Ik wordt om 8h30 wakker met een onweerstaanbaar verlangen om naar de markt in Brussel te gaan. Alles is nog stil. Iedereen slaapt. Ik zeg tegen L., die een oog open doet, dat ik naar de markt ga.
Moet ik iets meebrengen?
Ja, tulpen.
Witte tulpen?
Neen, gele tulpen.
De koffie drink ik op het toilet terwijl ik mijn eerste sigaret rook. Ik neem mijn notitieboek en vulpen mee naar Brussel. Misschien schrijf ik wel iets ter plekke dat de moeite is om niet te vergeten. Gebeurtenissen en indrukken die anders hun frisheid verliezen in het geheugen.
Er zijn twee soorten mensen die op een totaal verschillende manier hun gat afkuisen: diegenen die het wc papier overmatig tot proppen verfrommelen en anderen die het profijtig en zorgvuldig samenvouwen en zodoende hun vingers bevuilen terwijl ze de stront van hun gat vegen. Vingerriekers.
S. Is beneden gekomen en wil meegaan naar de markt. Binnen vijf minuten is hij klaar. We parkeren de wagen aan de Place Roupe. Vandaag is het gratis. We gaan te voet naar het zuid. Reeds vanonder de spoorwegbrug riek ik de pikante geur van kruiden, kip aan t’spit en citroenmelissen. Het voetpad dat we al een kwartier bewandelen bestaat uit grote verweerde met rochel en pis doordrongen gebarsten arduinen tegels.
Brussel is toch vuil hé pappa?
Alle grootsteden zijn vuil, antwoord ik.
Toch vraag ik me af waarom zoveel mensen steeds in het openbaar slijmen voor zich uitspuwen.
S. kiest een portefuille, ik betaal 595 fr. Alles kost hier net vijf frank onder een honderdtal.
We gaan naar de luizemarkt, de coté van de marollen, op de vismarkt na één van de tofste buurten in Brussel. Kleine wat slordige cafés met namen als “ Chez Pappie, De Volle Pot, Chez Alli, “ en andere snacks waar het nachtelijk vet nog aan de ruiten kleeft.
Een vrouwelijke clochard met dezelfde haren als de grijze keffer die ze bij zich heeft wekt bij mij een intens gevoelen op: cultuur in Brussel is nog niet dood.
S. geeft de mevrouw een stuk van twintig, ze merkt het nauwelijks. Alleen de keffer begint luid te blaffen.
Die hond beschermt die mevrouw hé pappa?
Dat was een echte clochardine, antwoord ik.
Ondertussen denk ik aan woorden die me ontroerden: “ ik wil verloren gaan tussen de spelers en de drinkers, de mensen van mijn soort, tussen ratés van nachtcafés, waar de toekomst werd vermoord.
Het was Camille die het vertelde; een vent met een buitenmaatse neus, die nooit zijn manieren kon houden. Vijf rotte tanden en daartussen een dilemma van een buitenaardse tong.
Gelukkig bestaan deze griezels in Brussel nog.
begin
Home
|