| |
|
Ik heb toevallig een mens vermoord en begraven. De grond waar ik hem begraven heb is nog korrelig. Ik had mijn dode beter verbrand of in een beerput gegooid. Maar nu is het te laat. Ik heb hem begraven en zou het niet aandurven om hem opnieuw op te graven.
Ik ben bang dat ik hem niet diep genoeg begraven heb en dat er iemand voorbij zal komen, de uit de grond wasemende stank zal rieken, of waarschijnlijker nog, dat een hond het lijk zal opgraven zodat iedereen zal zien dat hier een mens begraven werd en mij zal aanwijzen als de vermoedelijke dader.
De volgende dag kom ik terug om te zien of ik niks verkeerds riek. Op de plaats waar ik hem begraven heb leg ik een zware steen. Terwijl mijn dode stinkend onder de grond me roerloos kwelt met angst om betrapt te worden, denk ik aan wat ze mij verteld had over de dood van haar moeder.
Ze zei: De onwetendheid over wat na de dood is of niet is, speelt voor mij geen rol. De pijn en de angst ervaren tijdens het langzaam doodgaan is mijn grootste angst in het leven. Moest jij er niet meer zijn als ik dood ga, wil ik een goeie priester bij mij.
Ik zei: het overkomt ons allemaal. Als je het leed ondergaan hebt en de pijn en de angst voelt als een gekwetst dier, hulpeloos en verwonderd voor datgene waarvan je wist dat het je ooit overkomen zou, aanvaard je het lot en wordt je weldra de herinnering bij diegenen die je dierbaar zijn. |
|