Op een bank eet een bejaarde vrouw een pakje friet. Het hameren van de timmerman weergalmt door de winkelstraat en ook de hoge hakken van chique dames tikken in het gezoem van optrekkende scooters. Zie wat een mooie vrouw. Ik kijk naar haar benen. Het kind naast haar kraait iets onverstaanbaars. Aan het einde van de laan  pieken torens met geleerdenbeelden kitsch-kitsch-kitsch. Iemand schreeuwt dat ik voorrang moet verlenen aan het zebrapad. Stom van mij, die onoplettendheid. Waar gaan al die mensen naartoe?
Ik ga zitten en kijk naar de stadsduiven zonder hoogtevrees. Als ze tippelen sjokken ze met hun kop. Mijn bank is nat. Niemand komt erop.
Aan een bruin café zet een twintiger terrastafels buiten. Wanneer ze zich bukt zie ik de welvingen van haar rug naar haar dijen gaan. Binnen speelt een man scrabbel aan de toog. Hij drinkt thee. Het is bewolkt vandaag. Op de terugweg beukt de wind in mijn ogen. Het lijkt of de zon gaat schijnen, maar nee, het motregent nu. Toch zwermen muggen in een zwak tegenlicht. Hoe houden ze hun vleugels droog?
Als ik thuis kom kus ik haar in de hals. De piloten vliegen als jonge vaders beurtelings over het huis en het muizenlijkje op de keermuur ligt te vergaan. Het is te lang bewaard gebleven in de vrieskou van de winter. Als in de lente haar geraamte overblijft leg ik het in de apothekerskast.
Vanavond doe ik niets meer dan dansen aan de waterton, kijken naar mezelf in een waterspiegel en een nieuw woord bakelierend verzinnen. Vanavond maak ik er een rotzooi van, schrijf ik een zinloze vierde zin in een vijfde refrein. De zesde gaat op in rook. In de zevende verliezen we onszelf. Met de achtste zet zij ver van mij een kop thee en met de negende proost ik als een roofdier bij de frigodeur. Ja ik doe mee zegt een derde. Bij een duizendste doen we onze ogen dicht in een eindeloze slaap.
Met brandende ogen van duivelinnenvuur dichtte de dichter, gifslangen in het kielzog werend, een laatste keer: ’t kan geen kwaad, de wereld staat niet in brand. Vogels, met roet bedekt,  zwegen voor het gedrocht dat zich over de horizon boog met zwavel en chagrijn.

 

 

begin

Home