Mijn familie had me verlaten. Ik voerde een anarchistische strijd tegen een uiterst rechtse gemeenschap waarbij mijn broer zich had aangesloten. We leefden op voet van oorlog. Ik was niet alleen. Ik leidde een verzwakt volk dat steeds op de achtergrond bleef. Heel zelden ontmoette ik mijn gezin dat mijn levensstijl afkeurde. Mijn broer speelde een cruciale rol als lid van de tegenstrever. Ik stond op het punt broedermoord te plegen.
Ik torste voortdurend schuld van afzondering en asociaal gedrag, bestreed de strenge regels van verrechtsing. Soms klauterde ik over een omheining in een veld en werd ik achtervolgd door een stier. Bangelijk was dat!
Iedereen sliep toen ik in een nacht me wou te slapen leggen. Dan ontmoette ik mijn oudste zoon. We sliepen als twee tegengestelde gemeenschappen buiten, dicht bij elkaar. Mijn zoon was wakker geworden, nog als een kind. Hij vroeg om eten en toen ik vroeg wat hij wilde antwoordde hij: bladgoud.
terug
vorige
volgende
Home