Het is nog niet klaar. Ze slapen nog. Ik denk dat het halfzes moet zijn.
Ik vertrek zonder hen goeiedag te zeggen. Dat wisten ze al. Het is nog vroeg.
Het regent niet, er is geen tegenwind en mijn handen hebben het niet koud.
Eindelijk alleen. Een fiets met een zadel, een slaapzak, drie onderbroeken en kousen voor onderweg. Ik fiets tot het landschap onherkenbaar wordt.
In de eerste stad sta ik stil en kijk naar studenten die in nachtroes door straten slenteren.
De dageraad begint, zie hem zonder gehoor. De bakkers zijn nog dicht.
Over het kanaal vliegt een reiger sneller dan ik.
De zon komt op, en zie daarginds die wondermooie wolken!
In het water verschijnt het beeld van een gerimpelde mooie oude vrouw. Huilend in mezelf verbeeld ik mij haar eeuwige eenzaamheid.
Ik stop niet. Ik rijd verder de tweede stad voorbij. De weg is nog lang.
Ook in de derde stad houd ik geen halt. De heerlijke gewaarwording om bestemd te zijn snijd dieper dan de honger die begint te knagen. Door de eenzaamheid, de stilte in dit ongeneeslijke moment raak ik stilaan verloren uit mijn gewoonte. Bovendien zijn hier teveel mensen samengekit in gezamelijke voorbeeldigheid.
Ik fiets verder langs de haven, de wij-huichelaars ontwijkend.
Het landschap verandert in rivieren en steenbakkerijen. Hier hebben ze nog veldovensteen gemaakt. De arbeidershuizen zijn nog bewoond, historisch bewaard gebleven. In dit dorp van Boomse steen koop ik stokbrood, paté en Porto in een mini-supermarché die als bij wonder uitgerekend hier tijdens het feest van de arbeid open blijkt te zijn.
Na de maaltijd dump ik de lege fles in een glascontainer.
Nu ben ik mijn klaarheid verloren. Het zoeken van de weg wordt net geen duel waarbij de reiziger schreeuwt uit ontzetting voordat hij door bedwelming overwonnen wordt.
Rij de goeie richting uit, zegt de engel vanop mijn schouder. Ik toon je de weg.
In het avondrood ben ik in de buurt waar ik vandaag wilde zijn. Het is me gelukt om ongeschonden dichtbij een onbekende te geraken.
Dan slaat de wanhoop toe in een loomheid van weemoed en verlangen. Het wordt laat dwalen, zoeken in straten. De tijd wordt plots minuten en seconden al ken ik hem niet. Ik zie het aan het donker dat alsmaar zwarter wordt, de mensen die verdwijnen uit de straten. Net als in helse dromen lijkt het of ik een hamerslag in de maagstreek krijg. Ik kom te laat.
En dan plotseling dient zich het spookbeeld van het toeval aan. Door het vensterglas schijnt een vage roze gloed.
Tikketikketik-tiktik…
Ben jij het? Ik had je niet meer verwacht.
Ze is anders dan ik me voorgesteld had. Ik ben anders dan het beeld in haar gedachten.
In een leefkamer waar de roerloze wanordelijke atmosfeer lichtelijk roze is getint door gedempt licht veeg ik de tafel vrij voor twee glazen wijn.
Zij maakt de asbak leeg.
Die mooie ogen durf ik niet zeggen. Zo lief durf ik haar niet vertellen.
Schone mensen, zegt ze.
Nu de katinnen een week krols miauwen,krijg ik snoep bij de koffie en een knuffel
voor onderweg. Onderweg...waar tijd en de herinnering aan haar mij klauwen in een onweerstaanbaar landschap dat diep in de afgrond onder mijn voeten verdwijnt als de avond valt.
begin
Home
|