’s Avonds op stap kwam ik voorbij een gebouw dat met schaduwen verlicht was. Het bestond uit meerdere torens overkoepeld met glas. Het leek op een modern paleis. Hoewel het donker was kon ik de omgeving duidelijk zien. Er hing een nevel die langzaam bewoog. De zon, de maan en nog andere hemellichamen zweefden erin. Vreemd genoeg verspreidden ze geen licht. Het was als een uitgedoofd heelal dat tot in de aardatmosfeer gezakt was in vredige stilte. Dan zag ik grote luchtbellen met heiligen erin die me roerloos aankeken. Ik kon ze net niet aanraken. Toen ik begon te zweven werd ik wakker.