begin

Home


Wat doen we, zullen we champagne drinken en naar een stad gaan?
       Ik heb daar best wel zin in, zegt ze. Laten we wachten totdat de hitte      verdwenen is, binnen een uur of twee.
Traag naar een kalme stad?
       Ja, traag.
Graag. Tot we geen zonnebril meer nodig hebben tenzij het zonlicht nog in onze ogen schijnt. Laten we nog eens verliefd zijn, ik bedoel: op mekaar.
       Dat is een goed idee. Verliefd met een zonnebril aan. Het is lang geleden dat       ik nog verliefd was op jou.
Ja, tof. We gaan nog eens in een ondergaande zon getwee naar een kalme stad. Eerst drinken we champagne en wachten we tot de zon lager staat. Raar dat op deze dag geen bijen ons komen plagen, dat er geen vlinders zijn. Het lijkt alsof het leven verschroeit in een zonnestraal.
       Dat is maar schijn. Het leven broeit.
Was dat maar waar, denk ik gelovig. Dan zie ik een spinneweb in de rimpels van een stoel en klimop over een huis groeien. Dichtbij is een verlaten plein met een kabbelende vijver. Er zwemmen vissen in en reigers hebben we nog niet gezien. Nog niet.
Neuspeuteren in een schaduw, afwachtend tot de zon lager staat. Dan gaan we naar een kalme stad, zij en ik, ik met haar.
       Je stapt als een dame, zeg ik tegen haar terwijl ze aan de rand van een rivier         dromerig voor zich uitkijkt. Er zat iets zwierigs in haar beweging alsof elk  moment verbruikte toekomst zou kunnen zijn.
Het water staat stil, zei ze.
       Niet waar, het water zoekt zijn weg, het lijkt stil te staan maar dat  gebeurt in jouw gedachten. In feite zoekt het zijn weg, zei ik.
Een half mensenleven lang heb ik in haar donkere ogen gekeken maar deze keer was er iets aan de hand. Er was iets afstandelijks ontstaan. In haar zelfstandigheid had ze me hulpeloos gemaakt. Zij bepaalde deze wereld in mijn gedachten. Ze droeg de macht van ons leven in haar schoot. Haar lijf, haar zijn, dreef me tot wanhoop. Ik klampte me vast aan haar schaduw.
       Hou op met daar zo te staren. We geven mekaar een kus.
Een kus, vroeg ze dromerig.
       Ja, een kus, zei ik welgemeend. Ik wil je zoenen net zoals die eerste keer.
Weet jij dan nog hoe dat was, vroeg ze terwijl ze haar hoofd afkeerde van het water.
       Ja, ik weet het nog. Vroeger heeft de hemel heel dicht boven de aarde   gehangen.
Hou op, het heeft geen zin.
Dan kwam ze terug en zat ze zich neer naast mij op de bank. Het heeft geen zin, herhaalde ze.
       Het is lang geleden dat het nog zo warm is geweest, zei ik.
Ja, zei ze terwijl ze haar ogen dichtkneep.

 

 

begin

Home