zaterdag 12 juni 2004

Een totem, twee planten en een hond. Hier zit ik in het zonlicht liggend tegen een boom te beschrijven. Grashalmen met toppen vol zaad, insekten in het ijle en twee planten vier weken oud op deze plaats met een naam, totemplaats voor dankbaarheid om het toeval te leven en te leren in volle vlucht.
Ik was gisteren uitgenodigd op een vernissage bij kunstminnende apero-drinkende grijzende dames en wodkazuipende egotrippers in artiestenzwart kostuum die een gezellig onderonsje appreciëren totdat je zonder kwaad vertelt hoe dood hedendaagse kunst wel is als een niets zeggend laagje verf uitgestreken over duur linnen, onnozele stokjes en sprietjes geëtaleerd als relikwieën, dat kunst teert en smeekt om herkenning en wordt beoefend door een zootje mensen die je altijd op dezelfde feestjes tegenkomt, lullend over onverkochte marchandise. Dan slaan alle stoppen door en krijg je amper nog spijs met pek en veren voor een cultuuranalfabeet.
Geschokt ga ik dan ‘s anderendaags mijn ongelijk verdrinken bij Arlette, het enige dorpscafé om de hoek waar nog gevloekt en getierd wordt door het proletariaat. Dan kijk ik naar oude vliegenvangers die iets vertellen over voorbije zomers en naar een schilderij dat getuigt hoe dit dorp ooit geweest is.
Geelwarme wolken drijven over dit gehucht. Er kruipt een minuscuul groen insect over dit papier tot het blijft plakken in een onopgedroogd woord. Mijn handen beginnen stilaan te beven.

zondag 13 juni 2004

Een doorweekte zondagochtend zonder veel lawaai. Een tas verse koffie tussen opgedroogd weggewaaid kaarsvet op een nonchalant verweerde tafel. Ik heb zin om vandaag te kokkerellen met jonge patatjes, gember, knoflook, gestoofde champignons met sojascheuten en een geroosterd varkenshaasje. We hebben in de kelder nog een ronde toegankelijke wijn met een animaal toetsje in de neus en krachtige aroma’s in de afdronk. Eerst naar het stembureau waar ik kies voor Vera Dua. Ik heb gekozen voor affiniteit en tedere boezems.
Uren later zakt de zon en is de tafel afgeruimd. De hond komt op mijn voeten liggen, een teken voor het begin van een lange avondwandeling.

Vrijdagnacht was er een hevig onweer. Zelfs om vijf uur ‘s morgens toen het nog niet klaar werd in het bos flikkerden nog bliksemschichten. ‘s Middags is het opgeklaard. Het diffuus licht in de mist is mee verdampt. De dichte wolkenmassa is voorbij gedreven. Ik ben op de terugweg van Leuven en heb geitenkaas en bakharing mee. Ik ben vroeg thuis. Tijd om te schrijven want ze komt pas rond halfacht thuis. Onderweg had ik regendruppels gevoeld. Het was voorspeld en ik had er de ganse dag naar uitgekeken. Nu ik thuis ben gutst de regen over het terras. Ik probeer het beeld ervan te vangen voor het verleden want niets komt nog terug.
“ Telkens opnieuw jouw licht in ‘t voorschijn “ , een gedachte geschreven op een stuk papier uit mijn broekzak. ‘s Mens onrust spuwt lawaai over dit landschap.
De vooravond is begonnen en je danst onbezorgd door de huiskamer. Oh wijf, ik hou van je. Ik hou van jouw door ouderdom getekend lichaam bewegend in schemerlicht, van je stem, je ogen die dovemansoren beroeren.
Windstil, kaarslicht aan tafel. Ik aan tafel. Zij verder van mij, lezend in een boek onder zwak straatlicht. Lispelend spreeksel vanuit de buik. Geen wind, het is stil. We gaan door het lint.

zaterdag 20 augustus 2004

Het heeft vannacht geregend. Op het nat wegdek weerkaatst de oostengloed. Het is nog vroeg met onopgeschrikt wild. Fazanten lopen  wanordelijk voor me heen. Pas als ik dichtbij kom vliegen ze als logge overbeladen vliegers weg. In de dalen heeft de  regenval het slijk over de weg gespoeld. De ochtendwind is licht. Straks priemt de zon zich een weg door de nevels.
Nu, vier uur later, is het beginnen te regenen langs oude platanen aan voortuinen van statige herenhuizen , weliswaar verkommerd door vergane glorie. Op de brug waar de boulevard aansluit met de avenue blijf ik staan, leunend tegen een monumentale arduinen balustrade die gebouwd werd in de tijd toen de tweede koning nog regeerde. Vanop dit plateau zie je door de bomen heen een kerk en een lager gelegen park. Ik kan me de kokette dames voorstellen die hier een eeuw geleden in paardenkoetsen paradeerden tussen het centrum van de stad en zijn voorbuurten. Besnorde heren, getooid met strakke hoge zwarte buishoeden , te paard, voorbij de spelende kinderen op de brede trottoirs. De vogelzang moet hier concertaal geweest zijn. Nu razen er slierten auto’s voorbij en passeert er zelden nog een voetganger. Ik fiets verder tot in de Marollen waar ik aan een kraam vlakbij de kapel op het eind van de rue Blaes een met andalousesaus overgoten pitta uit de vuist eet. Tijdens de rit is het overwegend droog gebleven. Er breken nu zelfs blauwe gaten door het wolkendek.

zondag 29 augustus 2004

We dronken dure wijnen en filosofeerden over kunst en vrouwen. De vrouwen waren er niet bij. Die waren ergens anders. Na middernacht dronken we nog Calvados uit champagneglazen tot elke betekenis uit onze gesprekken verdween. Alleen de volle maan luisterde nog mee. Later, tussen nacht en dageraad, is mijn fiets met mij naar huis gereden en kwamen we beiden ongeschonden terecht waar we moesten zijn.

zondag 5 september 2004

Bier, pensen, hamburgers en zweterige lijven, men schreeuwt het gejoel voorbij. Haar schreeuw houd ze voor zichzelf want die is van haar alleen en die zou door merg en been janken. Eenzame fietsers horen er niet bij en worden van de weg geduwd, de weg die vandaag aan het peleton behoort. Wellicht ligt het aan haarzelf of komt het door de zon die als een gloedheet zwaard haar vel beslaat.
Haar geliefkoosde plek is de buitentafel ‘s nachts met dansend kaarslicht beschenen, zonder lawaai, een bewegende lichtkring om helemaal alleen te zijn. Het wordt dan zo stil dat ze het bloed in haar oren hoort suizen. Suizend bloed, zo zal ze in een volgend leven heten.

Deze dag is begonnen met een gedachte aan haar.
Ik kijk naar de in haar bochten kolkende rivier en sta in de schaduw van haar begroeiing. Ze stroomt steeds in dezelfde richting. Elke dag is nieuw. Ze heeft al zoveel seizoenen ongemoeid meegemaakt, de tijd verslonden in haar loop. Diep in haar draagt ze leven mee, altijd in beweging. Het water blijft niet in mijn handen staan als ik haar aanraak .
Een reiger scheert langszij met een trage, zelfzekere vleugelslag. Ik zou willen voelen hoe het is om een reiger te zijn, of een boom waarin je de stilte hoort.
Verder is er de periferie rond de stad. Torenspitsen rijzen uit door bebouwing bedolven dorpen
Zonovergoten Brabants landschap, met maïs- en aardappelvelden. Het koren is pas geoogst. De rand van een bos, veld en dan de stad die mateloos moeilijk te onderscheiden grenzen inpalmt. Ik koester haar bevolking, de begankenis, de geur van frietkoten, zweet, bier en tabaksgeur die uit cafédeuren walmt.
De troebelheid in vergezichten slokt me op. Door verblindend licht zie ik het pad niet meer.
De dag is middag geworden. Afrikaanse schotel in Egyptisch café. Mijn handen trillen als ik het glas wijn naar mijn lippen beweeg. Ik kom hier graag. De mensen zijn vriendelijk en de schotel wordt onoverdreven rijkelijk gevuld. Ze serveren er pikanten sauzen bij. Veel volk komt hier niet. Het blijft rustig, zoals nu, starend door de openstaande deur. Ogen die het zonlicht niet meer verdragen, die al zoveel hebben gezien en het waarnemen vermoeilijken.

zondag 16 januari 2005

Zondagmiddag in de winterzon op een buitenterras aan de oude markt, het epicentrum van een verlaten studentenstad. Warme zonnekant en schaduwzijde. Verwarmde rechter- en koele linkerhelft. Bij haar is het net omgekeerd want ze zit voor mij. We zitten zijdelings in de zon. Zij drinkt Porto, en ik trappist. Een Rochefort van tien graden met uitgeschonken fond en een kraagje dat doet denken aan de slagroom van een onaangeroerde Irish coffee.
Ze vertelt enthousiast over een boek dat ze gelezen heeft. Ze vraagt of ik voor haar een sigaret wil rollen. Ik draai ook een voor mij. Ik geef haar vuur en luister naar het verhaal dat ze gelezen heeft. Ze heeft mooie ogen als ze zo vertelt. Het zonlicht kleurt een blauwe schijn in haar grijzend haar.
Er is een tiener van een jaar of twintig ongelukkig en kwaad vanuit een café op het trottoir gesukkeld. Ze slaat om zich heen en schreeuwt naar de wereld. Jongens met een hanenkuif proberen haar te bedaren. Omstanders kijken toe en fluisteren zoiets van: “ met onze dochter kan zoiets niet gebeuren “
Dit is geen toneelstuk. Het is echt en speelt zich af in de winterzon voor een verbijsterd publiek. Losgeslagen kwellingen in het aanschijn van romantische terrasjesmensen. Het is verniet.
Ik denk: ik ben al vijftig en draag nog geen ramp in mij.
Zal ik verder vertellen, vraagt ze terwijl een brave man langs ons heen loopt en zegt dat die jongeren ongetwijfeld onder de drugs zitten.
Laten we verder gaan.
We gingen verder, eerst slenterend langs vitrines en daarna langs overbevolkte veldwegen. Weeral kan ik die solidaire blik van passerende wandelaars, alsof het voor een goed doel is, niet verdragen.
We zijn net op tijd thuis vooraleer het avondrood op de struiken schijnt. Nog even gloed aan de horizon, schemer en dan het donker. Ineens bijt de kou. De dag is voorbij. Het wordt een gestileerde avond.

 

 

 

 

 

 

 

 

Zij was daar. Ik had haar eerst niet herkend. En toch, zij zat daar helemaal alleen te eten in mijn favoriete pittabar. De laatste keer dat ik haar ontmoette was maanden geleden op mijn verjaardagsfeest; de voorlaatste keer op haar vernissage en voordien op de trouwfeest van een vriend die ook haar vriend is. Nu was het de magie van het toeval. Ik ken haar voor ik zijbijmij drie-en dertig jaar geleden leerde kennen. Elke morgen stapte ze op de bus met een kartonnen farde onder haar armen. Ik zat op de achterbank en keek naar haar schoonheid. Ze heeft mij nooit gezien. En dan, per toeval, tien geleden, zag ik haar weer. Het was op een verjaardagsfeest bij vrienden. Het duurde vooraleer ik haar herkende. Ik heb haar er nooit iets over verteld.
Ze had gegeten. We wensten elkaar een gelukkig Nieuwjaar. Tot volgende keer als het toeval zich voordoet. Ze ging weg.

donderdag 20 januari 2005
6

Stoere jongens en knappe meisjes. Ze doen zoals op MTV. Nog even voor het uitgaan gaan ze voor de spiegel staan. Zonder tegenslag worden ze onoverwinnelijk. Ze zitten boordevol geloof. Ze kunnen fabelachtige dingen denken. Slip-poses en gecamoufleerde borsten die liegen voor wie zich de waarheid pretendeert. En daar kijken ze dan watertandend naar uit, naar stoere reclame met sensuele vrouwen gehuld in satijnen gewaden. Drink een Martini en rook een Marlboro. Roken en alcohol zijn dodelijk staat er dan geschreven.
Wie wil mijn stilte? Ik wil onderduiken in het geroezemoes van een stad. Met in mijn linkerhand een zelfgedraaide sigaret fiets ik met de tijd der traagheid erdoor. Geen grootstad als Brussel. Dat is koorts op nivo. Neen, dit is een plattelandstad, een fietsende stad, een stad die 's ochtends loom de slaap kan weggeeuwen, uitdeinend vanuit middeleeuwse gevels.
We zitten in het hol van de winter en toch is de wind zacht. Het daglicht is nog niet geboren. In het centrum heien machines palen in de grond en wordt het grondwater weggepompt. De bouwwerf is als een voetbalveld verlicht terwijl bouwvakkers met rubberen laarzen zich zwaarbeladen door het slijk ploegen. Het heeft iets, zo een middeleeuwse stad 's morgens in vernieuwing.
Aan het kanaal doet een reiger een mislukte poging om op te stijgen uit het water. In een walm van brouwselgeur loopt mijn weg verder langs de Dijle waar men in middeleeuwse tijden Margriet ingesmeten heeft nadat ze verkracht en gesmoord werd. Het lijk dreef stroomopwaarts. Ook dat heeft deze stad, een legende.
Ik ga rusten aan het meer, kijken tot de zilverschijn op het water met het daglicht verdwijnt. Dan keer ik terug naar de stad om te beginnen. Het ongevraagde van het werk is tot mij doorgedrongen.
De middag is voorbij. Ik heb afgesproken met Caroline die ik niet ken, tenzij van twee keer aan de telefoon en drie e-mails. Wie zijn ze aan de lijn? Toen ik haar zag was ze anders dan ik me voorgesteld had. Caroline was doodnormaal, net zoals alles.
In het zigeunerverblijf liepen kinderen als loslopend wild en hadden de vrouwen diep uitgesneden decoltés. Ik liep erbij, met Caroline naast mij.
Ik heb vandaag de overgang naar het donker gemist en ben te voet door de storm naar huis gegaan. Het was zo dat ik het opschrijf om nooit te vergeten.
het wordt weeral volle maan
krijg roest in de keel
de rede verschroeit in emotie
niet wild van verlangen
en ik heb nog niet alles geprobeerd
“ Comme s'il s'etait trompé de film, un soldat de Napoléon croise le chemin d’un enfant à trottinette, accumulation d'anachronisme, la pauvreté-richesse, tradition-modernité, une grimace, entre le rire et l’appel au secours “
.
En zij zei: ooit zal ik zeggen dat het goed geweest is, dat het genoeg is geweest.

zondag 23 januari 2005
5

Het gloeit, het bloeit, het vloeit. Zon viert zondagochtend. In de klokkentoren galmt de tijd voor de zondagsmis.
Ze heeft al zolang met geduld op haar buik voor de deur gelegen,
met gekruiste poten...
niet wachten tot de rijm is verdampt,
nu vertrekken, nu verdorie.
Ik heb nieuwe woorden nodig want mijn eigen woorden zijn opgebruikt. Ik heb er al zoveel zinnen mee aan elkaar gebreid, teksten met Velpon aan elkaar geplakt, versteende gedachten als zout uit de zee.
Vierende zon in rijm. Zilveren vogels klieven brullend door de lucht. Laten we mateloos in dit moment verdwijnen.
Ik ga naar mijn vader en moeder vier dorpen verder. Als ik binnen kom staat de fles Calvados al op tafel en dampt de koffie in het huis. Het is normaal dat ik hier zomaar binnen stap. Zij hebben mij het leven gegeven. We vertellen over vroeger, ga ik mijn kamer nog eens bekijken. Zo vervliegt de tijd in een wolkenloze zondag.
Vannacht gaat het sneeuwen. Mijn rubberen laarzen staan klaar. Hopelijk komt het weerbericht zijn belofte na.
Zijbijmij leest een boek terwijl het klavier met tussenpozen tikt. Zij naast mij, ik naast haar. Niet ver en niet dichtbij. Boven een dichtslaande deur. De winter hangt opnieuw in de lucht.
Mijn vals gebit is gebroken. Morgen zien ze me halfmondig staan. Eten is kauwen. Ik ga opnieuw havermoutpap eten. Eigenlijk zou het mij iets moeten kunnen schelen maar dat is het niet. Het scheelt mij niets. Daarvoor is deze dag te goed. Zelfs morgenvroeg zal het mij nog niet kunnen schelen, want dan is het gesneeuwd, en indien niet zal het sneeuwen in mijn gedachten terwijl ik mij ten ruste leg.

zondag 6 februari 2005
4

De bruidsluier aan de hondenren moet gesnoeid. Het is drie jaar geleden. Alle takken die het dak overwoekeren gaan weg tot aan de stam. Het duurt een halve dag om zoveel snoeiafval bijeen te krijgen. Nu nog verbranden.
Neen, niet in bewoond gebied en het is zondag. Ik zal een klein vuurtje maken en bestrooien met tijm.
Geen sprake van, zegt ze vastberaden terwijl ze wat woekerkruid uit een struik geritst.
Ik zal het een week laten drogen en daarna verbranden. Al moeten we een pensenkermis met barbecue houden, dat vuurtje zal ik stoken. Smeulend vuur met patatten in de schil.
Ik heb alle veldwegen geprobeerd. Ze waren allen overbevolkt. Deze tuin wordt mijn eiland.
De zon gaat als een vuurbol onder. Het wordt koud aan de vingers. Toch blijf ik buiten alsof er iets belangrijks staat te gebeuren. Zijbijmij is binnenshuis. Ik zie haar in de keuken in een stoofpot roeren. De kinderen zijn niet thuis gekomen. De klokken luiden een eeuwenoud lied nog altijd hetzelfde. Tijd voor een trippel tegen koude tenen.
Ik geloof niet dat ik alleen maar weet wat ik hoor en hoor wat ik weet. De onzekerheid blijft me achtervolgen in lengte van resterende dagen.
Mijn zoon zegt dat onze samenleving rotzooi is en dat hij leeft om zich voort te planten, en ik zei: je hebt gelijk. Overleef in deze strontbedorven cultuur met een visie, bekijk het tafereel maar probeer in godsnaam geen wereldverbeteraar te zijn want dat doet pijn tot het einde. Ik kan het weten. Ik heb dertig jaar kroegentocht achter de rug zonder te haperen in een lach van plezier.

waterdame
3

Weet je nog, die dame die in avondtoilet door die kille ochtend aan het water slenterde? Je komt niet vaak
's ochtends  vrouwen in avondtoilet tegen. Zo zwierig als ze leek te bewegen, zo onzeker was ze over waar ze heenging. Misschien wou ze zich in het water storten of was ze op zoek naar zuiverheid, naar de schoonheid van die ochtend aan het kijken.
Ik  zie alleen maar schaduwen en contouren
een wereld in vernieuwing
de kraaien weten het ook
het wordt lente
de landwegen worden droog en ik zal licht gekleed door de ochtend gaan
en aan niets denken, niet aan haar, aan jou of aan zijbijmij
Met het wild de straat oversteken
misschien rijden ze me wel omver
maar het zal nooit mijn schuld zijn
overstekend wild....
Moeder, bescherm mij zoals vroeger
ik, het kind dat uit uw buik spartelde
ik heb u gelukkig gemaakt
even maar

juli 2005
2

Sinds vanmiddag heb ik geen sigaret meer gerookt, heb ik het maagzuur laten uitborrelen en heb ik gebaad. Afspraak bij de tandarts! Ik ben er altijd op tijd. Om te voorkomen dat ik me ga opwinden laten ze me nooit langer dan twee minuten wachten.
En ga je met vakantie, probeert hij me af te leiden nu ik als een gespannen snaar in het hol van de beer lig.
Er is geen ontkomen meer aan. Zwierig en met geveinsd medeleven begeleidt hij mij naar de stoel die comfortabel zit,  tot die plots naar achter kipt. Dat is de eerste schok die als een aardbeving door mijn zenuwstelsel gaat. Ik eis een verdoving.
Het is om u een plezier te doen, zegt hij.
Isabelle, de assistente, komt erbij. Nu begint het echte werk. Ik smeek hem opdat het geen pijn zal doen. Terwijl hij werkt als een chirurg laat hij zich het gereedschap overhandigen en vertelt hij wat hij doet. Ondertussen neuriet Isabelle. Het stelt me gerust; hoewel, naar verluid neuriën piloten ook als het mis begint te gaan. Het is niet de pijn die me afschrikt, maar de gedachte dat het pijn kan en uitgerekend bij mij zal doen.

dinsdag 19 juli 2005
1

Rond twee uur 's morgens ijsberen in de tuin, op het terras, van buiten naar binnen en dan terug buiten lurkend aan een sigaret. Slapeloos zonder reden. Lichaam in nachtgewaad, ronddolend in wind die voorbode van een onweer zou kunnen zijn. Ik heb nochtans geen bliksem gezien.
Rond tien uur 's ochtends maakt zijbijmij me wakker uit een droom. Ontbijt buiten.
De wind is niet gaan liggen. De krant waait in veelvoud van tafel. Koffie. Daarna begin ik er aan. De mestvaalt van huislijke taken. Het huishoudelijke heeft nood aan verbetering en vooruitgang.
18h: Te onstuimig midzomerweer om de dag met schop en truweel ondergronds te beleven. Toch heb ik tien kasseistenen gelegd tot het gerinkel van glasscherven me naar het gelijkvloers dwingt. Zijbijmij heeft een fles laten vallen. Het zal moeite kosten om voor zonsondergang terug beneden te gaan.
19h30: Nog zes kasseistenen bijgelegd. Zijbijmij maakt champignons met lookboter en pizza klaar. Ik drink rode wijn buiten op het terras. De wind streelt en verdrijft de zweetgeur van een ontbloot bovenlijf. De hond wordt ongeduldig. Ze heeft de maaltijd in de keuken geroken.
Na het eten rest er dankbaarheid om gegeten en gedronken te hebben met voldoening. Het is een voorrecht in deze wereld. Het brood waait van de tafel.
21h30: De koeien gapen ons na. Het gras in de berm bloeit. Ik voel, zie de wind in het struikgewas blazen. Het wild blijft onverschrokken lopen zij aan zij. Ze wentelt zich in stoppels van pas gepikdorst graan. Ze spurt langs een zandweg en laat stofwolken na. Ik ga in het midden van een immense vlakte staan. Zo kan ik de vier windstreken zien met mijn blik op de ondergaande zon. Zon, alleen wanneer je daalt naar de horizon kan ik je aanblik verdragen. Je bent zo ver van ons vandaan.

   

 

 

 

 

 

 

 

donderdag 21 juli 2005

Hij is een nadenkend kunstenaar op zoek naar datgene waarnaar hij op zoek is. Hij zegt dat ik zijn tegenpool ben.
De hond maakt me wakker. Ik lag in de luirik achteraan in de tuin. Ze kan niet verdragen dat ik in mijn nederige leegte lig te  snurken. Ze wil gaan wandelen en wie niet praten kan maakt zich duidelijk met de snuit.
Bert, die nationale feestdag, is dat vandaag of morgen?
Dat zie je wel als er F-zestiens overvliegen.

vrijdag 22 juli 2005

Schat, ben je er nog?
Ja.
Zou je niet opstaan, het is over tien.
Ik heb de vroege ochtend verkwanseld in mijn slaap. Ze is naar de markt geweest en als een bloemenvrouw teruggekomen.
"Jij doet de keuken vandaag".  Ze zegt het bijna zingend.Vrouwen zoals zij zeggen zoiets geen twee keer.
Als een papieren engel zweeft ze door de tuin, wikkend en wegend met de planten die ze gekocht heeft. Geen dampende koffie met croissants. Ik dool als een kluizenaar rond in de sacristie die gisterenavond voor de sauzen diende, scharrelend in het overschot.
zij en de bloemen
ik en de afwas
Voor we weg gaan moet de keuken proper zijn.
We hebben de regenjassen meegenomen. Zij rijdt voorop. Huizen kijken. Soms zegt ze: kijk, die ramen hebben een mooie kleur, dat zou bij ons ook niet misstaan.
Ergens op een bank leest ze een boek, ik een krant. We drinken Fanta-light.
Thuis heeft iemand de Camembert opgegeten. Er ligt nog wat vereenzaamde smeerkaas in de frigo.
De ochtend erna...omelet met champignons. Ingeduffeld in kamerjas geniet ze van haar tweede tas koffie. Geen slaperigheid meer te bespeuren in die fonkelende ogen die me vertellen dat ik vandaag niet de ganse dag op een stoel zal zitten turen naar woorden. Er is een barst in de façade die moet gedicht worden. Na die fietstocht van gisteren is teveel gevelschoon op haar netvlies gebleven. Ik zal het zelf wel doen maar ik heb je advies nodig, zegt ze diplomatisch.
Wanneer?
Vandaag, nu.
Laat mij het doen.
Wanneer?
Na de kelder.
Dat duurt nog tien jaar. Hou op in die kelder en dicht die barst vandaag.
Eerst de krant en dan straks.
Goed, vandaag dan?
Vandaag.
Ze glimlacht mild. Ze denkt: wat hebben we aan woorden.

In het nooit aflatend gekolk van golven op de rand van water en land
waar geen schaduwen van bomen zijn
alleen mijn schaduw in glinsterend zand

We zitten in een barbaarse gezelligheid op het terras. Verscholen voor een matige regenbui heeft ze een deken over zich heen gelegd. Aperitieven met een fles Pineau des Charents van Jules Gautret. Pas maintenant chérie. Ze leest, ik schrijf. Wat een geluk hier niet te moeten zitten in een achterkamertje van een krap appartement in Sint-Jans-Molenbeek zoals Sher Nazar. Afghaan zijn land ontvlucht. De wereld wordt te klein.
De vlinderplant is een en al verlatenheid bij deze nattigheid. Waar zouden die vlinders nu schuilen, of sterven ze bij elke regendag een gelukkige dood?
Geen zin om naar hapje-tapje te gaan? Dat hapje-tapje zit er wel in. Samen de wereld zien. Kom, we zijn weg van hier. Genoeg ‘sur place’ vandaag.
Op hapje-tapje schuiven we mee in de stoet. Je riekt van dichtbij de miasmen van halfvergane parfums. Een jonge vrouw vanuit tegenovergestelde richting vraagt of de sardienen die ik eet warm of koud zijn. Ik kan haar adem voelen. Ik antwoord: ze zijn lauw. Ze lacht terwijl ze vooruit geduwd wordt door de menigte die in duizenden gedaantes gluurt naar het schoonste en het lelijkste.
Als een zwerfkat rond dolen in de stad, kijken naar de leefstijl, de Haute couture opsnuiven. De terrasjes zitten vol.  A la anima et di corpo.
De zon schijnt en plots begint het te regenen. Een glinsterend watergordijn in zonnestralen. Luttele minuten later overtrekt het in donkergrijs en gutst de regen als een waterval op de straatstenen. Dan klaart het onverwacht op. Het water verdampt in de zon. Het is een zeldzaam teken.
Er balanceert een wesp op de rand van een trappistglas. Eerst kruipt ze naar de overgebleven fond, dan klimt ze moeizaam langs de gladde wand naar boven, en nu gaat ze al even moeizaam eindeloze rondjes doen langs de rand. Vermoedelijk zijn haar vleugels met trappist doorweekt want geregeld pauzeert ze om te zoemen. Ze komt echter niet omhoog. Dan wrijft ze met haar voorpootjes over haar slanke lijf en kruipt ze verder. Zo kijk ik al een hele tijd naar een wandelende dronken wesp.

Nooit aflatend gekolk van golven op de rand van water en land
waar geen schaduwen van bomen zijn
alleen een schaduw in glinsterend zand
Schaduwen zijn nooit vermoeid noch verminkt,
ik kijk ernaar.
Een onweer drijft de wolken uiteen
bombastisch geweld
dat een kind doet schrikken,
maar ik ben volwassen nu.
Kijk naar die dikke regendruppels waarin het zonlicht weerkaatst
op een wijnvlek van plezier.

Er klinkt latinomuziek hier niet ver vandaan. Ik ga ernaar kijken en luisteren. Op de dansvloer van een meter hoog spelen kinderen in een indianendans. Er is zelfs eentje bij dat kruipt terwijl de mama bezorgd uitkijkt aan de rand van een meter hoog. Het komt door de muziek , het is de speelsheid in het leven dat ik zie.

dinsdag 30 augustus 2005

Terwijl de stad smeult naar de vooravond leur ik glurend, turend langs drukke straten en pleinen. Soms raken ogen elkaar, ontmoeten ze de grens van het onuitstaanbare.
Parfums in de straat. Meisjes rieken fruitig, hun moeders iets meer genuanceerd en de oudere dames laten nog altijd met dit zomerweer die onverwoestbare zweem van eau-de-cologne na.
Diep uitgesneden decoltés voor wie het zich kan permitteren. Ze doen alsof het hun niet kan schelen, maar in deze hitte is het hoogtij voor vleselijke schoonheid in een overbevolkte stad. Diens gladiatoren etaleren het beste van zichzelf als een gratuit spektakel uitdeinend in avondlicht.
Sterfelijkheid, al die schoonheid die zal verschrompelen als een roestig stuk oud ijzer, terwijl het kruid rond mijn grafsteen bloeit.
Voor het zover is ga ik naar huis met de ondergaande zon als gesmolten goud in mijn ogen.

Een winter daarna…

In het veld dampt mest dat uit de beestenstal werd gehaald. Op tijd om een vergezicht te zien opkomen aan de horizon. Eens de ronding is gestegen worden mijn ogen verblind. Er is veel te zien in die roze hemel. Eenden in volle vlucht, witte strepen waterdamp van aluminium vogels en slierten mist in dalen. Ga nu verder naar het gezoem in het oosten tot aan de hoofdweg die twee velden scheidt.

Uit het fornuis komt vuur dat de schenkel verhit. Voedselschaarste is er niet. Geen ontberingen moeten ondergaan…

het kaarslicht danst met vlagen, laat lange schaduwen leven,
verdrinken nachtvlinders in een halfvol glas wijn
er is leven in de nacht.

Ik raak je aan met een handdruk nu
lieg de waarheid met een verzonnen verhaal
wat is dit, spiegel aan de wand

geen verlangen kan nijger zijn
de ouderschoot ontgaan
ik vraag me af of het verlangen om een vogel te zijn
verdwijnt door ontbering in dit leven
net zoals dat kortstondig moment tussen jeugd en volwassenheid




 

 

 

 

zondag 22 januari 2006

6h: Ik wordt wakker met het verlangen om nog tien minuten te blijven liggen, tot het besef doordringt dat het zondag is. Ik wroet me diep onder de sprei en stamel iets van: het weekend is nog niet voorbij. Zalig!
Straks komen twee respectabele vrouwen en mijn beste vriend, rond halftwaalf om precies te zijn, brunchen. Het is zo’n innig woord om  tezamen te zijn.
Eerst fruitsap, sterke koffie op het terras en een sigaret om de hoest te kalmeren. Ik kijk met slaap in men ogen naar het voegsel van een stenen muur, naar de buitentafel waar het gerief  vol stof en schaaflink achtergebleven is.
11h45: Awel, waar is Anita?
                Die is gaan fitnessen. Ze komt binnen een kwartier.
De saucissen, het spek en de bonen in tomatensaus staan al te pruttelen. Er staan koffiekoeken op tafel, broodjes met sesamzaad, confituur, kaas en hesp.
12h20: Dag schat, ge zijt zo laat.
Ik ben gaan fitnessen, zegt ze terwijl ze naar binnen waait.
Smullen met schuimwijn. Wie wil omelet? Iedereen behalve zij die geen eieren lusten of bang zijn om de dolle kippenziekte te krijgen.
Na het ontbijt halen de dames hun folders boven en kijken ze op internet.
Wanneer denken jullie te vertrekken?
                Weten we nog niet.
Zeg het me op tijd want ik blijf niet thuis.    
               Toch weer niet met de fiets naar Amsterdam?
Jawel.
                Waarom niet naar Frankrijk?
Een glas wijn?
                Dan liever koffie.
Beiden worden u aangeboden, zegt Greet. Mamma heeft mij jullie bed beloofd, zegt Stef.
Hoe zal ik de geur van mijn duimen beschrijven
de geluiden die ik hoor
het komt niet in me op
twee warme duimen en koude kieren in dit huis.

 

vrijdag 3 februari 2006


De milt van boestering staat in de oven te stoven. Het vriest, de hemel is wit. Rijm blijft aan takken hangen. Na een half uur beginnen blote vingers te tintelen van de kou. Het is de charme van de winter.
Bij deze wens ik U in dit nieuw jaar hetzelfde dat ik mezelf zou toewensen. Ooit zien we elkaar nog wel eens, misschien op een fiets. Laten we daarover niet onzeker blijven. Zelf heb ik mij gedistantieerd als een vlierenfluiter die uw landschap probeert te versieren. Deze samenleving reguleert zichzelf wel zonder mij. Ga nu maar slapen en kruip weg in een droom die je zelf niet gekozen hebt. Misschien ga je wel vliegen over afgronden of opnieuw dingen doen die je heel lang geleden gedaan hebt of wilde doen.
Slaap en droom, kameraad.
Hij is in slaap gevallen en niet meer wakker geworden. Hij was een merkwaardig figuur.  Eigenzinnig overleefde hij de nachten in koude seizoenen buiten. Hij was een stille. Nooit grootse dingen van zichzelf verwacht, in de krochten van de geest geleefd, zichzelf afvragend waar de zin eindigt en de waan begint.
Het is drie februari tweeduizend en zes, namiddag tegen het avonduur. Ze hunkert. We vertrekken.
De omgeving is met vorst bedekt. Er vallen sneeuwvlokken heel even maar. Het wordt donker. Het gaat nog harder vriezen.
De ochtend daarna is de omgeving ontdooid. Voorlopig geen vodden aan deurkieren meer leggen, geen vorstbril tegen tranende ogen meer, handschoenen uit. De strijd tegen de vrieskou is daarom nog niet gestreden. De winter ligt nog altijd op de loer.
De boenwas is op.  Ik fiets langs het Zoniënwoud naar de Hoogstraat in Brussel om een nieuwe pot. Het verkeer loeit de stilte weg en teert de longen. De Franklin Rooseveltlaan, langs beide zijden geflankeerd door appartement- en bureelgebouwen met onbelopen voetpaden, heb ik lang niet meer bereden. Dan de chique avenue Louise. Ik ben Brussel binnen gereden. Van hieruit gaat het naar de Marollen. Langs het Zuid strand ik in Anderlecht in stegen waar het zwerfvuil zich opgestapeld heeft. Er is een kapperszaak. Voor de vitrine hangt een poster van Jacques Dutrong en Jonny Halliday. Ertussenin een blad papier met handschrift beschreven: cinq euro la coup. Het zit er stampensvol. Het haar wordt hier geknipt zonder onderscheid van gestalte, ouderdom of afkomst. Iedereen is er gelijk. De tondeuze wordt met de hand bediend. Als kind ondervond ik dat het soms pijnlijk kan zijn. In het café op de hoek, chez Sharif, zitten ouderlingen getooid in lichtbruine wollen puien, broederlijk te slurpen aan in limonadeglazen uitgeschonken thee. Hun ogen zijn helder, hun lippen spreken welgemeend. Die Arabische taal heeft iets heftigs en zangerigs. Die Marokkanen en Algerijnen  zullen me hier niet omver rijden. De Afrikanen wonen meer aan het Zuid. Daar zijn de reisbureaus die je voor een appel en een ei met een minibusje naar verre oorden brengen. Moslims, zatlappen, schooiers, brabbelaars met een pruik op hun kop. Men hoeft zich hier voor niets te schamen.
Aan de rivier onder de spoorwegbrug zitten twee eenden mekaars veren te schikken. De loodsen aan de overkant lijken verlaten. Toch spuwen schouwen witte rook. Er rijdt een goederentrein voorbij. De pilaren van de brug zijn met graffiti beschilderd. Een rood hartje met een pijl doorkliefd en daarnaast de namen van Gert en Fien.
Het wordt tijd voor een dronk uit de trog. Wat bent u mooi, lieg ik veel later tegen het oprukkende donker.

 

donderdag 9 februari 2006

Stoofvlees.
De maartse buien zijn begonnen.
       Maar neen, het is nog volop winter.
Rond zeven uur vanmorgen begon het te hagelen. Twee uur later zag de lucht blauw. Een half uur daarna joeg de wind koud vocht in mijn gezicht. De maartse buien zijn begonnen.
       Niet waar. Het is nog volop winter.
Ik leef in de buitenlucht. De maartse buien zijn een maand te vroeg begonnen.
       Voor mij is het nog winter.
Voor mij zijn de maartse buien begonnen.
       Zwijg in godsnaam over die maartse buien.
Als gij zwijgt over de winter.

En die muren, wat doen we ermee?
       Laat die muren gerust.
Denk toch mee over die muren. Die zijn aan verandering toe.
       Die muren zijn nog even goed zoals in het verleden.
Egoïst.
       Individualist.

 

woensdag 8 februari 2006

De kroketten en het varkenshaasje zijn bijna gaar. Hij serveert zichzelf een bierglas met wijn  en zegt terwijl hij zijn gitaar uit de staander gritst: “Ik zal het overschot opwarmen als ik terug ben. We hebben repetitie. Er komt een zangeres”.
Al zes weken wachten ze op haar, hebben ze  gerepeteerd, is ze niet gekomen, die Hollandse die in Antwerpen woont. Nu plots heeft ze gebeld om te zeggen dat ze naar de repetitie komt. Een repetitie die niet eens gepland was. Die gasten stuiven halsoverkop bij elkaar, laten hun eten staan…voor dat zangeresje dat net nu tijd en goesting heeft. Zeg me niet dat die vrouw niet domineert.
Raccist, zegt de vrouw des huizes. Je zit vol vooroordelen. Ik had beter van je verwacht.
                Kan me niets schelen. Die gasten kruipen wanneer het niet nodig is.
Macho, hoe durf je.
Ik probeer mijn lach te verbergen en dat heeft ze gezien. Ik zie het aan de glimlach in haar ogen.

in mijn handpalm een parfum van aanraking
ben niemands man
zeker van
het rijmt dan nog
een dronk van de trog
almoezenier of aalmoezenier in een onbekend akkoord
twijfel in de spelling
ontbonden, vroom
telkens een nieuw bestaan

veel later:
Dag pap.
                En ?
Tof.
                Zingt ze goed?
Prachtig.
                En…heeft ze présence?
Ja.
                Uw eten staat in een stoofpotje. Zet het in de microgolf.


 

 

 

pen