.

18 augustus 2006

        subject: feest
droom10 

Ik ben met koorts opgestaan in ijle werkelijkheid met schrik voor  onwezenlijke schimmen uit hersenspinsels. Mischien is het dat dat doet leven, net als een arduin  jarenlang ondergaat in het gras onder een sterrenbeeld dat blijft bestaan.
Een glimp naar de toekomst kijken langs een kier, het nachtlicht voorbij. Volle maan met schaduwen is pas gedaan.  Het wordt een klare ochtend met zen vijven. Ze slapen nog. Er klinkt oorgesuis in het huis.
Straks komen ze in de koude ochtendlucht een voor een naar buiten. Twee beminnelijke vrouwen, twee mannen met verkrampte tenen.
De deur en ik staan open. De kou botst tegen de warme binnenlucht. Niemand heeft zin om op te staan. Het is nog stil.
Vannacht gingen we met de tram ver weg. Thuis hingen wervelstormen in de lucht en het bos raakte overbevolkt. Het land waar we naartoe gingen had geen naam maar het moet een moslimland geweest zijn want de mannen waren klein en donker en er waren geen vrouwen te zien. We sliepen in een klein hotel aan een berg. Meestal was het donker en dat stelde teleur.
Aan mijn pols sabbelde een schurftige hond. Er stak een duizendpoot half in. Ik ging naar huis en miste de trein om terug te gaan. Ik werd niets en was niemand. Het deed geen pijn om zo te verdwijnen.
Existentiël verwonderd vraag ik me af waar ik aan toe ben. In de spiegel kijken om onuitgewiste sporen van jongsblik te herontdekken zint me niet eens.
Gedachten een bestaan geven, een unieke wereld beschrijven, ja dat wel. Of schreeuwen met uitgedroogde tranen, ja, waarom niet? Niets blijft hetzelfde in dit hoerig leven. Laten we dan maar eventueel heerlijk nietsnutten en spelen, desnoods in een besneeuwd landschap.

lagen we als onbekenden afzijdig als slangen in een mysterie aan elkaar gekleefd
als ik haar kus zegt ze: zo heb ik niemand gekend
beneden is er een groot feest aan de gang
de genodigden zijn bekenden
de kinderen slapen buiten met een roofdier dat ik meegebracht heb
overspelig zat mijn vader in het vroege uur nog aan een glas cognac te nippen
terwijl hij zei: overdrijven we nu niet?
in feite konden we mekaar niet verstaan in onze dovemansoren
en ik miste iemand die niet gekomen was
dan was plots het feest gedaan, sliepen de bekenden
zat ik met verlangen in een medogenloze ruimte
kwam er vuur uit de hemel
en ging ik met de kinderen ondergronds