Ik moest van mijn moeder opnieuw trouwen voor de kerk. Zij droeg een versleten trouwkleed. Ik had mijn werkbroek en houten klompen aan. Het schemerde in de kerk. De pastoor stond op een balkon in de gewelven. Hij zei geen woord. Uit het publiek, dat niet alleen uit familieleden bestond, klonk geroezemoes. Ik hoorde mijn moeder huilen en mijn vader schreeuwen: “We komen niet naar het feest!”
Onderweg vroeg een verwaarloosd kind op een driewieler de weg. Ik was bang dat het in het verkeer zou overreden worden en nam het samen met een schurftige hond mee langs een kronkelende aarden weg.
We kwamen mijn broer tegen maar die wou niet mee omdat verderop een slang lag te slapen. Afkerig ging hij verder.
In het huis was een bouwvallige ruimte waar ik met haar en tien vrouwen matig in drankzucht de trouw vierde. In de deuropening was een linteel losgekomen en begon het metselwerk uit te kavelen. Er sijpelde water door.
Terwijl de vrouwen verder feestten begon ik met een truweel te metsen.