afb


terug

Home

1-2




 

 


 

 

Ik heb  toevallig   een mens vermoord en begraven. De grond waar ik hem begraven heb  is  nog korrelig. Ik had mijn dode beter verbrand of in een beerput gegooid. Maar  nu is  het te laat. Ik heb hem begraven en zou het niet aandurven  om hem opnieuw op te  graven.
Ik ben bang dat ik hem niet diep  genoeg begraven heb en dat er iemand  voorbij zal komen,  de  uit de grond wasemende stank zal rieken, of  waarschijnlijker  nog, dat een hond het lijk zal opgraven zodat iedereen zal zien  dat  hier een mens begraven werd en mij zal aanwijzen als de vermoedelijke  dader.
De volgende dag  kom ik terug om te zien of ik  niks verkeerds riek. Op de plaats waar ik hem  begraven heb  leg ik een zware steen. Terwijl mijn  dode stinkend onder de grond  me roerloos kwelt met angst om  betrapt te worden, denk ik aan wat ze mij  verteld had over de dood van haar  moeder.
Ze zei:  De onwetendheid  over wat na de dood is of niet is, speelt  voor mij geen rol.  De pijn en de angst  ervaren tijdens het langzaam  doodgaan is mijn  grootste angst in het leven. Moest jij er niet meer zijn als  ik  dood ga, wil ik een goeie priester bij mij.
Ik zei: het overkomt ons allemaal. Als je het  leed ondergaan hebt en de pijn en de  angst voelt als  een  gekwetst dier, hulpeloos en verwonderd voor datgene  waarvan je  wist dat het je ooit overkomen zou, aanvaard je het lot en wordt  je weldra de herinnering bij diegenen die je dierbaar zijn.