Onnozel optreden

© Amanda Visch

 
 

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Home

 

 


  
 
Het is de laatste dag van de zon. Misschien dat er daarom op straat een sinistere sfeer hangt. Mogelijk ligt het aan de mensen: ze lopen elkaar voorbij met dodemansogen. Het grootste deel is hoe ik de wereld zelf bekijk, besef ik.
Ik ben een zwart gat die hun licht ergens in het universum van mijn ego laat verdwijnen. Een urn kun je nog vullen met as en bij mij ligt de beste wijn naar een paar uur al bedorven op straat. Gelukkig ben ik daardoor nooit een zware alcoholist geworden.
Deprimerend? Nee, ik bekijk het nog steeds met een humoristische knipoog naar het leven. Het mag toch een wonder heten dat ik überhaupt nog besta?
 
Nee, ik ga je niet vervelen met een slechte jeugd of verbroken relaties. In deze tijd heeft iedereen genoeg aan zichzelf. En gebeurtenissen hebben me nog nooit zo ver gedreven dat ik op een flatgebouw van de hoogste verdieping af wilde springen of een stanleymesje aanschafte om de polsen door te snijden. Er zijn gelukkig nog genoeg ridders en feeën over in dit leven. En ik voel me daartussen vaak als een magiër zonder toverkracht. Van alles weet ik doch gaat mijn mond open dan wordt levenswijsheid zwarte toverkunst: de woorden slaan neer als slaghamers.
 
Op een bankje zie ik een man zitten. Hij heeft een baard van weken, verschoten kleren en lange grijze haren die over zijn schouders vallen en doet me aan Abraham uit de Bijbel denken. In een boek zit hij te schrijven of te tekenen - ik zie het niet goed - met een afgekloven potlood. Mijn nieuwsgierigheid is gewekt en ik neem naast hem plaats. Er volgt geen reactie.
Ik schuif dichterbij om zijn aandacht te trekken maar hij blijft me negeren. Hallo, wil ik zeggen. Wij zijn van dezelfde soort. Gelijk aan; eenling, massa.
Zijn ogen schieten over de straat en dan krabbelt hij weer in dat stomme boekje van hem. Als protest haal ik een pakje shag uit mijn zak en probeer met verkleumde handen een sigaret te rollen. Leun achterover en steek het demonstratief aan. Expres blaas ik de rook zijn kant op. Naar een paar minuten staat hij op en loopt zonder afscheidsgroet weg. Iets verderop zie ik een dame een gesprek met hem aanknopen.
In dubio vraag ik me af waarom het mij niet lukt een vriend te maken. Zie nu pas in hoe respectloos ik zijn wereld binnenkwam en me als een blaaskaak gedroeg. Zo bijzonder ben ik niet dus?
Ik kan de mensen begrijpen maar in mijn omgang met hen moet ik nog veel leren. Stellig neem ik me voor mijn houding eens flink onder de loep te nemen. Aan eenzaam gemekker heeft een mens niets. En bedenk dan dat alles bestaan is en ik in het midden sta maar toch vaker aan de zijkant het leven gade sla. Op de top van de berg sta ik in het dal. In het dal wil je als mens weer hogerop komen. Tot je beseft dat jij je als een buitenstaander gedraagt en dat arrogant en onmenselijk overkomt. Vervelend, voornamelijk voor jezelf. Kennis komt met de jaren.
 
Mijn sigaret druk ik uit en loop met een glimlach verder. Een frisse jonge meid loopt langs en knipoogt naar me. Ik fluit haar na. Lachend lopen we allebei door en kijken stiekem achterom tot we uit elkanders zicht verdwijnen. Mijn nieuwe levenshouding boekt meteen resultaat, tralala! De afgelopen uren tikken weg onder me voetstappen.
De kater van de buren, de hond die me wakker blaft. Man, hou je kop! De rododendron, een mus die tjirpt, spelende kinderen, een bemoeizuchtige buurvrouw, mijn moeder, het gehele volk. Uiteindelijk ben ik mens, gewoon een mens net als al die anderen. 

 

© Amanda Visch

22 December 2008