Ik weet niet waar het zich afspeelde, maar het gebeurde niet in een bos, noch op een veldweg.
Twee jagers richtten uitzinnig in woede hun geweer op mij. Ze stonden een tiental meter binnenshuis
onverscholen van me vandaan. Nog nooit had ik zo een angst gevoeld. Geen angst om te sterven maar angst om
de pijn die de hagelinslag in mijn lijf zou veroorzaken. Bovendien was mijn jongste zoon net gaan plassen en kon
hij elk moment achteloos in hun vizier verschijnen.
Dan stapte ik liggend uit dit verschrikkelijk tafereel en keek ik
met half open ogen in de blik van doodse afwezigheid die verschrikkelijker was dan wat zich in dit rijk der levenden
kan afspelen. Ik wou niet in die priemende verstarde ogen kijken, maar ik kon het me tegelijkertijd niet laten. Telkens
als ik er onvermijdelijk bijna dwangmatig naar keek, zweepte de angst en afkeer door mijn ziel.
Ik wou opstaan en naar beneden gaan maar ik durfde niet. Ik was bang om die blik, die gedaante te ontmoeten bij het afdalen van de wenteltrap. Wat me verontrustte was dat ik wakker was en dat beeld uit mijn droom bleef bestaan, me achtervolgde in deze zogenaamde werkelijkheid.
In bed liggend liet ik twintig scheten, besloot ik uit angst om niet te gaan plassen en sloot ik vervolgens mijn oogleden.
Tot mijn opluchting begon ik daarna mijn inboedel te verhuizen naar het oudershuis. De onnutige dingen gooide ik op een container en het noodzakelijke bracht ik met een stootkar naar huis.
Tot mijn ontstentenis was het oudershuis niet leeg. Ik moest mijn stootkar aan de voordeur laten staan.
Die dag zou mijn lief vanuit de lagere school komen inwonen maar mijn moeder lag ongeneeslijk ziek te bed. Vooraleer dat een teleurstelling werd, werd ik opnieuw wakker, dronk ik een tas koffie, poetste mijn tanden, waste me waar het nodig was en begon de dag.