Ik lag met haar in een bed waarvan de lakens besmeurd waren met olie en vet. We maakten ruzie over wiens schuld dat was. Het bed stond onder een afdak op een publieke plaats. Van op een terras wenkte mij een collega die ik dertig jaar niet meer ontmoet had. Mijn kleren hingen op de stoel naast hem. Halfnaakt liep ik ernaar toe en trok haastig mijn kleren aan terwijl de omstanders verbaasd toekeken.
“Ik heb iets voor u besteld” zei hij. Het verbaasde mij dat hij Nederlands sprak.
Kort daarna kronkelden roetwolken door een heldere lucht. Ze verspreidden zich vliegensvlug en lieten een zwavelgeur na. Iemand leende mij een wit paard waarmee ik langs heuvels stormde, de roetwolken ontwijkend. In een dorp kon ik het paard niet doen stoppen. Het had geen teugels aan. Plots gleed het uit en kwamen we ten val. Toen ik recht stond liep het paard naar de inkomhal van een hotel en begon daar te vechten met een ijsbeer. Een bloedig gevecht dat lang duurde. Uiteindelijk werd het paard verscheurd.
“Haast u voor de bedelstok en wordt schaapherder in de bergen! “ schreeuwde de hotelier.