subject: dichtgesneeuwd
zaterdag 26 november 2005
Kwart voor acht.
‘Er ligt meer dan tien centimeterr sneeuw buiten’, zegt ze enthousiast. Het gevoel uit mijn kinderjaren toen ik wakker werd met buiten een dik pak sneeuw maakt zich meester van mijn nog slaperige geest.
Het heeft vannacht fel gewaaid. De wind was guur en drong door merg en been. Sommige windvlagen deden het nog overgebleven riet tot dicht bij de grond buigen.
Ze is vroeg opgestaan en heeft voor Stef koffie gezet. Hij is net vertrokken. Zalige zaterdagmorgen. Niks moet, alles mag, alles kan met daarbuiten een schijnbaar verlaten besneeuwd landschap in zwart wit.
Overwegend wit, met zwart van verroeste drinktroggen in de weiden, het zwart van niet besneeuwde takken, zwart van toppen uitstekende kluiten op het land,
zwart van niemendal in de sneeuw.
Hij is teruggekomen omdat de bus niet kwam opdagen. Even later kruipt hij terug in bed om verder te slapen. Behalve hij en ik is er niemand in huis.
Ik trek een wintertrui overaan en zet de verwarming wat lager.
Het blijft sneeuwen. De twee merels zijn in de buurt. Ze gaan op de tuintafel zitten. Ze zullen de winter buiten overleven.
De wind is opnieuw opgekomen en waait de sneeuw uit de populier.
oe
ha
nomo ketam
adjhoula, adjhoula
Mijn oog dwaalt in het gebeuren dezer dag. Mijn grootvader zou in zijn tijd in dit seizoen dag en nacht de witloofketels met steenkool vullen, de koeien voederen en daarna zuinig een jenever drinken bij hen rond de stoof.
Ze spreken over het weer of over een koe die net gekalfd heeft. Het overschot van het avondmaal pruttelt achteraan op de hete stalen plaat. Een van hen heeft de weerwolf gezien. Telkens opnieuw vertelt hij zijn verhaal. Een ander heeft het over de scharensliep die in het rijpe korenveld huist. De winter heeft hem verjaagd.
|