terug

Home

 

 

.

 

 etter

Het begon bij mijn vader die ziek werd. Uit zijn huid droop een pijnlijk vocht.
Het was besmettelijk want mijn moeder kreeg het ook. Daarna mijn broer, mijn zus en de mensen om me heen. Plots liep ik op een landweg ingesloten door grasweiden. Er draafde een paard recht op me af. Ik ging liggen op de weg en sloot mijn ogen. Het paard kwam naast mij liggen en was bang dat het me zou verpletteren, maar het neuriede lieflijk en omhelsde me. Dan brak een woeste stier vlakbij door een afspanning. Opnieuw sloot ik ineengekrompen mijn ogen en kwam in een verouderd  klaslokaal terecht. Mijn medeleerlingen waren jonger dan ik. Ik spijpelde voortdurend en had nooit schoenen aan. We moesten in een cinemazaal een voorstelling bekijken over een torenkraan. De ruimte was immens. De kraan stond er echt. Er was geen scherm. We moesten aandachtig kijken. Achteraf zouden er vragen over gesteld worden. Weeral sloop ik op versleten sokken naar een belendende ruimte. Tot mijn verbazing zat daar een vriendin die ik lang geleden niet meer
gezien had. Ze vroeg of ik karnemelk meegebracht had.
   Ik heb de laatste fles leeggedronken, zei ik.
Pas dan zag ik de gaatjes in haar huid waaruit etter sijpelde. Ik wou terug, maar aan de deuropening gaapte een weidse diepte.