Het paard was nog niet bejaard toen het in mijn bijzijn neerzeeg in een plotselinge dood. We kenden mekaar amper twee dagen. De eigenaar had het afgestaan. Ik had het nog niet bereden. Het was een wit paard dat lachend stierf.
Toen ik het wou begraven belandde ik in een tempel met rotsachtige doolgangen .
Op sommige plaatsen slenterden mensen rond die zwegen. Ze leken mijn aanwezigheid niet op te merken. Plots veranderden ze in demonen die beurtelings op me af kwamen. Sommigen spuwden scherven, anderen hadden een stekelvacht waarmee ze me bliksemsnel trachtten te raken. Ik kon ontkomen aan hun aanvallen door me in spleten van rotswanden te verschuilen maar steeds vonden ze me opnieuw. Net toen ik de kille adem van een van hen in mijn nek voelde kwam ik in de buitenwereld terecht, vlakbij een landingsbaan aan de luchthaven. Het was nacht. Het bleek een landingsbaan voor vliegtuigen in nood te zijn. Ik zag een vliegtuig op en neer duiken tot het in een spiraalvlucht te pletter viel. De brokstukken vlogen over me heen. Ook daar bleef mijn lichaam ongeschonden.
Ik werd wakker en keek of ze naast mij lag. In het zwakke schemer zag ik de contouren van haar gelaat vol stekels en scherven die langzaam verdwenen. Er lag een engel naast mij.