezien. Er loopt hier een neushoorn rond, riep ik. Ze lachte en droeg een kind op haar arm.

subject: droom10

Vannacht sliep ik met tussenpozen in halfwakkere toestand. In mijn halfdroom ontmoette ik mijn nicht en nonkel als personages uit de late jaren zestig.
Ik herbeleefde de begrafenis van mijn grootvader, ook al was ik toen nog heel jong.
Terwijl de mensen langs de binnenkoer in een plechtige tristesse naar binnen gingen om de overledene een laatste groet te brengen, hoorde ik mijn grootmoeder ontroostbaar huilen.
Ik had het lijk ook gezien en was geschrokken van dat wit vertrokken gelaat met ingezakte oogleden. Ik voelde zo de dood in die kamer. Het rook er naar Keuls water.
Ik werd halfwakker en zag door het dakraam dat het klaar werd. Ik hoorde duizenden vogels als in een concert zingen. Nochtans ben ik halfdoof. Ofwel hoorde ik een zwak signaal dat door mijn gedachten versterkt werd, ofwel werd het door mijn geest geschapen. Ik denk dat het dat laatste was.
Ik lag nog te dromen, mij ervan bewust zijnde dat ik in bed lag en wakker zou worden. Mijn geest was ijl, mijn lichaam zo licht als lucht.
Plots begon ik neerwaarts te kantelen en hoorde ik achter mijn rug een geluid dat op een aanraking leek. Het leek zo echt.
Toch besefte ik dat dit gebeurde tussen droom en wakker zijn.
Ik besloot om op te staan. Ik trok een short aan en ging buiten zitten kijken naar de blauwe lucht. De zon was opgekomen in koelte van de nacht.
Ik rookte een sigaret en bleef daar maar zitten. Die droomnevel trok maar langzaam weg.
Ik voelde me nog een mens van de lege ruimten, een schaduw op een witte steen.
De nacht had de ochtend geteisterd als het begin van een onechte dag.
Diezelfde dag, s’avond bij zonsondergang, vertelde mijn vader enthousiast over zijn kindertijd.
Ze leefden in oorlogstijd en hadden een os.
Hij vertelde me hoe ze vluchtten en de os lieten slachtten en daarvan het beste stukje vlees overhielden
en over de zoete melk om te overleven.

subject: snol

Ik heb in de duisternis een kaars aangestoken. Ze geeft voldoende schrijflicht zolang de wind niet komt aanzetten. Ik heb geluk. Er is geen wind. Alleen die dansende vlam.
Schrijven in dansend licht met schaduwen op papier. Het heeft iets, zo’n kaarslicht. Niets is zo toevallig en wanordelijk, altijd in beweging, op en af, bijna uitgedoofd en dan weer opflakkerend. Fragiel is die vlam bij het minste beetje zucht voor uitdoven beducht.
Deze dag heeft veel warmte en licht gebracht. Fijn om de avond bij dit kaarslicht door te brengen. Moederziel alleen met mijn schaduw uit bewegend licht.
Ver weg wordt nog een straatspel gespeeld voor het slapen gaan, en blaffende honden, ze horen erbij. Zonder menselijk lawaai zou er nog zoveel meer te horen zijn.

 

Donderdag 27 mei 2004

Eigenlijk vind ik je een dwaas maar ik ben blij dat ik je ken. Het is alsof ik je tegenkom op mijn weg en mijn eigen dwaasheid bij jou herken.


           Denk er niet teveel over na want dan wordt die dwaasheid opgeslokt door rede.
Dan is dat zo.
           Ja, zo is wat is.
Is wat is?
           Is wat is?
En wat is niets? Uiteindelijk is niets nog altijd iets omdat we niets willen begrijpen. Niets wordt iets.
           Wat zeg je?
Het ging over niets.
           Niks?
Inderdaad, het was niks.
           Hoor jij die muziek?
Ja, bombastisch en teder.
           Ik wil dansen. Mijn lijf snakt naar beweging.
Laat ons dansen op devotische muziek en drinken tot we voor een ogenblik verliefd worden.
           Alleen een vreselijke ramp van buitenaf kan ons liefde brengen. Dat is de trieste weerspiegeling van onze wanhoop.

Sinds ik jaren geleden mijn werk ruilde voor rustig gedoe is er veel veranderd. Ik heb veel kleine dingen ontdekt, ook bij mezelf en anderen. De dagen werden een samenhang tussen opkomende zon en zonsondergang. De tijd weerspiegeld in de seizoenen. Ik voel me beresterk en toch fragiel gedreven door doodsangst. Soms dool ik voor zonsopgang met veel ontzag voor bomen door het bos met ijskoude handen en als de dageraad losbreekt wordt ik dronken van geluk. Het speelt zich af tussen aarde en melkweg. Een verhaal dat nergens toe leidt. Af en toe strek ik me in het hoogseizoen uit tussen het onkruid, luisterend naar de wind. Dan kijk ik naar onveranderde sterrenbeelden uit mijn kindertijd.
Doelloos pruttelen met woorden, op den duur bijeengekit in een zwoersel van weinig betekenis, als een samenraapsel van klanken uit een ongeschreven partituur.
Het overkomt me steeds meer. Zo was het vandaag gesteld met het onbetekend “ zwoersel “ dat in zeer vroege ochtend aan de ontbijttafel ontstond in het aanschijn van overschot van zwossen van gebakken spek. Sindsdien spookt het woord met de regelmaat van barensweeën door mijn hoofd, net zolang tot het uitgespuwd wordt in de vocabulaire van ongekend eufimisme.
Geplogenschap is dan weer een uitdrukking van het vrouwelijke in mezelf wanneer ik me laat  omringen door verstandige vrouwen.
Ik heb het opgezocht in een groot woordenboek; de woorden bestonden nog niet. Het stelt me niet teleur. Als men de bal tegen de paal van het doel trapt worden er ook geen punten toegekend  terwijl dat veel moeilijker is dan een doelpunt te maken. De redenering is de logica niet.

 

 

subject: koe

 

Soms gebeurt iets ongewoon dat indrukwekkend is.
Vanmorgen, onderweg naar het werk zag ik, kijkend naar een lichtstraal uit een gat in het wolkendek  iets in de verte dat zich voortbewoog op de veldweg waarop ik me verplaatste. Ik had mijn bril niet aan.
Ik dacht: dat is een wandelaar.
Toen ik dichterbij kwam zag ik een wandelende koe. Doodleuk liep die koe mijn richting uit.
Ik had nog nooit een koe buiten haar omheining gezien en wist niet hoe ze zou reageren op mijn aanwezigheid. Ik was bang en stapte van mijn fiets. Ik bleef staan. Bange warket in stilstand kijkend naar een wandelende koe. Toen ze me zag bleef ze ook staan. We waren een meter of zes van elkaar verwijderd. Ze schraapte een appel of zo van de grond en passeerde me dan wantrouwig.
Ik dacht: moet ik de politie nu niet bellen? Maar veldwegen hebben hier geen naam. Het zou meer dan twintig minuten duren vooraleer ze zouden weten waar ik die koe gezien had.
Ik keek haar na en dacht: zeventig kilo zuiver rundsvlees verloren voor de boer en een koe op vrije voeten.

 

 

subject: complot

Twee kompanen hadden me gevraagd om mee te helpen met een overval op een geldtransport.
Zij bij mij en ikzelf hadden aanvankelijk toegezegd maar uiteindelijk haakte ik af omdat
een van hen een vuurwapen zou meenemen. Zij bij mij wou meedoen. Ze hadden een
bestuurder voor de vluchtwagen nodig.
Ik probeerde haar te overtuigen om af te zien van het voornemen maar er was geen houden aan.
Elke dag ging ze weg om met die twee te oefenen voor die fatale dag.
Ik voelde me bedrogen en in de steek gelaten.
In een ultieme poging om haar te overtuigen niet mee te doen, zei ze dat ze haar vrienden
niet in de steek kon laten. Ze hadden een chauffeur nodig.
Zoveel bereidwilligheid voor twee gangsters was me te veel. Ik besloot haar te verlaten.
De bus die ik genomen had zat stampensvol. Bovendien reed de chauffeur roekeloos.
Ik stapte drie haltes verder uit en ging te voet verder naar de plaats waar de overval zou gebeuren.
Naar de avond toe ging ik schuilen in een overdekt hondentoilet. Er kwamen mensen binnen met een kat.
Het duurde niet lang of het stonk er naar kattenpis. Ik ging verder tot in de straat waar het geldtransport
morgen zou overvallen worden. Er was een buurtfeest met bejaarden waarvan ik de meeste kende.
Ze lachten en klampten me aan. Blijf bij ons want vannacht gaat het onweren, riepen ze.
Aan tafel vertelden ze me dat morgen in de straat een hold-up zou gebeuren. Iedereen wist ervan.
De politie zou massaal aanwezig zijn.
Ik stond aan de grond genageld. Ik hield nog van haar. Ik moest haar zien te bereiken maar
niemand had een telefoon op zak.
Dringend terug nam ik de kortste weg langs onverlichte veldwegen en klauterde ik langs heuvels
door het slijk.
Thuisgekomen zag ik dat ze weg was. Ondertussen begon het al in de ochtend te schemeren.
In mijn wanhoop klopte ik bij de buren aan. Die wisten me te vertellen dat ze met twee rare venten
net vertrokken was. Zelfs met de fiets zou ik nooit op tijd ter plaatse zijn.
En dan, toen ik op instorten stond, kwam ze binnen. Ze had zich bedacht.
Opgelucht ging ik het huis uit.
                Waar ga je naartoe, vroeg ze.
Ik weet het niet, maar ik kom niet meer terug.
Ik had gehoopt dat ze mij zou vragen om te blijven.
                Neem dan ook de hond mee, zei ze.

Ik hoor opnieuw krekelgeluiden; een concert van Carlos Santana.
Het ritme van de tabla’s doet me denken aan het klauwen van een spinnende kat.
Kijk hoe de klanken dansen, ze hebben een doel.
Godenmuziek. Het paradijs komt in beweging. Stilstand komt tot leven in dit muziekstuk.
De onzichtbare beweging van geluid dat mijn lastige oren streelt.
Hoe meer ik me laat gaan, hoe zinniger worden mijn woorden.
Ik wou voor een ogenblik in een woordenboek begrijpen wat "zinnigheid" is, en
of ik dat dan ook correct geschreven heb op dit ogenblik.
Zinnigheid is: ik heb geprobeerd het na te gaan maar het heeft waarschijnlijk
zoveel betekenissen dat het misschien onbestaand moet blijven.

Naar aanleiding van een schrijver die schreef over geboorte welt er iets in me op.
Ik schrijf het als ik, maar ik was het niet.
Het was dat uit een vorig leven waaruit ik geboren werd.
Plots voelde ik dat er iets gebeurde. Onder luid gebonk zweefde ik langzaam weg van die ene
vertrouwde plaats. Het gebonk versnelde en het werd steeds moeilijker. Ik had geen
herinneringen, je weet niet eens dat je bestaat. Je weet ook niet wat je te wachten staat.
Je kan niets weten. Alles wat je meemaakt is gevoel dat intenser
wordt tot je voor de eerste keer angstig wordt wanneer het gebonk heviger en sneller klinkt.
Je wordt onttrokken vanwaar je komt.
Voor het eerst kreeg ik het benauwd. Ik had geen keuze.
Ik kon niet meer terug.
Een mens sterft twee keer: eerst bij de geboorte en dan na het leven.

 

 

 

 

 

 

 

 

subject: nacht

in een nacht zonder wolken
een kamer met open deur

die tabaksgeur verdrijft
en demonen verjaagt

zit ik daar in die ijle wereld


het is mijn beurt zegt de regisseur
de dorpsklok luidt het uur

zonder ander reden
dan haar schoonheid
op een grenslijn van schaduw
van zon, water, aarde
licht en donker
noem ik haar vrouwelijkheid

 
heel mooi klinkt zijn...haar schriftuur
als zachte muziek in mijn ziel
is het de dichter die spreekt als de wind
is het de grens van de leegte die me lokt
of de stilte van een eenzame stem in het heelal
die onzichtbaar lief heeft en niets is

 

 

 

subject: rotavond (09-07-2007)

Wie dit leest zal het met moeite geloven. Toch overkomt het me vanavond. Eerst laat ik de zelfgemaakte stekelbessentaart te lang in de oven staan (toont veel gelijkenis met een langspeelplaat), dan is de data op pc (een verhandeling waar ik het hele weekend aan gewerkt heb) verdwenen en per slot van rekening wentelt de hond zich net op het einde van de wandeling in een modderpoel. Vervolgens wou ik voor een keer naar een programma op nat. geogr. kijken maar blijkbaar is dat kanaal op tv verdwenen. Dan maar tot rust komen in de tuin. Ik sta nog maar pas naar de vlinderplant te turen of het begint te regen. Dan neem ik een laatste toevlucht: ik ga wat muziek spelen. Ook dat slaagt tegen. Mijn lieve partner (waarvoor ik na vijfendertig jaar samenwonen nog altijd mijn hand zonder verdoving zou laten afkappen als het niet anders kon) heeft uit zorgzaamheid de oorschelpen van mijn hoorapparaten in een reinigingsmiddel te dompelen gelegd. Njet, Njet, Njet schreeuw ik in men eigen. Waaraan heb ik al die ellende op één avond  verdiend?
Doch, mijn allerlaatste toevlucht is dit schrijven om me tot kalmte te bekeren. Het lukt. Ik ben dat rotgevoel op deze manier bijna kwijt, hopelijk niet tot grote ergernis van Anna.

 

 

 

 

 

pen

 

 

 

 

 

subject: de beschrijver

Met de pet in de hand en gebogen hoofd dwaalt de beschrijver rond op zoek naar open deuren.
Welke dag zijn we vandaag, vraagt hij aan een voorbijganger.
De voorbijganger kijkt verbaasd. Het is donderdag.
Dan heb ik nog twee dagen te gaan, mompelt de beschrijver. Als hij ziet dat de voorbijganger onverschillig verder loopt schreeuwt hij nog: " Het speelt zich af in de schemerzone van droom en bestaan! ".
Hij wou nog iets vertellen maar was het vergeten. Het gaat allemaal zo snel. Zijn wereld kan alleen door hem geleefd worden. Negenveertig jaarseizoenen met menselijkheid in het fragment waarin hij leeft. Hoe zal het zijn tien eeuwen verder? Die onwetendheid vind hij onrechtvaardig. Hij wil zichzelf een plek geven in het geheel. Zijn woorden vertellen een vorm van waarneming waarin concepten hun betekenis  hebben verloren. Bestaat het allesverslindende beest "realiteit"  wel, steeds zichzelf verklarend, of neemt hij de wereld niet waar zoals hij is, vraagt hij zich af. Dan gaat het niet over de dingen maar over de manier waarop hij de dingen kent.
Vorige nacht had hij nog het mysterie uit donkere vrouwenogen gekeken en staan wenen bij zonsopgang terwijl de dauw uit zijn kleren verdampte. Het was de aanloop voor een gedicht dat niet  geschreven werd omdat het bleef haperen bij een braaksel van woorden die nimmer geordend worden.
Nu roept hij tegen deze hoerige wereld wat hij ziet in de hoop dat anderen zijn roep beantwoorden, niet om hen zijn waarheid op te dringen maar om bevestigd te krijgen of hetgeen hij ziet herkend en gedeeld wordt. Schreeuwen kan niet meer. Het enige wat hem nog rest zijn een paar omstuimige dromen over gemiste kansen en een vat vol dronkemanswreedheid voor vanavond.
Die avond gaat hij op een barkruk zitten. Naast hem zit een vrouw. Een zingende vrouw. Ze zingt dat ze geslagen wordt door haar man, dat ze verkracht werd toen ze veertien was, dat haar vader stierf toen ze achtien was en dat ze geen rotte frank op zak heeft. Ze wordt constant bedrogen door mannen die het gemunt hebben op haar schoon lijf, zegt ze nog.
Intuïtief voelt hij dat hier de waarheid spreekt. Hij betaalt haar de dronk.
Lallend ontpopt ze zich tot een waarachtig filosoof, gevestigde waarden vernederend. Ze bezit het vermogen uiting te geven aan gedachten en emoties die hem nog voor een laatste keer verbazen en verwarren in alle schoon- en lelijkheid, de middelmatigheid sublimerend. Ze staat nu centraal in een wereld die hij verwonderlijk waarneemt en op een unieke manier gestalte gaf.
Nog een dag te gaan. Een onnodige dag. Het is nu goed geweest.
Dan gaat hij naar een immense vlakte waar water, land en lucht zich verenigen, de stilte verbrekend.
Vervolgens klimt hij op de top, herinnert hij zich nog helder het meeuwengekrijs, avonden met romantiek en vampieren bij kaarslicht. Dan spreidt hij zijn vleugels en schreeuwt: " Nu of Nooit! "

 

 

subject: gazon

Riek jij niks?
    Neen.
Dan komt ze dichterbij.
    Riek je het nu?
Neen.
Vervolgens leunt ze tegen me aan.
    En nu?
Nog niks.
    Man toch! Eerst loopt het verkeerd met je ogen, daarna met je oren en nu zelfs met je neus. Jij bent alleen nog goed genoeg om het gras af te maaien. Zelfs daar heb je een halve dag voor nodig.
Ze heeft gelijk. Gras maaien kan ik als een van de besten. Ik doe het met de hand. Met een tweewieler die je moet voortduwen en een sikkel voor de boorden.
Voor ik eraan begin maak ik de sikkel met een wetsteen vlijmscherp. Dan haal ik de hondenstronten en dode twijgen uit het gras. Het ruwe werk kan beginnen. Gruum, gruum, gruum...zingt de tweewieler door mijn spierkracht gedreven. Groot is het begroeid oppervlak niet. Amper veertig meter op zes, struikgewas en bloemperken meegerekend. Vervolgens begin ik aan het fijnwerk: de kantjes en boordjes. Als alles bij elkaar geschraapt is en op de composthoop ligt snijd ik met een keukenmes ongewenst kruid weg.
Zo, dit is beschreven. Nu nog eraan beginnen.
Chocolade zou cholestorolverlagend werken. Hier zit ik nu beste lezer, met mijn neus tussen duim en wijsvinger. Een neus in beweging. Een stilstaande beweging in zonlicht. Zo zit ik hier aan mijn neus te rieken die mij de ingridiënten van deze maaltijd vertelt. Alleen haar parfum ontging me nog.
Mag ik eens trekken van die sigaret?
Ik geef haar de peuk.
Dat is geen sigeret meer, zegt ze.
Schandalig gewoon. Ja, dat is de juiste benaming. Net zoals die pannenkoekenmix, gemaakt volgens een heerlijk recept met gebruik van de beste ingridiënten. Verrukelijke pannenkoeken aangebrand in de pan. Godzijdank is er de suiker nog.
Het wordt tijd om een muziekstuk te spelen, of neen, om het te beluisteren.

 

 

subject: jager

jager//vervolmaak mijn leven// in een plotselinge dood
zal ik mijn doelen missen// voorbij de maan
waar het verdwenene// zichzelf ontmoet
zal niets dan licht zijn// in duisternis
volwassen uitgewist// afwezig in een voetspoor