Uit-einde-lijk mezelf de rug toegekeerd
mijn armen dood naast me neer gelegd
afgedaald in de eindeloze diepte van mijn buik
en plaats genomen achter het venster van mijn ziel
Daar kwamen ze één voor één, de lafaard de held
de vrek en de zot, een lange rij kreupelde voorbij
hun schaduwen klevend aan het vensterglas
maar achter in de stoet, rechtop en fier
Ja, wie zou dat zijn, hij is niet van hier …