Daklozen, kindslozen, nietsbezitters.
Daverend geluid onder de brug.
Van een trein uit het eerste uur.
Zoals ik hier nooit moet zitten zitten ze hier dagelijks, nog onzichtbaarder dan de ziel. Hier wordt gezwegen als een graf en geleden.
Ik had ervan gehoord. Ik wist dat de ochtendstond anders kon zijn dan in gedichten. Ik dacht de werkelijkheid te herkennen als ze zich voordeed.
Hier, tussen bezeken peilers waar zelfs de mist niet blijft hangen.
Iemand, die een vrouw moest zijn, drinkt het begin van de dag en proest op het beton. Daarna maakt ze met haar voet een kruis over de eerste slok.
Ik had erover gelezen maar de werkelijkheid is anders.
De hel vlakbij het paradijs. Een paradijs waar genoeg nooit genoeg kan zijn.
Ik wil iets doen. Een crisissituatie scheppen, de oorlog verklaren.
Dat ik hier de helden van deze oververlichte tijden zou ontmoeten had ik niet verwacht.
Ze moet gezien hebben dat ik naar haar keek. Ik keek en zij keek terug. Ik gluurde met schaamte en zij keek schaamteloos terug terwijl ze gratieus haar haren naar achteren streek. Ik wou in haar bedwelmde ogen haar kindsheid zien. Het spel, die spontane lach, schrijen niet alleen omdat het niet anders kan. Ik dacht: dit is een afscheid van een gesprek dat nooit begonnen is.
Ik stond ernaar te kijken. Veel meer kan ik niet. Het was al een daad van afscheid.
Ondeugdelijke trut, riep ik in mijn binnenste. Ze kon het niet horen. Wel zien.
Tranende ogen bij de bakker, de beenhouwer, de kruidenier….soms zonder reden. Zomaar en zeker bij een afscheid van een onbegonnen gesprek.
Mijn ziekte. Een van mensen die het godsparadijs allang verspeeld hebben.
En die van haar... is onzichtbaarder dan de ziel.
begin
Home
|