of ik het van de stilte heb?
ik ben geen blad dat zich dor kromt
om een stugge tak terwijl lente bronst,
ik leg me in een levensschaal
waar ik uit balans gewekt de hals rek
als een zwaan witstil besloten
ik heb het van de koele uren
als de laatste wolken verlept
drijven over mijn horizon,
dan schil ik mijn hart, snij de ogen uit
waaraan ik me niet meer voeden wil
-zo wist ik te stromen, liggend in het gras,
met een madelief in mijn mond
omdat na lang zoeken
de woordenrivier me tot
aan de lippen stond-
zo vind ik mijn paleis en goden
zo vind ik de zin
waarmee ik een gedicht begin
sindsdien oefen ik in zwijgen
net zolang hij, hij -mijn stilte-
zich meester maakt van mij
© Marleen De Smet
|