dinsdag 18 maart 2008
Passagiersboot vaart roekeloos op rivier en botst tegen een hindernis. De boot maakt water. Net voor hij zinkt kunnen we overstappen op een andere boot. De kapitein is een vriendelijke vrouw met lichte baardgroei. Op het benedendek open ik een deur en zie een zestal zwakzinnigen TV kijken. Ik ben er niet welkom. Een bemanningslid kan net voorkomen dat een van hen me brutaal met een broodmes te lijf gaat. We worden aan wal gezet in een park waar een luidruchtige taxi ons oppikt en naar een begrafenis van een naast familielid brengt. Ik ben verantwoordelijk voor de kist. Er wordt van mij verwacht dat het lijk er per ongeluk niet uitvalt. De uitvaartmis heeft plaats in een kathedraal. Ik trek net zoals vele aanwezigen mijn schoenen uit. De schoenen liggen in de sacristie door elkaar.
De onderpastoor komt eraan. Bestel in het vervolg de mis bij mij, zegt hij. Dan krijg je een betere service, worden schoenen netjes bij elkaar gehouden en is er een discobar voor bij de koffie.
De vrouw van de koster heeft twee vinnige pijphonden meegebracht en vraagt of ik ze voor korte tijd wil bijhouden. Doe ik wel. Ik neem ze mee in de kathedraal waar wierookmist de aanwezigen doet vervagen. Dan pas merk ik dat de pijphonden niet aan de leiband zijn. Luid blaffend hebben ze zich bij de kist geschaard waardoor de gewelven beginnen te mompelen.
Ik tol naar beneden, word wakker en hoor geluiden alsof het een aanraking is. Het is nog maar drie uur in de morgen. Ik droom verder.
Ik ga met mijn ouders en broer op reis met een groot schip. Op het benedendek zitten marktkramers hun waar te verkopen. De meesten zijn Arabieren.
Hoewel het me door mijn ouders verboden werd, waag ik me tussen de kooplieden die me meteen aanklampen.
Ach ja, aanklampen is een groot woord. Het lijkt hier een gewoonte te zijn dat mensen massaal tegen elkaar roepen en mekaar aanraken.
Er wordt gekookt, geproefd en gezongen. Ik koop vier grote gekookte oesterzwammen. Ik hoor vertellen dat sommigen mij vijandig gezind zijn. Vooral de Afrikanen die op het middendek vertoeven zijn hier niet welkom omdat ze arm en primitief zijn. Voor mij word een uitzondering gemaakt. Wij zitten op het bovendek. Het is daar muisstil omdat iedereen in aparte kamers zit.
Wanneer ik terug wil keren naar het bovendek kan ik het niet nalaten langs het middendek te gaan alwaar ik door een Afrikaan beroofd word van mijn oesterzwammen. Die keert echter op zijn stappen terug en toont spijt over zijn daad.
Ga mee naar beneden. Ik zal tonen waar ik die zwammen gekocht heb.
Schoorvoetend gaat hij mee. Tot zijn opluchting lijkt niemand zich tegen hem te keren. Integendeel, er wordt hem thee en fruit aangeboden. Vanaf dat moment wordt er een bestand gesloten.
Op het bovendek wil niemand hiervan iets weten. Zelf ben ik daar niet meer welkom. Alleen mijn vader mag ik nog bezoeken. Die vraagt me voortdurend of ze mij niet beroven.
De Afrikaan heeft me een kortere weg naar het benedendek getoond. In het begin was het moeilijk omdat we langs ijzeren staven en steenblokken moesten klimmen, maar ook dat werd een gewoonte.
Soms breken er rellen uit die bloedig kunnen zijn, maar telkens kan ik bemiddelen.
Mijn vader wordt gekweld door angst en heeft verdriet omdat de mensen op het bovendek mij verstoten. Bovendien heeft mijn broer een raad opgericht die moet toezien opdat niemand naar boven komt. Mijn vader vreest dat het ooit tot een fatale confrontatie zou komen tussen mijn broer en ik. Mijn moeder zou dat nooit te boven komen.
Ik voel me hiervoor schuldig maar kan het me niet laten om telkens met de Afrikaan naar benden te klimmen, meestal om geschillen tussen kleine gemeenschappen bij te praten. Dat gaat gewoonlijk over een vrouw, want die zijn hier nauwelijks aanwezig. Soms gaat het over handelswaar. Het temperament van die mensen drijft hen zover dat ze ervoor zouden willen doden.
Ik zoek naar een engel, en zo word ik verliefd op een van de weinige vrouwen tussen de Arabieren.
Ik kijk in haar ogen als die me bij toeval raken. Meer vrouwelijkheid heb ik nooit gezien.
Dan komt het schip aan wal en wordt er afscheid genomen.
Ik neem de bus. De chauffeur, die in feite fietst, valt langszij. Het leek of hij al rijdend iets van de grond wou rapen.
Mijn hart gaat het begeven, stamelt hij.
Heeft iemand een telefoon bij de hand? Hij krijgt een hartinfarct!
De reizigers staan rondom te drummen terwijl de chauffeur zich aan me vastklampt.
Volhouden, schreeuw ik. Ze komen U halen.
Uit zijn mond stulpt een groenachtige vreselijk stinkende brij die over mijn hemdsmouwen druipt. Uiteindelijk sterft hij nog voor de hulpdiensten komen. Er was geen houden meer aan.
Ik word opnieuw wakker. Het is nog maar twintig voor vijf. Ik heb nog tijd genoeg om verder te dromen.
We huren een huis voor een week. De keldertrap is bezaaid met op maat gezaagde boomstammen. Af en toe komen kennissen op bezoek. We hebben een hond en een kat. De hond loopt voortdurend weg langs een overweg en de kat zit onder de builen.
In het huis is een ruimte waar de muren vol hangen met kleine brandende kaarsen die ik telkens moet doven als we weggaan. Terwijl ik dat doe mors ik met tabak en wijn op de dure meubels en stroomt er water over de vloer. Telkens zegt ze voor we vertrekken: pas toch op, we gaan een schadevergoeding moeten betalen aan de eigenaar.
Ik voel ouderdom en verval. Als we naar buiten gaan lijkt het alsof iemand op me staat te wachten.
Ineens, in klaarlichte dag, vliegt er een straaljager pijlsnel in het rond. Hij maakt vervaarlijke bochten met een hels lawaai en begint lager te vliegen tot hij dichtbij neerstort.
We zijn net niet geraakt maar ik zie de bommen dichtbij dampen.
Nadat de hulpdiensten de twee vliegeniers opborgen, vertellen ze dat het ongeluk te wijten was aan overmatig gebruik van cannabis. Voor de derde keer word ik wakker en sta op.
Mijn zoon zegt dat onze samenleving rotzooi is en dat hij leeft om zich voort te planten, en ik zeg: je hebt gelijk. Overleef in deze strontbedorven cultuur met een visie, bekijk het tafereel maar probeer in godsnaam geen wereldverbeteraar te zijn want dat doet pijn tot het einde.
Hij is nu een volwassen mens. Hij weet precies wat hij wil. Dat denkt hij. Hij vertelt me dat de tijd sneller gaat wanneer men geen afwisseling heeft in het leven.
Ik zeg: je hebt gelijk.
Hij zegt dat beweging positief is en ik zeg: ja, je hebt gelijk.
Hij heeft zijn haar laten knippen om betere kansen. Hij wil het maken op zijn manier. Zijn droom is om boswachter te zijn. En ik zeg: dat is een prachtig beroep.
Wat vieren we vandaag?
Daglicht vol vogels. En volle maan. Daarvoor moet het donker zijn.