Donderdag 24 juni 2004

Halfzes s’morgens. Ik heb gewacht tot het klaar werd om te vertrekken. Het is bewolkt. Er waait een hevige wind vanuit het westen. De temperatuur is zacht. De wind is in mijn voordeel richting Durbuy.
Op dit uur is er geen verkeer. Tot aan het veld reed er maar één auto voorbij. Hij reed traag en de chauffeur knikte solidair, niet wetende dat ik me voor het plezier op de weg bevond. Een doodgewone werkdag halverwege de week gepasseerd.
In het tweede veld naar Leuven is het rechtsaf tot over de spoorweg in Oud-Heverlee. Op de kaart lijkt het de logica zelve. Toch slaag ik erin kostbare tijd te verliezen door een doodlopende weg te volgen tot in Heverlee bos, maar het is nog maar kwart na zes, een uur waarbij je hooguit de postbode of een vroege jogger passeert.
Nu volg ik een hoofdbaan met vlak ernaast een moeizaam te berijden fietspad. Dat gaat zo door tot in Hoegaerden. Het verkeer is op gang gekomen. Ik koop een krant en een fles water. Twee uur onderweg. Mijn gedachten neuriën een nomadenlied dat zo oud is dat het zijn naam verloren heeft. Hier begint de eigenlijke tocht. Het duurt nog een half uur om van die saaie hoofdbaan te geraken.
De weg kronkelt langs weilanden en pachthoven naar Tienen. Midden in het veld komt een grijsblauwe wolkenmassa aandrijven. Ik heb nog net de tijd om regenkledij aan te trekken. Het regent niet langer dan vijf minuten. Die wolken worden snel verdreven door de krachtige wind.
Tienen voorbij is de hemel helemaal opgeklaard en is de wind gaan liggen. Het fietspad scheert een tweetal kilometer langszij de stad.
Het middaguur dichtbij Sint Truiden. Ik eet rechtstaand naast een alleenstaande boom in het landschap. Reeds halverwege. Ik bel naar B die nu ter plaatse is en spreek het bericht in dat ik er vanavond zal zijn.
Een vijftiental kilometer van Tongeren verlaat ik de vooropgestelde weg om langs dorpen zuid-westelijk te gaan. Het is een kortere weg waarbij de passage langs Luik vermeden wordt.
De dag is in namiddagfase verslonden onder een stralende hemel. Door maagzuursel van een te karige eenmansdag, denk ik met verdachte graagte kwijlend als een halucinerende Bourgondiër aan beafsteack friet. In deze landelijke vlakte zijn geen cafés, frietkoten of restaurants. Hier wordt koeienmelk gezopen en eten ze spinaziestoemp met vet spek. De mensen rieken hier hier s’avonds nog aan hun handen voor het slapen gaan.

20h30:
De kortste weg is vogelvlucht. Rrechtlijnig op het doel afstevenen. Hoedanook, ik wil voor het donker ter plekke zijn. Veel drukte is er niet op deze expresweg. Een dertig centimeter brede watergreppel naast het asfalt doet hier dienst als fietspad. De middeleeuwen in Vlaanderen. Of dit komt door geldgebrek of cultuurverschil maakt me op dit ogenblik niets uit. Ik voel me als een slak die een straat oversteekt.
De zon zakt. De avond stelt zich aan met oranje slierten over heuvels. Daarna begint het te schemeren. Wegwijzer richting Durbuy. Nog twintig kilometer.
Na de hoofdbaan wordt het klimmen op een bochtige weg. Hij daalt in bossen en is onverlicht.

Plus-minus drieentwintig uur: Durbuy.
Ik heb nu geen zin meer om naar die boederij van afspraak te zoeken in het donker. Het weer is geschikt om buiten te slapen. Ik heb honger. De keukens zijn al veel te vroeg dicht. Dan zoek ik maar een slaapplaats in een nabijgelegen park. Een beetje teleurgesteld en met een eenzaam gevoel dool ik wat rond. Twee keer kom ik mensen tegen die Nederlands spreken. Daarna lijkt het park verlaten. Ik spreidt mijn slaapzak open onder een verlicht afdak en eet wat overschot van sandwichen. Het smaakt droog in de mond. Op het antwoordapparaat van mijn gsm staat een ingesproken bericht van B. Ze is ongerust omdat ik er niet ben en vraagt om terug te bellen. Het bericht werd een half uur geleden ingesproken. Als ik het nummer bel wordt meteen opgenomen:
Met B V…
Dag B, t’is Warket.
Warket!! Waar zit jij?
In het park van Durbuy.
Wat doe jij nu in dat park? Het is middernacht voorbij! Je had gezegd dat je tot hier zou komen.
Het was al donker toe ik hier aankwam. Ik heb mijn slaapzak open gelegd .
Ik kom je halen.
Dat hoeft niet, het blijft droog vannacht.
Ik ben toch nog aan het rondrijden omdat ik niet kon slapen. Ik kan je evengoed komen oppikken. Er is plaats genoeg in de wagen om je fiets mee te nemen. Binnen een kwartier ben ik aan de brug.
Ik zal er klaar staan. Tot straks.
Boem, patat, ik kan opnieuw inpakken. Als B iets denkt zal het ook gebeuren.
B is iemand die zelf zegt dat ze er intelegent uitziet maar over middelmatige verstandelijke vermogens beschikt. Op de middelbare school heeft ze zelfs een jaar moeten overdoen en voor haar architectuurdiploma heeft ze hard moeten werken. Ze is op zoek naar een vaste vriend met een sterk karakter maar de wereld loopt vol snotneuzen. Ze is verliefd geweest op een Marokkaan maar die is na zijn studies naar zijn land teruggekeerd.
Ik heb mijn spullen ingepakt en rijd naar de brug. Dan schiet het me te binnen dat er twee bruggen zijn in Durbuy. Ik doe een gok. Het blijkt een goeie keuze geweest te zijn want tien minuten later komt B aangereden. De fiets gaat probleemloos in de wagen. We rijden langs een donkere weg met haarspeldbochten. Ik vraag haar om trager te rijden. Het is nog achtien kilometer eer we er zijn. Ik zou het nooit alleen gevonden hebben in het donker.
De boerderij blijkt een groot pachthof te zijn. Veel kan ik er nu niet van bekijken in het donker. In de keuken staat speciaal voor mij een Duvel klaar.
Heb je nu geen honger?
Ik heb reuzehonger.
Zal ik een ei bakken?
Dat zou heerlijk zijn.
In de frigo staan zowel gekookte als rauwe eieren door elkaar. B toont me hoe je ze kunt herkennen door ermee te draaien. Dan bakt ze een omelet.
Terwijl ik eet zit ze onafgebroken te vertellen maar ik ben te moe om nog echt te luisteren. Ze heeft twee luchtmatrassen meegebracht.
Ik bedank haar voor de gedane moeite. Als we gaan slapen leg ik me ver genoeg uit haar buurt zodat ze niet zal wakker worden van mijn gesnurk ook al heeft ze me eerder al verteld dat snurken haar niet stoort.

Vrijdag 25 juni 2004

Ik ben als eerste wakker. Het is negen uur. Buiten loop ik een geblokte man van een jaar of veertig bijna letterlijk tegen het lijf. De man blijkt de eigenaar van het pachthof te zijn. Hij heeft twee speenvarkens meegebracht. In de feesttent staat een spit dat we buiten klaarzetten samen met drie barbecuestellen. Er worden honderdvijftig personen verwacht.
B heeft een ontbijt klaargemaakt. We bespreken hoe we te werk zullen gaan. We hebben zeven grote tuintafels van drie bij een meter vijftig nodig voor de koffietafel. Die staan nog achteraan. Ik had gezien hoe de eigenaar op eigen houtje zo’n zware tafel verzet. Ik heb er ook een onder mij alleen op mijn rug getild en twintig meter verder gesleurd. De andere tafels hebben we met tweeën verplaatst terwijl B aanwijzingen gaf. We moeten nog kaas, hesp en houtskool kopen en bij de bakker stokbrood en pistolés halen. In het dorp is een circus op doorreis. Op het grasplein grazen lama’s. Terwijl B de rekening betaalt stapel ik de broden op de achterbank. Bij de kruidenier vragen we de weg naar een winkel waar we houtskool kunnen kopen. Niet ver hier vandaan is een tuincentrum. We kopen zestig kilo houtskool al vind B dat te veel. Later zal blijken dat ik niet overdreven heb.
We zijn net op tijd terug om broodjes te smeren en de tafels te dekken. De schikking van het beleg met kaas en hesp op de borden bepaalt B. Het moet nu snel gaan want de eerste gasten komen er aan. De vier vrouwen die het avondeten zullen bereiden zijn ook gearriveerd. Ze palmen de keuken in. Het duurt niet lang of B komt haar beklag doen. Ze lust die vrouwen wel rauw. Het enige wat ik kan doen is trachten haar tot bedaren te brengen.
Laten we een terrasje doen in Durbuy. De barbecue begint pas vanavond.
Voor mij een coupe met aardbeien, voor haar een coupe breziljen.
Ik vertel over L en de kinderen, wat ze doen in het leven, dat ik L al drie en dertig jaar ken en dat ze morgen op bezoek komt.
B vertelt over een man die ze hier heeft leren kennen. Hij is rond de vijftig en afkomstig uit Antwerpen. Twee kinderen uit een vorig huwelijk en hertrouwd met een Waalse. Die is een jaar geleden overleden.
Ze blijft vertellen over die man, over zijn vrouw, hoe mooi en bijzonder ze was. Ze vertelt over vrienden die ze heeft leren kennen op momenten dat ze hier kwam om alleen te zijn.
Het is al een eind in de namiddag als we vertrekken. Rond acht uur worden de andere feestgangers verwacht.
17h: ik heb drie grote barbecues aangestoken en een braadspit. Het varkentje is aan de spies. Geur van pas aangestoken houtskool en het parfum van vier vrouwen. Een van de vier brengt me een groot glas blond bier om af te koelen want het wordt hier heet. Alles staat klaar in de keuken. Het wordt spannend.

20h: Iedereen is zowat tegelijkertijd aangekomen. Champagne als maagdenzucht uitgeschonken. Er is op dit ogenblik personeelstekort. Op de gril boven de gloeiende houtskool staat een grote paellapan waarin verse gamba’s gebakken worden. De sardienen, opgevuld met een zelfbereide pesta mogen ook geroosterd worden. Mensen komen met belangstelling kijken naar het ronddraaiende varkentje aan de spies. Na drie uur is het bijna gaar. De timing is perfect. Ze vragen me telkens hoe ik het klaargemaakt heb en elke keer moet ik vertellen dat ik slechts de vuurman ben die al vijfentwintig kilo houtskool verstookt heeft. Een enkele keer zeg ik dat een speenvarken eigenlijk nog een baby is die ze uit het nest halen en dat deze al een naam had. Men kon er niet om lachen. De mensen willen zien maar niet weten wat ze eten.
Nu nog de koteletten op de grill. Deze plaats wordt bedwelmd door de geur van geroosterd vlees en tijm. Het koud buffet staat al in de feesttent. Er ontstaat discussie achter de barbecue over de gaarheid van het vlees. Volgens de professionals moet gegrild lamsvlees vanbinnen rood blijven terwijl B meent dat het meer doorbakken moet zijn. Veel tijd is er niet om te ruziën. Om kat en hond gescheiden te houden vraag ik aan B om me te helpen met het speenvarken te versnijden. Het ging gemakkelijk van de spies en ik heb een slagersmes gewet. Ik snijd het voorzichtig in plakken en voor het op de schotel ligt heeft B zich vingerlikkend een portie tegoed gedaan. De kop etaleren we in het midden. De achterpoten liggen nog even apart op de rooster en zijn voorbehouden voor iemand die het eerder op de avond kwam opeisen.
Het feest is nu volop aan de gang. We hebben tijd om bier en champagne te drinken. Het begint donker te worden. Aan verlichting boven de barbecue hadden we niet gedacht. Iemand brengt van die stenen potten met geel kaarsvet. Hierdoor kunnen we ons gerief onderscheiden maar ze geven niet genoeg licht om na te gaan of het vlees al dan niet voldoende gaar is. Proeven dan maar, ieder om beurt. En zo ontstaan dan Breugeliaanse toestanden bij werkend personeel in de laatavond onder een sterrenhemel. Er is niets zo overweldigend dan met vier champagne zuipende vrouwen achter een hete barbecue te vertoeven. De tongen komen los en ik wordt op mijn wenken bediend. B loopt er een beetje verloren bij. Veel later in de nacht zal ze me vertellen dat het zo fijn was onder ons twee tot die vier teven de sfeer kwamen verpesten. Ik had het zo niet gezien.
Feestgangers komen op en aan om een geroosterd stuk lamskotelet, sommigen goed aangeschoten door de wijn. J is al vier keer komen vertellen hoeveel plezier het hem doet dat we gekomen zijn. Hij is champagne blijven drinken en het is hem aan te zien. Zijn vlinderdas hangt onderste boven en de elastiek is uit zijn paardenstaart geschoten. Net een Kelt vanuit het hoogland die zijn zwaard vergeten is, gehuld in trouwkostuum.
Een van de professionals slaat haar armen hartelijk rond mijn buik. Nog voor ik iets kan zeggen is ze verdwenen. Het moet een vergissing in het schemerlicht geweest zijn want ‘s anderendaags hoorde ik van J dat die vier lesbiennes zijn.

 

Zaterdag 26 juni 2004

Rond het middaguur wordt ik versuft wakker, in de zetel in het salon weliswaar, als een dood paard in een wijnglas. De eelt op mijn rechtervoet is opengebarsten; het doet pijn om op blote voeten in sandalen rond te lopen. Buiten wordt opgeruimd en afgewassen. De slaapkoppen zitten aan het ontbijt. Ik heb honger noch dorst. Ik wil slenteren, gezelschap vermijden en observeren, turen in details. De profesionals zijn naar huis. Johan vertelt me dat de barbecue’s nog warm waren. Ik heb zestig kilo houtskool verstookt. Barbara heeft de douche voor zichzelf gereserveerd, twee uur lang. Vanavond is het feest voor de vrienden, opnieuw honderdvijftig man. Deze keer behoor ik tot de genodigden en komt Liliane. De familie zal bedienen. De lucht is bewolkt, zwoele atmosfeer. Soms een opklaring. Ik loop heen en weer. De man uit Barcelona komt ook naar buiten gestrompeld met natte haren. Hij herkent me niet meer. Nu ziet hij er voornamer uit, bloednuchter naast zijnvrouw. Het leven gaat opnieuw zijn normale gang.
Ik spreek met Barbara af in Durbuy. Ik moet nog achtien kilometer fietsen. Halverwege drink ik een trappist. De fietstocht heeft twee uur geduurd. Dit is een zeer heuvelachtig gebied. In Durbuy luister ik naar een ingesproken bericht van Liliane op mijn antwoordapparaat. Ze is sinds de vroege namiddag toegekomen aan ons verblijf. Ik ontmoet Barbara op een terras en vertel haar dat Liliane ter plaatse is.
Ik ben aan julie verblijf geweest. Er was een vrouw met kort grijs haar. Zou dat Liliane kunnen geweest zijn?
Ik denk het wel. Ik had haar pas vanavond verwacht. Dit moet een misverstand zijn.
Eddie, jij bent echt een speciale.
Ik weet het, maar dan niet met opzet. Ik ga ernaar toe.
Weet je de weg nog?
Achter de kerk rechts naar boven.
Naar de boerderij bedoel ik.
Die weg vind ik wel terug.
Als ik een half uur later aan het verblijf arriveer blijkt Liliane vertrokken te zijn. De eigenaar geeft me de reservesleutel. Het is hier rustig en ruim genoeg. Binnen mag je niet roken. Ik neem een douche en trek propere kleren aan. Op dat moment komt Liliane binnen.
Awel, waar ben je gebleven? Ik ben sinds vanmiddag hier. Ik heb twee uur op jou staan wachten en ben dan naar die fessttent gereden. Johan vertelde me dat je s’middags vertrokken bent.
Niet waar, ik ben pas deze namiddag vertrokken. Ik dacht dat je pas vanavond kwam.
Ik had je toch verteld dat….
Dat heb ik dan slecht verstaan. Zullen we vertrekken? Dan zijn we nog net op tijd voor het aperitief.
Ze kent de weg naar de boerderij feilloos vanbuiten en slaat mijn aanwijzingen in de wind. Een keer is er twijfel. Als we aankomen op het feest hebben we net het aperitief gemist. Iedereen wordt uitgenodigd aan tafel. De collegas zijn er al. Roger met zijn vrouw die zwart geverfd lang haar heeft en op Liz Tailor lijkt, Freddy met zijn vrouw en hun zoon die mongolide trekken heeft, Gustaaf met zijn vrouw die nog lelijker is dan hijzelf, Danny muzikant en vrijgezel, Michiel, Julien en Samanta. Haar vriend komt later. Ik ken het menu vanbuiten en weet hoe het klaar gemaakt werd. Deze keer zijn de varkenspoten voor mij. Aan de barbecue hebben ze nu verlichting voorzien. Johan houd een speech en zijn kersverse echtgenote doet ook een poging maar meer dan gechiechel komt er niet uit. Tijdens het eten wordt saaie muziek gedraaid op de achtergrond. Het is een andere d.j dan gisteren maar na het eten wordt het beter en loopt de dansvloer vol. Samanta die anders stil en verlegen is gedraagt zich uitbundig, ja, zelfs uitdagend. Ze fladdert als een nachtvlinder over de dansvloer. Barbara danst met de bezetenheid van een voodochild en Liliane is ook niet van de dansvloer weg te slaan. Ik dans met Liliane een slow. Haar haren ruiken nog net hetzelfde als vijfendertig jaar geleden. Ze fluistert in mijn oor dat ze me gemist heeft. We omarmen mekaar op het ritme van de muziek. Ik zie u graag, fluister ik terug. Lang geleden dat ik het nog gezegd heb. Ik druk haar lichaam tegen me aan. Het is een lieflijke avond. Rond drie uur rijden we naar ons verblijf.

 

 

 

Begin

Home