subject: baksteenpassant
als passant
onderweg
met twaalf bakstenen
twee maanden elke dag
neem ik twaalf bakstenen mee naar huis
de boeren doen de bieten uit
veldwegen zijn dan modderig
en met die felle wind van vrijdagnacht
liggen daar waar bomen staan
afgewaaide takken op de grond
met twaalf bakstenen in het pikkedonker
op een modderige veldweg
in een lichtstraal van twaalf meter
klief ik mij door de koude lucht naar huis
Ik heb zo het gevoel dat ik dingen waarmee ik begaan ben ga moeten voltooien. Ik heb altijd plezier gehad om met iets onvoltooid bezig te zijn, maar nu blijft er niet zoveel tijd meer over. Meer en meer denk ik aan onze sterfelijkheid. Vreemd genoeg bedroeft mij dat niet. Wat mij nieuwsgierig maakt is of er iets onthullend zal zijn bij onze dood, of zal het zijn zoals voor onze geboorte: niets. Sterven we eenzaam met onze geliefden om ons heen zoals we eenzaam geboren werden omringd door zij die er binnenkort niet meer zullen zijn? Hoe kan ik dit tijdelijk bestaan erkentelijk zijn zonder anderen te choqueren? Ik dacht dat ouderdom wijsheid schonk maar ik heb meer vragen dan voordien.
Mijn vingers rieken naar wiet. Mijn adem stinkt naar wijn. Uit mijn slokdarm wasemt de geur van spinazie en knoflook. Ik ben ongewassen sinds vanmorgen. Mijn consumptie van vandaag hangt nog te rotten in de spleten van mijn voorlopige kiezen.
|