droom 32 |
|
literatuur Mijn vader was een verbitterd man die niemand genegen was. Ik moest op een bijeenkomst een door iemand anders geschreven tekst voorlezen. Ik wist bij voorbaat dat de tekst slecht geschreven zou zijn. Bovendien kende ik het onderwerp niet eens. Daarom had ik gevraagd hem voorafgaandelijk te mogen lezen, maar de schrijver bleek spoorloos te zijn. Ik ging naar hem op zoek in een groot gebouw waar mensen van alle soort logeerden. Het was ingedeeld in ontelbare kleine schemerige kamers die verbonden werden door centrale gangen. De mensen lagen er door elkaar. Plots zag ik mijn broer in één van de gangen. “Haast u naar buiten. Iemand zal u de tekst overhandigen” riep hij.
|