Ik wordt wakker en zeg: ik rijd naar Leuven.
Ge zijt zot, zucht ze.
Vannacht reed ik langs onderbroken wegen en stond ik in een fietswinkel waar niemand kwam.
In het bos zag ik een panter vanuit een verlaten huis.
Ik kwam een kwartier te laat op het werk door een wegversperring.
Aan het station miste ik de tram en nam wat verder de bus aan een roltrap met veel volk.
Nu nog een schil soepvlees bakken en opeten. Dan mijn eerste sigaret in de wind.
Daarna snuit ik mezelf een bloedneus. De rest komt vanzelf.
De buurvrouw van een honderdtal meter verder stapt met haar keffer voorbij. Ze is naar de krantenwinkel geweest. Onze hond raast als een woeste beer naar de poort. Ze kan erom lachen en wuift me vriendelijk een goede morgen toe.
Een beetje verliefd op zoveel genegenheid knipper ik wederzijds met mijn rechteroor. Het is een begin van een droge winderige dag met opklaringen.
Ik fiets naar de stad en neem mijn klassiek fototoestel mee dat ik al twintig jaar bezit. Een handbediend zwaar metalen apparaat met een zwart-wit film erin. Ik heb er een groothoeklens opgevezen. Daarmee ga ik straks op het trottoir aan portretfotografie doen.
10h55: ik koop in een grootwarenhuis groentesap. Net voor de kassa krijg ik weer een bloedneus. Gênant is dat.
Met mijn neus in de weer geef ik aan de dame achter mij mijn portefeuille en vraag om te betalen.
Als ik buiten kom schijnt de zon en is na vijf minuten het bloed in mijn neus gestold.
12h10: ik eet alleen gezeten op de oude markt een dagschotel. De wind waait het stof van de weg.
Daarna laat ik op een bank in het begijnhof mijn eten verteren in bijtend zonlicht.
Op de terugweg langs het veld heerst tegenwind. Het overbevolkt hoge gras woelt met de wind. Coureurs snellen mij regelmatig voorbij. Mijn fiets waait omver.
begin
Home
|