Het is nog maar twintig voor vijf in de morgen. Ik heb nog anderhalf uur tijd. Net op tijd om met haar een huis te huren voor een week.
De keldertrap lag bezaaid met op maat gezaagde boomstammen. Af en toe kwamen kennissen van vroeger op bezoek.
We hadden een hond en een kat. De hond liep voortdurend weg langs een overweg en de kat zat onder de builen.
We hadden met dat beest te doen maar konden aan haar aandoening niet verhelpen.
In het huis was een ruimte waarin de muren vol hingen met kleine brandende kaarsen die ik telkens moest doven als we weggingen.
Terwijl ik dat deed morste ik met tabak en wijn op de dure meubels en stroomde er water over de vloer, doch niet overvloedig. Telkens zei ze voor we vertrokken: pas toch op, we gaan een schadevergoeding moeten betalen aan de eigenaar. Ik voelde dan ouderdom en verval
en als we uiteindelijk naar buiten gingen leek het alsof iemand op me stond te wachten.
En op een keer, in klaarlichte dag, vloog er een straaljager pijlsnel in het rond. Hij maakte vervaarlijke bochten met een hels lawaai en begon lager te vliegen tot hij dichtbij neerstortte.
We waren net niet geraakt maar ik zag de bommen voor het venster dampen.
We belden de hulpdiensten. Die vertelden nadat ze twee vliegeniers opgeborgen hadden, dat het ongeluk te wijten was aan overmatig gebruik van cannabis.