Die kater zit daar maar te staren aan de kant van de rivier. Zijn snorharen die zijn majesteuze kop voorbijsteken zijn bijna bevroren. Hij zit daar tot ik naderbij kom. Eerst blijft hij behoedzaam zitten en dan verdwijnt hij sluipend in de kant. Ik passeer de plaats waar hij net voordien zat te staren en vergeet haast de reden waarvoor ik deze plaats passeer. Het komt door die kater die zat te staren naar de rivier. Een rivier zonder vissen met een kater aan de zijkant. Iets verder evenwijdig met dit pad rijd een trein en er is ook een brug. Een brug waaronder ik als het regent mijn handen droog en een sigaret draai. Dan sta ik ook te staren naar de grijze lucht, de brug, de spoorweg, de rivier en naar mezelf. Rimpels van regen op het water met uitdeinende cirkels die botsen tegen de kant, die de boeien verbreken waaraan ik gekluisterd zit. Even niet ze en wij en men enzovoort.
begin
Home
|